ECLI:NL:GHDHA:2024:2093
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen WOZ-waarde woning: geen te hoge vaststelling
Belanghebbende is eigenaar van een eindwoning waarvan de WOZ-waarde voor het jaar 2021 door de heffingsambtenaar is vastgesteld op €803.000 na ambtshalve herziening. Belanghebbende maakte bezwaar tegen deze waarde, dat ongegrond werd verklaard, waarna zij beroep instelde bij de Rechtbank. De Rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en belanghebbende stelde hoger beroep in.
In hoger beroep stond centraal of de WOZ-waarde te hoog was vastgesteld. De heffingsambtenaar onderbouwde de waarde met een taxatierapport en een matrix met vergelijkingsobjecten. Het Hof oordeelde dat de heffingsambtenaar aan zijn bewijslast had voldaan, waarbij voldoende rekening was gehouden met verschillen in ligging, inhoud, kaveloppervlakte en kwaliteit van de woningen.
Belanghebbende voerde aan dat een van de vergelijkingsobjecten onvoldoende vergelijkbaar was en stelde een lagere waarde voor. Het Hof verwierp deze stellingen en vond dat de correcties voor ligging en andere factoren adequaat waren toegepast. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de WOZ-waarde van de woning bevestigd op €803.000.