In deze zaken gaat het om het hoger beroep van de moeder tegen beschikkingen waarbij de gecertificeerde instelling gedeeltelijk gezag kreeg over de medische toestemming voor haar minderjarige kind. De moeder betwistte de noodzaak van deze maatregel en voerde aan dat een minder ingrijpende regeling op grond van artikel 1:265h BW volstond.
De feiten betreffen een minderjarige die sinds juni 2023 onder toezicht staat en uit huis is geplaatst in een gezinshuis. De kinderrechter had de gecertificeerde instelling gemachtigd tot gedeeltelijke gezagsuitoefening met betrekking tot medische toestemming, vanwege de medische complexiteit en onbereikbaarheid van de moeder op cruciale momenten.
De moeder stelde dat de spoedeisendheid ontbrak en dat zij altijd bereid was toestemming te geven, terwijl de gecertificeerde instelling stelde dat de moeder regelmatig onbereikbaar was, waardoor spoedmaatregelen noodzakelijk waren. Het hof oordeelde dat de medische situatie van de minderjarige complex en kwetsbaar is, dat de onbereikbaarheid van de moeder een risico vormt en dat de maatregel proportioneel en noodzakelijk is.
Het hof verwierp de bezwaren van de moeder, stelde dat de gecertificeerde instelling ontvankelijk was in haar verzoek en dat de toepassing van artikel 1:265e BW passend was gezien het medisch traject. De bestreden beschikkingen werden bekrachtigd en uitvoerbaar bij voorraad verklaard.