Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2024:1453

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
3 september 2024
Publicatiedatum
22 augustus 2024
Zaaknummer
200.328.430
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 lid 2 BWArt. 6:97 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering vergoeding buitengerechtelijke kosten na verkeersongeval

Een onderneming die twee slachtoffers van een verkeersongeval heeft bijgestaan, vorderde betaling van aan haar overgedragen schadevergoedingen, met name buitengerechtelijke kosten, van de verzekeraar van de aansprakelijke partij. De verzekeraar had aansprakelijkheid erkend en reeds betalingen gedaan ter vergoeding van schade en buitengerechtelijke kosten.

De onderneming stelde dat haar declaraties en de gemaakte kosten redelijk en noodzakelijk waren, en dat de verzekeraar onvoldoende had betaald. Het hof overwoog dat de schadevergoeding conform artikel 6:96 lid 2 BW Pro moet voldoen aan een dubbele redelijkheidstoets: de werkzaamheden moeten redelijkerwijs noodzakelijk zijn en de omvang van de kosten redelijk.

Het hof vond dat de onderneming niet voldoende had onderbouwd dat de werkzaamheden noodzakelijk waren en dat de kosten redelijk waren, mede omdat de verzekeraar al betalingen had gedaan en de onderneming niet aan haar stelplicht had voldaan. Daarom werd het hoger beroep afgewezen en het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd.

Uitkomst: Het hof wijst het hoger beroep af en bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter waarbij de vordering tot betaling van buitengerechtelijke kosten is afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.328.430/01
Zaaknummer rechtbank : 10012301 \ CV EXPL 22-2262
Arrest van 3 september 2024
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[appellante] Juristen sinds 1915 BV,
gevestigd in Gouda,
appellante,
advocaat: mr. E.A.C. Sandberg,
tegen
de naamloze vennootschap
Goudse Schadeverzekering N.V.,
gevestigd in Gouda,
verweerderster,
advocaat: mr. M. van der Bent.
Het hof zal partijen hierna noemen [appellante] en Goudse.

1.De zaak in het kort

Een onderneming die twee benadeelden heeft bijgestaan, vordert betaling van aan haar overgedragen vorderingen tot schadevergoeding (in het bijzonder: buitengerechtelijke kosten als onderdeel van vermogensschade) door de verzekeraar van de aansprakelijke partij. Haar (overgelegde) declaraties zijn niet voldoende om aan te nemen dat deze schade hoger is dan het bedrag dat de verzekeraar al heeft betaald. Het hof bekrachtigt de afwijzing van de vordering.

2.Procesverloop in hoger beroep

2.1.
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
  • de dagvaarding van 19 april 2023, waarmee [appellante] in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 19 januari 2023;
  • de memorie van grieven van [appellante];
  • de memorie van antwoord van Goudse.

3.Feitelijke achtergrond

3.1.
De directeur-groot aandeelhouder van [appellante] is voormalig advocaat.
3.2.
Op 26 juni 2016 zijn dhr. [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]) en mw. [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2]) slachtoffer geworden van een verkeersongeval.
3.3.
Goudse heeft in haar hoedanigheid van WAM-verzekeraar van de aansprakelijke partij jegens [betrokkene 1] en [betrokkene 2] aansprakelijkheid erkend.
3.4.
Nadat zij zich eerst tot een andere belangenbehartiger hebben gewend, hebben zij op 6 oktober 2017 aan [appellante] opdracht gegeven hun vordering tot schadevergoeding in behandeling te nemen. In de overeenkomsten hebben [betrokkene 1] en [betrokkene 2] hun schadevergoedingsvordering ter zake van “
de buitengerechtelijke kosten die Misterclaim[[appellante], hof]
in uw opdracht heeft gemaakt” bij voorbaat gecedeerd aan [appellante].
3.5.
Goudse heeft [betrokkene 1] als schadevergoeding een slotbetaling van € 5.000,00 aangeboden. Dat aanbod is niet aanvaard en daarna heeft [betrokkene 1] zich tot een andere belangenbehartiger gewend.
3.6.
Goudse heeft met [betrokkene 2] op 22 april 2022 een vaststellingsovereenkomst gesloten waarmee de schade is afgehandeld voor een totaalbedrag van € 36.500,00.
3.7.
In het dossier [betrokkene 2] heeft Goudse een bedrag van € 9.368,91 (incl. BTW) aan buitengerechtelijke kosten ex art. 6:96 lid 2 sub c BW Pro vergoed en € 2.722,48 aan verschotten.
3.8.
In het dossier [betrokkene 1] heeft Goudse een bedrag van € 3.773,74 (incl. BTW) aan buitengerechtelijke kosten vergoed en € 875,19 aan verschotten.

4.Procedure bij de rechtbank

[appellante] heeft Goudse gedagvaard en gevorderd dat Goudse wordt veroordeeld tot betaling van € 17.500,00 en de proceskosten. De kantonrechter heeft de vorderingen afgewezen en [appellante] in de kosten veroordeeld.

5.Vorderingen in hoger beroep

In hoger beroep legt [appellante] het geschil in volle omvang voor aan het hof. Zij vordert betaling van € 17.500,00 of, na wijziging van eis, een in goede justitie te bepalen bedrag, met veroordeling van Goudse om terug te betalen van hetgeen op basis van het vonnis mocht zijn betaald, met veroordeling van Goudse in de proceskosten van beide instanties.

6.Beoordeling in hoger beroep

6.1.
Het gaat hier niet om betaling van loon aan [appellante] als opdrachtnemer, maar om vergoeding van de schade van [betrokkene 2] en [betrokkene 1]. Meer specifiek gaat het hier om vergoeding van hun vermogensschade zoals bedoeld in artikel 6:96 lid 2 onder Pro b en c BW, de redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid en de redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte.
6.2.
De schade wordt begroot op de wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is (artikel 6:97 BW Pro) en voor deze schade geldt daarbij de zogenaamde dubbele redelijkheidstoets: dat wil zeggen dat voor toewijzing vereist is dat de verrichte werkzaamheden in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs noodzakelijk waren en dat de omvang van de gemaakte kosten redelijk is.
6.3.
Goudse voert verweer tegen de hoogte van het uurtarief, de kantoorkosten en het aantal gemaakte uren en betoogt dat de werkzaamheden niet noodzakelijk waren en de omvang van de kosten niet redelijk is.
6.4.
In hoger beroep voert [appellante] aan:
  • dat het gehanteerde uurtarief marktconform is en dat dat ook geldt voor “
  • dat Goudse de declaraties zonder protest behouden heeft;
  • dat het een feit van algemene bekendheid is dat er door de belangenbehartiger veel meer werkzaamheden worden verricht dan voor de verzekeraar zichtbaar is;
  • dat de door [appellante] bestede tijd in het dossier [betrokkene 1] minder dan gemiddeld was en in het dossier [betrokkene 2] iets meer dan gemiddeld,
  • dat er geen steekhoudende argumenten zijn waarom met de gedane betalingen wel zou zijn voldaan aan de dubbele redelijkheidstoets van art. 6:96 BW Pro.
  • dat [appellante] kan leven met een lager uurtarief van € 250,00 en 5% kantoorkosten en dat de discussie niet zou moeten gaan over het aantal in rekening gebrachte uren, ook gelet op de omstandigheid dat [appellante] niet langer betaling van haar volledige declaraties vordert;
  • dat de hoogte van de schade ook schattenderwijs mag worden begroot.
6.5.
Geen van deze argumenten kan leiden tot het slagen van het hoger beroep en de toewijzing van de vordering. Zelfs als alle argumenten juist, begrijpelijk en voldoende onderbouwd zouden zijn, en dat zijn ze niet, volgt uit de aangevoerde argumenten nog niet dat (voor de bedragen waarvan [appellante] betaling vordert, of een gedeelte daarvan) de verrichte werkzaamheden in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs noodzakelijk waren en dat de omvang van de gemaakte kosten redelijk is.
6.6.
Daarbij betrekt het hof dat door Goudse de aansprakelijkheid voor de schade van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] erkend is voordat [appellante] betrokken raakte bij het dossier, de hoogte van de uiteindelijke schade aan de zijde van [betrokkene 1] niet bekend is en aan de zijde van [betrokkene 2] beperkt is gebleven tot een bedrag van € 36.500,00, terwijl [appellante] ook al (als cessionaris van de vorderingen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] ter zake) schadevergoedingen – als vergoeding voor de kosten van de werkzaamheden van [appellante] – heeft ontvangen van respectievelijk € 3.773,74 en € 9.368,91.
6.7.
[appellante] heeft in eerste aanleg en hoger beroep voldoende gelegenheid gekregen om feiten en omstandigheden te stellen en te onderbouwen waaruit kan volgen dat de verrichte werkzaamheden in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs noodzakelijk waren en dat de omvang van de gemaakte kosten redelijk is. Daarvan heeft zij geen gebruik gemaakt. Op dit punt heeft [appellante] dus niet aan haar stelplicht voldaan. Het hof komt daarom ook niet aan nadere bewijslevering toe.
Conclusie en proceskosten
6.8.
De conclusie is dat het hoger beroep van [appellante] niet slaagt. Daarom zal het hof het vonnis bekrachtigen. Het hof zal [appellante] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep.
6.9.
De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van Goudse worden vastgesteld op:
- griffierecht
2.135,00
- salaris advocaat
858,00
(1 punt × appeltarief I)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals in de beslissing vermeld)
- totaal:
3.171,00
6.10.
Het hof zal ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals hierna vermeld.

7.Beslissing

Het hof:
  • bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 19 januari 2023;
  • veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van Goudse vastgesteld op € 3.171,00, te betalen binnen veertien dagen na de datum van dit arrest en, als [appellante] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, te vermeerderen met € 92,00 en de kosten van betekening;
- veroordeelt [appellante] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Pro Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na het verschuldigd worden daarvan zijn voldaan;
- verklaart de proceskosten veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
- wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. E. Loesberg, O.G.H. Milar en G.M. Menon en ondertekend en in het openbaar uitgesproken op 3 september 2024 door de rolraadsheer mr. J.E.H.M. Pinckaers in aanwezigheid van de griffier.