In hoger beroep heeft appellant verzocht om vaststelling van het vaderschap van de overleden man en vernietiging van een Marokkaanse verstotingsakte die in de Nederlandse registers is opgenomen. Het hof bevestigt het oordeel van de rechtbank dat appellant niet heeft aangetoond dat er sprake is van een rechtsgeldig huwelijk tussen de moeder en de man, mede door het ontbreken van een huwelijksakte en onvoldoende bewijs van het bestaan van het huwelijk volgens Marokkaans recht.
Het hof oordeelt dat op het verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap Marokkaans recht van toepassing is, omdat de vrouw en de man Marokkaanse nationaliteit hadden en het verzoek uitsluitend door de vader kan worden gedaan. Aangezien de man is overleden, is een gerechtelijke vaststelling van het vaderschap niet mogelijk. Het hof wijst het verzoek van appellant af en bekrachtigt de bestreden beschikking.
Daarnaast overweegt het hof dat het belang van appellant bij vaststelling van het vaderschap gelegen is in het verkrijgen van het Nederlanderschap, maar dat dit niet mogelijk is op grond van de Rijkswet op het Nederlanderschap. De verzoeken tot vernietiging van de verstotingsakte en wijziging van de persoonsgegevens in de BRP worden eveneens afgewezen. De beschikking is in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2024.