Belanghebbende, eigenaar van een onroerende zaak, maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde en aanslag onroerendezaakbelasting. De Heffingsambtenaar verklaarde het bezwaar ongegrond. Belanghebbende stelde beroep in bij de rechtbank, die het beroep gegrond verklaarde, maar het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn afwees vanwege een voorafgaande cessie aan de gemachtigde.
Belanghebbende stelde hoger beroep in tegen deze afwijzing. Het hof oordeelde dat de cessie aan de gemachtigde niet in de weg staat aan vergoeding van immateriële schade, omdat de spanning en frustratie door de lange duur van de procedure niet worden weggenomen door de overdracht. De overschrijding van de redelijke termijn bedroeg circa een maand, waarvoor een vergoeding van € 500 passend is.
Daarnaast werd de proceskostenvergoeding in hoger beroep vastgesteld op € 218,75 en het griffierecht van € 138 werd aan belanghebbende vergoed. Het hof stelde dat de belastingrechter niet bevoegd is te beslissen over de wijze van uitbetaling van de proceskostenvergoeding, en dat een geschil hierover aan de burgerlijke rechter moet worden voorgelegd.
De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd voor zover deze het verzoek om immateriële schadevergoeding betrof, en de Heffingsambtenaar werd veroordeeld tot betaling van de schadevergoeding en proceskosten. Het hoger beroep werd daarmee gegrond verklaard.