ECLI:NL:GHDHA:2025:105
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde niet-woning en afwijzing vergoeding immateriële schade wegens termijnoverschrijding
Belanghebbende, eigenaar van een winkelpand, betwistte de door de Heffingsambtenaar vastgestelde WOZ-waarde van €263.000 voor het kalenderjaar 2022. De Rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna belanghebbende hoger beroep instelde.
Het Hof oordeelde dat de Heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld, onder meer op basis van een matrix met vergelijkingsobjecten en een bruto kapitalisatiefactor berekening. De door belanghebbende aangevoerde stellingen over onderhoud en verpaupering werden niet concreet onderbouwd en bleven onbewezen.
Daarnaast werd het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn afgewezen. Hoewel de redelijke termijn met ongeveer een maand was overschreden, achtte het Hof dit gelet op de omstandigheden, waaronder de invloed van de gemachtigde op de duur van de procedure, niet onredelijk. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen.