Belanghebbende is eigenaar van een hoekwoning die in 2021 diverse verbouwingen en verbeteringen heeft ondergaan, waaronder een nieuwe keuken, CV-installatie, tuinrenovatie en dakbedekking. De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde voor 2022 vast op €438.000, gebaseerd op een waarderapport en een matrix van vergelijkingsobjecten.
Belanghebbende betwistte deze waarde en stelde een lagere waarde van €390.000 voor, onderbouwd met taxatierapporten. De Rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en het Gerechtshof bevestigt deze uitspraak. Het Hof oordeelt dat de heffingsambtenaar terecht rekening heeft gehouden met de verbouwingen in 2021 door toepassing van de toestandsdatum 1 januari 2022 en dat de gebruikte vergelijkingsobjecten passend en voldoende gecorrigeerd zijn.
De taxatierapporten van belanghebbende ondersteunen de lagere waarde niet, mede omdat zij onvoldoende inzicht geven in de indexering en correcties voor verschillen met de woning. Ook is geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn en is het motiveringsbeginsel niet geschonden in een mate die tot schadevergoeding leidt.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. Er is geen aanleiding voor vergoeding van proceskosten.