ECLI:NL:HR:2017:965

Hoge Raad

Datum uitspraak
2 juni 2017
Publicatiedatum
29 mei 2017
Zaaknummer
16/03967
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:73 AwbArt. 81 lid 1 Wet RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning vergoeding immateriële schade ondanks no cure no pay bij overschrijding redelijke termijn

In deze zaak stond centraal de vraag of een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn kan worden toegekend wanneer de belanghebbende bijstand krijgt op basis van een no cure no pay-overeenkomst. Het College van burgemeester en wethouders van Rotterdam had tegen een uitspraak van het gerechtshof beroep in cassatie ingesteld.

De feiten betreffen een bezwaar en beroep van belanghebbende tegen een beschikking en aanslag onroerendezaakbelasting. De bezwaren werden ongegrond verklaard, waarna belanghebbende beroep instelde bij de rechtbank en vervolgens hoger beroep bij het hof. Het hof oordeelde dat de redelijke termijn was overschreden en kende op die grond een vergoeding voor immateriële schade toe.

De Hoge Raad bevestigde dat het hof terecht aannam dat het ontstaan van spanning en frustratie door het tijdsverloop wordt verondersteld en dat de vergoeding niet wordt belemmerd door de no cure no pay-constructie. Ook het feit dat de vergoeding aan de rechtsbijstandverlener zou worden uitgekeerd, stond hier niet aan in de weg. Het beroep in cassatie werd ongegrond verklaard.

De Hoge Raad legde geen proceskostenveroordeling op en bevestigde daarmee het belang van een redelijke termijn en de mogelijkheid tot vergoeding van immateriële schade ongeacht de wijze van rechtsbijstand.

Uitkomst: Het beroep in cassatie werd ongegrond verklaard en de vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn werd bevestigd ondanks no cure no pay.

Uitspraak

Hoge Raad der Nederlanden
Derde Kamer
Nr. 16/03967
2 juni 2017
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam(hierna: het College) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Den Haagvan 20 juli 2016, nr. BK-15/01084, op het hoger beroep van de heffingsambtenaar van de gemeente Rotterdam (hierna: de heffingsambtenaar) tegen een uitspraak van de Rechtbank Rotterdam (nr. ROT 14/1175) betreffende de ten aanzien van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken en de aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente [Q] voor het jaar 2013 betreffende de onroerende zaak [a-straat] te [Q]. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1.Geding in cassatie

Het College heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Minister van Veiligheid en Justitie heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal R.L.H. IJzerman heeft op 9 februari 2017 geconcludeerd tot het ongegrond verklaren van het beroep in cassatie (ECLI:NL:PHR:2017:81).
Het College heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van het middel

2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de hiervoor genoemde beschikking en aanslag is op 27 februari 2013 door de heffingsambtenaar ontvangen. Op 27 december 2013 heeft de heffingsambtenaar de bezwaren van belanghebbende ongegrond verklaard. Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld.
2.1.2.
De Rechtbank heeft op 6 februari 2014 het beroepschrift ontvangen. De Rechtbank heeft uitspraak gedaan op 21 oktober 2015.
2.2.1.
Het Hof heeft geoordeeld dat de redelijke termijn in bezwaar en beroep is overschreden en op grond daarvan een vergoeding van immateriële schade toegekend.
2.2.2.
Aan de toekenning van vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade doet volgens het Hof niet af dat namens belanghebbende een gemachtigde optreedt op basis van ‘no cure no pay’.
2.3.1.
Tegen de hiervoor in 2.2.1 en 2.2.2 weergegeven oordelen richt zich het middel.
2.3.2.
Voor zover het middel erover klaagt dat het Hof heeft nagelaten vast te stellen dat belanghebbende immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie, miskent het dat voor de toekenning van een schadevergoeding wegens het overschrijden van de redelijke termijn, het ontstaan van spanning en frustratie door dat tijdsverloop – behoudens bijzondere omstandigheden – wordt verondersteld (vgl. HR 19 februari 2016, nr. 14/03907, ECLI:NL:HR:2016:252, BNB 2016/140).
2.3.3.
Voor zover het middel klaagt over ’s Hofs in 2.2.2 weergegeven oordeel, faalt het eveneens. Aan toekenning van een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn staat niet in de weg dat aan de belanghebbende bijstand is verleend op basis van ‘no cure no pay’ (vgl. HR 7 oktober 2011, nr. 10/05199, ECLI:NL:HR:2011:BT6841, BNB 2011/281). Evenmin staat daaraan in de weg dat de belanghebbende ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn aan de rechtsbijstandverlener wordt uitbetaald (vgl. HR 16 november 2012, nr. 11/02517, ECLI:NL:HR:2012:BY2770, BNB 2013/41).
2.3.4.
De overige in het middel vervatte klachten kunnen ook niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra, Th. Groeneveld, J. Wortel en A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2017.
Van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam wordt een griffierecht geheven van € 503.