ECLI:NL:GHDHA:2024:2361
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging WOZ-waarde woning en niet-schending toezendverplichting Wet WOZ
Belanghebbende is eigenaar van een rijwoning waarvan de WOZ-waarde voor 2022 door de heffingsambtenaar is vastgesteld op €298.000. Tegen deze beschikking en de aanslag onroerendezaakbelasting is bezwaar en beroep ingesteld, die beide ongegrond werden verklaard door de Rechtbank Den Haag.
Belanghebbende stelde in hoger beroep dat de waarde te hoog is vastgesteld en dat de heffingsambtenaar niet aan zijn toezendverplichting uit artikel 40, lid 2, Wet WOZ heeft voldaan door onvoldoende inzicht te geven in de gebruikte waarderingsfactoren en grondstaffels. Het hof oordeelt dat het hoger beroep ontvankelijk is, maar dat de gronden onvoldoende concreet zijn onderbouwd.
Het hof bevestigt het oordeel van de rechtbank dat de waarde is vastgesteld op basis van een systematische vergelijking met vergelijkingsobjecten, waarbij voldoende rekening is gehouden met verschillen in onderhoud, ligging en voorzieningen. De heffingsambtenaar heeft de gevraagde gegevens verstrekt en de aanvullende informatie die belanghebbende wenst, valt niet onder de reikwijdte van artikel 40, lid 2, Wet WOZ.
Het hof wijst ook op de onevenredige belasting die het zou leggen op de organisatie van de heffingsambtenaar indien aan gestandaardiseerde uitgebreide informatieverzoeken zou moeten worden voldaan. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.