Belanghebbende heeft een naheffingsaanslag bpm ontvangen na registratie van een gebruikte BMW X6 M50i. De naheffingsaanslag is gebaseerd op een rapport van de Dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ), die geen schade aan de auto heeft vastgesteld. Belanghebbende stelde dat het taxatierapport schade aantoonde en dat branchebeleid schade onderscheidt van normale gebruikssporen, maar slaagde er niet in dit aannemelijk te maken.
De Rechtbank oordeelde dat de bewijslast voor schade bij belanghebbende ligt en dat hij niet voldeed aan deze eis. Het Gerechtshof bevestigt dit oordeel en voegt toe dat het enkel opsommen van gebreken in een taxatierapport niet voldoende is tegenover een gemotiveerde betwisting. Tevens is geen bewijs geleverd dat de Belastingdienst beleid voert omtrent innameprotocollen.
Daarnaast verwierp het Hof de door belanghebbende voorgestelde herleidingsmethode van de bpm, omdat deze in strijd is met het wettelijke systeem van de Wet BPM en jurisprudentie van de Hoge Raad. De herrekende bruto bpm in het kentekenregister dient andere doeleinden en kan niet worden gebruikt om de verschuldigde bpm te bepalen. Belanghebbende kon ook niet aantonen dat de referentieauto’s voldoende vergelijkbaar waren.
Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. Er is geen proceskostenveroordeling opgelegd.