Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Uitspraak van 29 mei 2024
[X] te [Z] , belanghebbende,
de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,
Procesverloop
Vaststaande feiten
€ 1.842 -
Gerechtshof Den Haag
Belanghebbende bezit participaties in teakplantages via een beleggingsfonds CATF, dat in 2017 een negatief rendement liet zien. De Inspecteur had de waarde van deze participaties in box 3 belast tegen een forfaitair rendement, wat leidde tot een hogere belastingaanslag dan het werkelijk behaalde rendement.
De Rechtbank stelde het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen voor 2017 op nihil vast, omdat belanghebbende geen uitkeringen ontving en het rendement van de deelnemingsrechten CATF negatief was. De Wet rechtsherstel box 3 bood volgens de Rechtbank geen toereikende compensatie in lijn met het kerstarrest van de Hoge Raad.
In hoger beroep betwistte de Inspecteur deze nihilwaardering, maar het Gerechtshof bevestigde de uitspraak van de Rechtbank. Het hof oordeelde dat de forfaitaire rendementsheffing in strijd is met artikel 1 EP Pro EVRM en dat het werkelijk behaalde rendement als uitgangspunt moet gelden. Het hoger beroep van de Inspecteur werd ongegrond verklaard, en de uitspraak van de Rechtbank bleef in stand.
Uitkomst: Het hoger beroep van de Inspecteur wordt ongegrond verklaard en de nihilwaardering van het box 3-vermogen over 2017 wordt bevestigd.