Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2024:2226

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
26 november 2024
Publicatiedatum
27 november 2024
Zaaknummer
200.346.686/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.4.4 procesreglement verzoekschriftprocedures handels- en insolventiezaken gerechtshoven
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot faillietverklaring wegens ontbreken pluraliteit schuldeisers

Het gerechtshof Den Haag heeft op 26 november 2024 het hoger beroep van appellant tegen de afwijzing van zijn verzoek tot faillietverklaring van geïntimeerde verworpen. De rechtbank had het verzoek op 1 oktober 2024 afgewezen wegens het ontbreken van een deugdelijk vorderingsrecht en onvoldoende bewijs dat geïntimeerde is opgehouden te betalen.

Appellant stelde twee vorderingen te hebben die door cessie van de ex-partner op hem zijn overgegaan: een regresvordering uit hoofde van een DSB Bank lening en een schadevordering wegens onrechtmatig pandrecht op een gemeenschappelijke sloep. Daarnaast stelde appellant dat geïntimeerde ook andere schuldeisers onbetaald zou laten.

Het hof oordeelde dat alleen het vorderingsrecht uit de regresvordering summierlijk was aangetoond, maar dat niet was gebleken dat geïntimeerde daadwerkelijk is opgehouden te betalen. De overige steunvorderingen waren onvoldoende onderbouwd en werden door geïntimeerde gemotiveerd betwist. Ook ontbrak bewijs van een pluraliteit van schuldeisers die onbetaald zouden zijn.

Het hof benadrukte dat een faillissementsverzoek niet mag worden gebruikt als incassomiddel en dat het ontbreken van een vastgestelde vordering en het niet aantonen van betalingsonmacht tot afwijzing leiden. De beschikking van de rechtbank werd daarom bekrachtigd.

Uitkomst: Het hof wijst het hoger beroep af en bekrachtigt de afwijzing van het faillissementsverzoek wegens ontbreken van betalingsonmacht en pluraliteit van schuldeisers.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.346.686/01
Rekestnummer rechtbank : C/09/668916 / FT RK 24/585
Beschikking van 26 november 2024
in de zaak van
[appellant],
wonend in [woonplaats],
appellant,
advocaat: mr. E.Tj. van Dalen te Groningen,
tegen
[geïntimeerde],
wonend in [woonplaats],
geïntimeerde,
advocaat: mr. W.J.J. Trooster te Vlaardingen.
Het hof zal partijen hierna noemen [appellant] en [geïntimeerde].

1.Procesverloop

1.1
Bij beschikking van de rechtbank Den Haag van 1 oktober 2024 is het verzoek van [appellant] om [geïntimeerde] in staat van faillissement te verklaren afgewezen. Bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 8 oktober 2024, met daarbij als producties voornoemde beschikking en het inleidende verzoekschrift met bijlagen 1 tot en met 8, is [appellant] van deze beschikking in hoger beroep gekomen. Hij heeft het hof verzocht deze beschikking te vernietigen en alsnog het faillissement van [geïntimeerde] uit te spreken. Het hof heeft verder kennisgenomen van het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg en de aanvullende producties 1 tot en met 8, toegestuurd door [appellant] bij brieven van respectievelijk 12 en 15 november 2024.
1.2
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 19 november 2024, waarbij [appellant] en [geïntimeerde] zijn verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

2.Beoordeling van het hoger beroep

2.1
In de bestreden beschikking heeft de rechtbank overwogen dat niet (summierlijk) is gebleken van het vorderingsrecht van [appellant] en dat reeds om die reden het verzoek van [appellant] wordt afgewezen.
2.2
De grieven van [appellant] kunnen als volgt worden samengevat.
2.2.1
[appellant] heeft twee vorderingen op [geïntimeerde]. Het betreft vorderingen die door de ex-partner van [geïntimeerde], [ex-partner] (hierna: [ex-partner]) bij akte van cessie van 22 september 2023 aan hem zijn gecedeerd.
De eerste vordering ziet op (een deel van) een geldvordering van de DSB Bank op de voormalig echtelieden [geïntimeerde] en [ex-partner] die op grond van het echtscheidingsconvenant van 23 oktober 2020 door [geïntimeerde] zou worden voldaan en waarvoor hij [ex-partner] dient te vrijwaren. [geïntimeerde] is zijn verplichtingen jegens [ex-partner] niet nagekomen met als gevolg dat DSB Bank na gelegde beslagen betalingen bij [ex-partner] heeft geïnd, aldus [appellant]. Uitgangspunt is daarom dat [ex-partner] een regresvordering heeft op [geïntimeerde], die door de cessie is overgegaan op [appellant].
2.2.2
De tweede vordering betreft de schade die [ex-partner] lijdt doordat zij (evenals de overige eigenaren) niet meer vrij kan beschikken over een sloep die gemeenschappelijk eigendom is, of in ieder geval was van [geïntimeerde], [ex-partner] en twee anderen. [geïntimeerde] heeft zonder medeweten van de mede-eigenaren vuistpand op de sloep gevestigd in verband met een aan hem door een derde, ene [betrokkene] verstrekte lening. [geïntimeerde] heeft onrechtmatig gehandeld waardoor [ex-partner] schade heeft geleden en uit dien hoofde een vordering heeft op [geïntimeerde]. Ook die vordering is aan [appellant] gecedeerd, aldus [appellant].
2.2.3
Verder laat [geïntimeerde] volgens [appellant] ook vorderingen van andere schuldeisers onbetaald. In eerste aanleg heeft [appellant] genoemd: voormelde [betrokkene], de DSB Bank, de Belastingdienst, ICS (Visa Card), de Goudse Watersportvereniging Elfhoeven en zes natuurlijke personen. Ter zitting in hoger beroep heeft hij daaraan een vordering van Budget Thuis (NEM) van 19 november 2024 toegevoegd.
2.3
[geïntimeerde] betwist dat hij verkeert in de toestand van te hebben opgehouden te betalen. Hij bestrijdt het vorderingsrecht van [appellant] alsmede de aangedragen steunvorderingen. De steunvorderingen zijn ondeugdelijk of betreffen lopende verplichtingen die door hem worden nagekomen.
2.4
Het hof stelt bij de beoordeling het volgende voorop. Indien een verzoek tot faillietverklaring door een schuldeiser wordt ingediend, kan het faillissement slechts worden uitgesproken indien summierlijk blijkt van (1) de deugdelijkheid van het vorderingsrecht van de aanvrager, van (2) het bestaan van één of meer andere schulden naast de vordering van de aanvrager (pluraliteit) en van (3) feiten en omstandigheden die de conclusie rechtvaardigen dat de schuldenaar zijn schuldeisers niet langer betaalt, ofwel dat hij verkeert in de toestand dat hij is opgehouden te betalen. Of aan deze voorwaarden is voldaan, dient door de rechter steeds te worden beoordeeld aan de hand van de gegevens die gelden ten tijde van het geven van zijn beslissing (ex nunc).
2.5
Op grond van de aan het hof overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is het hof van oordeel dat. niet summierlijk is gebleken dat [geïntimeerde] verkeert in de toestand dat hij heeft opgehouden te betalen.
2.6
Daartoe wordt overwogen dat summierlijk is gebleken van het vorderingsrecht van [appellant] uit hoofde van de regresvordering van [ex-partner] op [geïntimeerde] in verband met de DSB-lening. [appellant] heeft in hoger beroep met stukken onderbouwd dat er vanaf 2021 middels loonbeslag door [ex-partner] op de DSB-vordering is afgelost. Daar heeft [geïntimeerde] onvoldoende tegenover gesteld. De hieruit voortvloeiende vordering is bij akte van cessie overgedragen aan [appellant]. Bij deze stand van zaken kan in het midden blijven wat de exacte hoogte van de regresvordering in verband met de DSB-lening is (partijen verschillen daarover van mening) en of er ook een vorderingsrecht op [geïntimeerde] bestaat vanwege het in vuistpand geven van de sloep.
2.7
Dat [geïntimeerde] naast [appellant] ook andere schuldeisers onbetaald laat, is echter niet summierlijk gebleken. Door [appellant] zijn diverse steunvorderingen aangedragen, maar die zijn niet (tijdig) nader door hem onderbouwd, terwijl die vorderingen door [geïntimeerde] gemotiveerd zijn betwist. Daartoe heeft [geïntimeerde] gesteld dat het, voor zover er nog openstaande vorderingen zijn, om lopende verplichtingen gaat die door hem worden nagekomen, al dan niet met een betalingsregeling zoals de vordering van [betrokkene]. [geïntimeerde] betwist de vordering van Budget Thuis (NEM). Hij stelt verder ter zitting voor het eerst te hebben vernomen dat Budget Thuis (NEM) een vordering op hem zou hebben zodat hij daar verder niet inhoudelijk op kan reageren.
Het hof oordeelt als volgt. Bij gebreke van enige onderbouwing van de steunvorderingen is niet gebleken dat [geïntimeerde] naast de voormelde vordering van [appellant] ook schulden heeft bij derden die hij onbetaald laat. Dat geldt ook voor de gestelde vordering van Budget Thuis. Weliswaar heeft [appellant] ter zitting gesteld een bewijsstuk bij zich te hebben betreffende deze ter zitting voor het eerst genoemde steunvordering maar hij heeft dat stuk niet overgelegd. Het hof is niet ingegaan op zijn aanbod om dat stuk alsnog over te leggen omdat dat in strijd is met de beginselen van een goede procesorde. Het hof verwijst in dit verband naar artikel 3.4.4 van het procesreglement verzoekschriftprocedures handels- en insolventiezaken gerechtshoven.
2.8
Ten overvloede merkt het hof nog het volgende op. Dit betreft het tweede vergeefse verzoek van [appellant] om [geïntimeerde] in staat van faillissement te verklaren. Alhoewel summierlijk is komen vast te staan dat [appellant] enige vordering op [geïntimeerde] heeft, geldt dat niet voor de hoogte ervan. Tot op heden heeft [appellant], voor zover het hof bekend, geen poging ondernomen om de hoogte van zijn vordering op [geïntimeerde] in rechte te laten vaststellen. Een faillissementsaanvraag is niet bedoeld als verkapte incassoprocedure. Als een schuldenaar een vordering onbetaald laat maar overigens zijn schuldeisers binnen de normale betalingstermijn betaalt, verkeert hij niet in een toestand waarin hij is opgehouden te betalen.
2.9
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd.

3.Beslissing

Het hof bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Den Haag van 1 oktober 2024.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.T. Nijhuis, R.G.C. Veneman en R.M. Hermans, en in het openbaar uitgesproken op 26 november 2024 in aanwezigheid van de griffier.