ECLI:NL:GHDHA:2024:292
Gerechtshof Den Haag
- Rekestprocedure
- Rechtspraak.nl
Bekrachtiging teruggeleiding kinderen naar Polen in internationale kinderontvoeringszaak
Deze zaak betreft de teruggeleiding van twee minderjarige kinderen van Nederland naar Polen, waarbij de vader in hoger beroep verzet aantekent tegen de terugkeer die door de rechtbank was gelast. De kinderen verbleven tijdelijk bij de vader in Nederland, waarna hij weigerde ze terug te brengen naar de moeder in Polen. De vader voert aan dat er sprake is van mishandeling door de moeder en haar familie, en dat de kinderen zich verzetten tegen terugkeer.
Het hof heeft de feiten en het proces zorgvuldig gewogen, inclusief gesprekken met de kinderen, verklaringen van de bijzondere curator en de raad voor de kinderbescherming, en de ingebrachte stukken. De vader kon onvoldoende concreet en onderbouwd aantonen dat terugkeer een ernstig risico op lichamelijk of geestelijk gevaar voor de kinderen oplevert, zoals vereist onder artikel 13 lid 1 sub b van Pro het Haags Kinderontvoeringsverdrag.
Ook het beroep op het verzet van de kinderen (artikel 13 lid Pro 2) faalt omdat de kinderen, gelet op hun leeftijd en rijpheid, niet zelfstandig een besluit kunnen nemen over hun verblijfplaats. Het hof bekrachtigt daarom de beschikking van de rechtbank en beveelt de terugkeer van de kinderen naar Polen uiterlijk 13 februari 2024. De vader moet de kinderen terugbrengen of, bij nalaten, de kinderen met geldige reisdocumenten aan de moeder afgeven. De kosten van de procedure worden door partijen zelf gedragen.
Uitkomst: Het hof wijst het hoger beroep van de vader af en bekrachtigt de teruggeleidingsbeschikking van de rechtbank.