ECLI:NL:GHDHA:2024:250

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
19 februari 2024
Publicatiedatum
20 februari 2024
Zaaknummer
AV0001329-23
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 512 SvArt. 12 Wetboek van Strafvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid wrakingsverzoek tegen wrakingskamer in artikel 12 Sv-procedure

Verzoeker diende meerdere klaagschriften in op grond van artikel 12 Wetboek Pro van Strafvordering en stelde wrakingsverzoeken in tegen verschillende wrakingskamers die deze klachten behandelden. Na afwijzing van eerdere wrakingsverzoeken richtte verzoeker zich op wraking van wrakingskamer I en later wrakingskamer II en III.

Het hof oordeelde dat op grond van vaste jurisprudentie een wrakingsverzoek niet ontvankelijk is als het wordt ingediend nadat in de betreffende wrakingszaak al een beslissing is genomen. Dit omdat het doel van het wrakingsverzoek, namelijk het uitschakelen van de betrokken rechter(s), dan niet meer kan worden bereikt.

Hoewel verzoeker in de gelegenheid werd gesteld zich mondeling uit te laten over de ontvankelijkheid, werd het wrakingsverzoek van 25 november 2023 niet-ontvankelijk verklaard. Tevens werd bepaald dat toekomstige wrakingsverzoeken van verzoeker in deze zaak niet in behandeling worden genomen.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek van verzoeker is niet-ontvankelijk verklaard omdat het werd ingediend nadat de wrakingszaak was afgesloten.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Zaaknummer wrakingskamer II : AV0001329-23
Parketnummer beklagzaak : K22/220155 (FJR), K22/220206, K22/220564
A [A], B [B] en C [C].
Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakings- en verschoningsverzoeken (wrakingskamer II)
inzake het schriftelijk verzoek d.d. 25 november 2023 tot wraking van de wrakingskamer, als bedoeld in artikel 512 van Pro het Wetboek van Strafvordering, ingediend door:

[verzoeker],

wonende te [plaats],
hierna te noemen: verzoeker,
gericht tegen:

mrs. A. van Dongen, J.W. Frieling en O.E.M. Leinarts,raadsheren in de wrakingskamer als bedoeld in artikel 512 e.v. van het Wetboek van Strafvordering (hierna: wrakingskamer I)

Het geding

1. Verzoeker heeft met klaagster [klaagster] en klager [klager] op
18 maart 2022 (K22/220155), 11 april 2022 (K22/220206) en 8 november 2022
(K22/220564) op grond van artikel 12 Wetboek Pro van Strafvordering (hierna: Sv) telkens een klaagschrift met bijlagen bij dit gerechtshof ingediend.
2. Op 18 oktober 2023 heeft de beklagkamer van het gerechtshof, bestaande uit mrs. Th. P.L. Bot, T.E. van der Spoel en P.J. van der Flier (hierna: de beklagkamer), de klaagschriften behandeld in raadkamer. Ter zitting is de verzoeker overgegaan tot wraking van deze raadsheren. Op 18 oktober 2023 heeft de verzoeker zijn wrakingsverzoek schriftelijk nader onderbouwd. De raadsheren hebben niet in de wraking berust, waarna wrakingskamer I de behandeling van het wrakingsverzoek op zich heeft genomen.
3. Op 24 november 2023 heeft
wrakingskamer I, bestaande uit mrs. A. van Dongen, J.W. Frieling en O.E.M. Leinarts, het wrakingsverzoek van 18 oktober 2023 zonder behandeling ter zitting afgewezen.
4. Op 25 november 2023 heeft de verzoeker een schriftelijk verzoek tot wraking van wrakingskamer I ingediend, welk verzoek hij op 19 december 2023 schriftelijk heeft aangevuld. De raadsheren van wrakingskamer I hebben niet in de wraking berust, waarna wrakingskamer II de behandeling van dit wrakingsverzoek op zich heeft genomen.
5. Op 20 december 2023 heeft een mondelinge behandeling door
wrakingskamer II, bestaande uit mrs. Schaffels, Wiersinga en Verduyn, plaatsgevonden. Verzoeker heeft op deze zitting de raadsheren van wrakingskamer II aanstonds gewraakt. Verzoeker heeft het wrakingsverzoek op dezelfde dag schriftelijk toegelicht en aangevuld. Op 8 januari 2024 heeft de verzoeker het wrakingsverzoek van 20 december 2023 verder toegelicht. Verzoeker heeft toen ook een voorwaardelijk wrakingsverzoek ingediend tegen de nieuwe wrakingskamer. De raadsheren van wrakingskamer II hebben niet in de wraking berust, waarna wrakingskamer III de behandeling van dit wrakingsverzoek op zich heeft genomen.
6. Op 22 januari 2024 heeft
wrakingskamer III, bestaande uit mrs. E.C. van Veen, E.M. Dousma-Valk en M.A.F. Tan-de Sonnaville, het wrakingsverzoek van 20 december 2023 zonder behandeling ter zitting afgewezen en de zaak terugverwezen naar wrakingskamer II.
Het wrakingsverzoek van 25 november 2023
7. Het wrakingsverzoek houdt – zakelijk weergegeven – in dat de wrakingskamer I met de motivering van zijn beslissing van 24 november 2023 op, de schijn van partijdigheid heeft gewekt. De verzoeker heeft de volgende gronden voor wraking aangevoerd:
“Deze raadsheren (Haagse rechters) maken zich in de beslissing schuldig aan het verzwijgen van (a) de essentiële conclusies van de Landelijke Expertisegroep Bijzondere Zedenzaken (LEBZ) en (b) de pedonetcomplottheorie onder justitieambtenaren met hun werkkamer in het Haagse Paleis en (c) de samenhang tussen de complottheorie over de pedofiele topambtenaar en de pedofiele ouder. Door dit verzwijgen hebben zij niet slechts de schijn van vooringenomenheid gewekt, maar daadwerkelijk partijdig gehandeld door het fabriceren van een ‘confirmation bias’.“
Voorts heeft de verzoeker aangevoerd dat de raadsheren zich schuldig hebben gemaakt aan het verdraaien en verzwijgen van de gronden voor wraking.

Ontvankelijkheid

8. Op grond van artikel 512 Sv Pro kan op verzoek van de verdachte elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden. Blijkens vaste jurisprudentie geldt deze bevoegdheid ook voor een klager in een artikel 12 Sv Pro-procedure.
9. De wet voorziet echter niet in een mogelijkheid om, wanneer de behandeling van de (wrakings)zaak is geëindigd door het nemen van een beslissing, wraking te
verzoeken van de rechters die deze beslissing hebben genomen (HR 18-12-1998, ECLI:NL:HR:1998:AD297). Een wrakingsverzoek dat is ingediend nadat in de desbetreffende zaak, hier: wrakingszaak I, uitspraak is gedaan behoeft daarom geen inhoudelijke behandeling. Het doel van een wrakingsverzoek, uitschakeling van de betrokken rechter(s), kan niet immers meer worden bereikt als de beslissing al is genomen.
10. Verzoeker heeft zijn verzoek tot wraking ingediend nadat uitspraak is gedaan in wrakingszaak I (zie onder 3 en 4). Verzoeker zat derhalve in zijn wrakingsverzoek niet-ontvankelijk worden verklaard.
Omdat in deze zaak al een mondelinge behandeling was bepaald voordat - kort voor de zitting - werd geconstateerd dat verzoeker niet-ontvankelijk was in het wrakingsverzoek, heeft het hof verzoeker niettemin in de gelegenheid willen stellen ter zitting het woord te voeren en zich uit te laten over de ontvankelijkheid van zijn wrakingsverzoek.

Beslissing

Het hof:
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn wrakingsverzoek van 25 november 2023;
  • bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek van verzoeker in deze zaak niet in behandeling wordt genomen;
  • bepaalt dat een afschrift van deze beslissing wordt toegezonden aan verzoeker, de raadsheren mrs. A. van Dongen, J.W. Frieling en O.E.M. Leinarts (van wrakingskamer I), de raadsheren van de beklagkamer en de advocaat-generaal.
Deze beslissing is gegeven op 19 februari 2024 door mrs. K. Schaffels, H.C. Wiersinga en C.J. Verduyn, in aanwezigheid van de griffier mr. A.M. Grasman.
Deze beslissing is door de voorzitter en de griffier ondertekend.