Uitspraak
wonende te [woonplaats],
gevestigd te Utrecht,
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
9 juli 2021.
Hoge Raad
De zaak betreft een verzoek tot cassatie door de moeder van een minderjarige die onder toezicht is gesteld en uit huis geplaatst is. De GI had verzocht om verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing, welke door de kinderrechter en het hof was toegekend tot 13 maart 2020. De ouders verzochten tevens om een contra-expertise, die door beide instanties werd afgewezen.
Het hof had de verlenging van de machtiging getoetst op rechtmatigheid, ondanks dat de geldigheidsduur van de machtiging was verstreken. Het hof vond de verlenging noodzakelijk en wees het verzoek om contra-expertise af omdat het geen andere beslissing over de machtiging kon opleveren.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof onjuist had geoordeeld dat een verzoek tot verlenging niet kan worden afgewezen als de machtigingstermijn is verstreken. De beoordeling van de rechtmatigheid kan leiden tot vernietiging en afwijzing van het verzoek. Tevens oordeelde de Hoge Raad dat het hof ten onrechte het verzoek om contra-expertise had afgewezen zonder inhoudelijke beoordeling, terwijl dit voor de rechtmatigheidstoets van belang is.
De overige klachten van de moeder werden niet-ontvankelijk verklaard. De Hoge Raad vernietigde het hofarrest en verwees de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch voor verdere behandeling en beslissing.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt hofuitspraak en verwijst zaak voor verdere behandeling inzake verlenging machtiging uithuisplaatsing en verzoek contra-expertise.