Uitspraak
[X] , wonende te [Z] , verzoekster
Het geding
23. In de eerste plaats steunt verzoekster het verzoek tot wraking van de drie raadsheren
op de grond dat de bedoelde raadsheren de door haar geformuleerde vraag — of het hof zal handelen en oordelen in overeenstemming met internationale verdragen zoals het EVRM — ter zitting weigerden te beantwoorden. Deze weigering heeft volgens verzoekster tot gevolg dat haar het recht op een eerlijk proces conform artikel 6 EVRM Pro wordt ontzegd.
24. Blijkens het uittreksel van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van de
hoofdzaak is door de voorzitter ter zitting aan verzoekster bevestigd dat het de taak van de rechter is om het recht toe te passen (…). Dat het door verzoekster gewenste antwoord op de door haar opgestelde vraag naar haar mening uitbleef, biedt geen grond om te oordelen dat de belastingkamer van het hof blijk heeft gegeven van vooringenomenheid jegens verzoekster of dat de vrees daartoe objectief gerechtvaardigd is.
25. Voor de andere door verzoekster naar voren gebrachte wrakingsgrond geldt dat de
Het wrakingsverzoek
Beoordeling van het verzoek tot wraking
Beslissing
- wijst het verzoek tot wraking af,
- bepaalt dat een volgend verzoek tot wraking van verzoekster in de zaak met nummer BK-22/1246 niet in behandeling zal worden genomen, en
- bepaalt dat een afschrift van deze beslissing wordt toegezonden aan verzoekster, aan de raadsheren Reijngoud en De Hek en aan de andere partij in de hoofdzaak.