Belanghebbende is eigenaar van een bovenwoning uit 1952, waarvan de WOZ-waarde voor 2021 door de heffingsambtenaar is vastgesteld op €577.000. Na bezwaar en beroep bij de rechtbank, die de waarde bevestigde, stelde belanghebbende hoger beroep in bij het Gerechtshof Den Haag.
Het geschil betreft of de WOZ-waarde te hoog is vastgesteld en of de heffingsambtenaar zijn toezendverplichting heeft geschonden door niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken, zoals de grondstaffel en waardematrix, toe te zenden. Het Hof oordeelt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld, gelet op een systematische vergelijking met voldoende vergelijkbare woningen en een onderbouwde waardering.
Wel concludeert het Hof dat de heffingsambtenaar in strijd met artikel 40, lid 2, Wet WOZ heeft gehandeld door bepaalde gegevens niet toe te zenden in de bezwaarfase, aangezien enkel ter inzage leggen onvoldoende is. Daarom wordt het hoger beroep deels gegrond verklaard en wordt de heffingsambtenaar veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten. Voor het overige wordt het beroep ongegrond verklaard.