ECLI:NL:GHDHA:2025:107
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde winkelpand en afwijzing vergoeding immateriële schade
Belanghebbende is eigenaar van een winkelpand dat voor het kalenderjaar 2022 is gewaardeerd op €259.000 door de Heffingsambtenaar van de gemeente Noordwijk. Na bezwaar en beroep bij de Rechtbank, waarbij de waarde werd bevestigd, stelde belanghebbende hoger beroep in tegen deze uitspraak. Het geschil betrof de juistheid van de vastgestelde WOZ-waarde en de vraag of vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn toekwam.
De Rechtbank oordeelde dat de waarde niet te hoog was vastgesteld, waarbij de huurwaardekapitalisatiemethode werd toegepast met vergelijkingsobjecten en een bruto kapitalisatiefactor. Belanghebbende voerde aan dat de vergelijkingsobjecten onvoldoende vergelijkbaar waren en dat onvoldoende rekening was gehouden met onderhoudstoestand en verpaupering, maar kon dit niet aannemelijk maken. Ook werd het ontbreken van een apart hoorverslag niet als onrechtmatig beoordeeld.
In hoger beroep stelde de gemachtigde van belanghebbende algemene gronden aan de orde, maar maakte deze pas ter zitting concreet, wat het Hof in strijd met de goede procesorde achtte. De grieven die ter zitting voor het eerst werden ingebracht, werden buiten beschouwing gelaten. Het Hof bevestigde het oordeel van de Rechtbank dat de waarde niet te hoog was vastgesteld en wees het beroep op vergoeding van immateriële schade af vanwege verlenging van de redelijke termijn die gerechtvaardigd was door het handelen van belanghebbende en zijn gemachtigde.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt de WOZ-waarde van €259.000 en wijst het beroep op vergoeding immateriële schade af.