Uitspraak
Gerechtshof Den Haag
naam: [achternaam verdachte],
[voornamen verdachte],
Gerechtshof Den Haag
In deze strafzaak stond de verdachte terecht voor het ten laste gelegde rijden onder invloed van alcohol, zoals bedoeld in artikel 8 van Pro de Wegenverkeerswet 1994. Het geschil draaide om de vraag of het laboratoriumonderzoek naar het bloed van de verdachte rechtsgeldig als bewijs kon dienen.
Het hof stelde vast dat het laboratoriumverslag naar een achterhaald adres was gestuurd, waardoor de verdachte niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn van een week schriftelijk op de hoogte werd gesteld van het resultaat en van het recht op tegenonderzoek, zoals vereist in artikel 17 van Pro het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer.
Deze kennisgeving vormt een strikte waarborg in het stelsel rond het alcoholonderzoek. Door de niet-naleving van deze waarborg kon het resultaat van het bloedonderzoek niet als bewijs worden gebruikt. Zonder dit bewijs was er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs om de verdachte te veroordelen.
Daarom vernietigde het hof het vonnis van de rechtbank en sprak de verdachte vrij. De advocaat-generaal deed afstand van het cassatieberoep, waarmee de uitspraak definitief werd.
Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens niet-naleving van de kennisgevingsplicht van het bloedonderzoek.