De verdachte werd beschuldigd van poging tot doodslag op 1 juni 2023 in Den Haag. De rechtbank sprak haar vrij wegens ontoerekeningsvatbaarheid, maar de officier van justitie ging in hoger beroep en vorderde een gevangenisstraf.
Het hof oordeelde dat de verdachte ten tijde van het feit leed aan een cannabisgeïnduceerde psychose, waardoor zij volledig ontoerekeningsvatbaar was. De verdachte gebruikte jarenlang dagelijks cannabis, gedoseerd en zonder excessief gedrag, als zelfmedicatie voor ADHD-klachten. De psychiater adviseerde volledige ontoerekeningsvatbaarheid.
Hoewel de advocaat-generaal stelde dat de verdachte verwijtbaar had gehandeld door zichzelf in een psychose te brengen, oordeelde het hof dat het cannabisgebruik niet zodanig verwijtbaar was dat het beroep op ontoerekeningsvatbaarheid werd uitgesloten. De verdachte werd daarom ontslagen van alle rechtsvervolging.
De vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding werd niet-ontvankelijk verklaard omdat de verdachte niet strafbaar werd gehouden en de civiele weg openstaat. Het hof bepaalde dat beide partijen hun eigen kosten dragen.