Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
1.[appellant 1],
[appellant 2],
1.[verweerder 1],
[verweerder 2],
Gerechtshof Den Haag
In deze civiele zaak tussen appellant en verweerder heeft het hof op 9 januari 2024 een tussentijds cassatieberoep opengesteld. Dit volgde op verzoeken van beide partijen, die na aanvankelijk verzet van appellant alsnog unaniem instemden met het openstellen van het cassatieberoep. Het hof benadrukte dat het verbod op tussentijds cassatieberoep in de wet is opgenomen om vertraging in de zaak te voorkomen, maar dat partijen de vertraging niet als bezwaar zagen.
De zaak betreft een hoger beroep in een civiel geschil, waarbij het tussentijds cassatieberoep betrekking heeft op een arrest van het hof van 18 april 2023. Het hof besloot het verzoek te honoreren en compenseerde tevens de kosten van het verzoek. De uitspraak werd gedaan in een openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.
De procedure kenmerkt zich door de gezamenlijke wens van partijen om een cassatieprocedure te starten ondanks de wettelijke beperkingen, waarbij het hof het verzoek heeft gehonoreerd op basis van de instemming en het ontbreken van bezwaar tegen mogelijke vertraging.
Uitkomst: Het hof stelde het tussentijds cassatieberoep open en compenseerde de kosten van het verzoek.