ECLI:NL:GHDHA:2024:2367
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen afwijzing vergoeding immateriële schade wegens overschrijding redelijke termijn Wet WOZ
Belanghebbende, eigenaar van een benedenwoning, maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde en aanslag onroerendezaakbelasting 2022. De heffingsambtenaar verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank wees het beroep af en kende geen vergoeding toe voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Belanghebbende ging in hoger beroep en stelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de overdracht van een eventuele immateriële schadevergoeding aan de gemachtigde het recht op vergoeding uitsloot. Het hof oordeelde dat het niet relevant is dat de vergoeding aan de gemachtigde wordt betaald, omdat de spanning en frustratie bij belanghebbende blijven bestaan.
De redelijke termijn was met circa twee maanden overschreden, wat een vergoeding van €500 rechtvaardigt. Daarnaast veroordeelde het hof de heffingsambtenaar tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Het hof wees het verzoek af om de proceskostenvergoeding rechtstreeks aan de gemachtigde uit te betalen, omdat de belastingrechter hierover niet bevoegd is te beslissen.
Uitkomst: Het Gerechtshof kent een vergoeding van €500 toe voor immateriële schade wegens overschrijding redelijke termijn en veroordeelt tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.