De moeder is in hoger beroep gekomen tegen de beschikking van de rechtbank die de machtiging tot uithuisplaatsing van haar vier minderjarige kinderen verlengde en het verzoek tot benoeming van een bijzondere curator afwees. De kinderen verblijven in een gezinshuis sinds december 2022 en zijn onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling.
De moeder verzocht het hof om de machtiging tot uithuisplaatsing slechts voor een verkorte duur toe te staan en een bijzondere curator te benoemen om de tegenstrijdige signalen van de minderjarigen te duiden. De gecertificeerde instelling en het hof oordeelden dat de benoeming van een bijzondere curator niet in het belang van de kinderen is vanwege hun geslotenheid en de reeds bestaande ondersteuning.
Het hof voerde een rechtmatigheidstoets uit op de machtiging over de periode waarvoor deze was verleend, waarbij het belang van stabiliteit en veiligheid voor de minderjarigen centraal stond. Gezien het belast verleden van de kinderen en de noodzaak van voortzetting van therapieën, was het niet in hun belang om terug te keren naar de moeder. De positieve ontwikkelingen waren onvoldoende voor een thuisplaatsing.
Daarom werd de bestreden beschikking bekrachtigd en het meer of anders verzochte afgewezen.