Belanghebbende, een vennootschap onder firma, betaalde bpm over een Ford Mustang Fastback 5.0 GT, waarbij de waarde werd vastgesteld op basis van een taxatierapport met een aanzienlijke waardevermindering wegens schade. De Inspecteur stelde een naheffingsaanslag vast op basis van een eigen waardebepaling door de dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ), die een lagere schadeaftrek hanteerde.
Belanghebbende maakte bezwaar en stelde dat de schade aan de versnellingsbak onvoldoende was meegenomen, en dat een hogere waardevermindering moest worden toegepast. De rechtbank wees het beroep af omdat belanghebbende onvoldoende bewijs leverde dat de schade hoger was dan vastgesteld. In hoger beroep trok belanghebbende het standpunt over het schadeverleden in, maar bleef de hoogte van de waardering betwisten.
Het hof oordeelde dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de waardevermindering hoger moet zijn dan door DRZ vastgesteld. Foto's en e-mailcorrespondentie over de staat van de auto na de aangifte waren onvoldoende relevant voor de situatie ten tijde van het belastbare feit. De naheffingsaanslag is vermoedelijk eerder aan de lage kant dan te hoog. Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.