Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
1.De Staat der Nederlanden,
2.Fastned B.V.,
1.De zaak in het kort
2.Procesverloop in hoger beroep
- de dagvaardingen in turbospoedappel van 7 februari 2025, met grieven en producties, waarmee Shell in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 29 januari 2025 en waarin Shell in het incident ex art. 223 Rv heeft verzocht om een voorlopige voorziening;
- de memorie van antwoord tevens houdende antwoord in het incident van de Staat, met bijlagen;
- de memorie van antwoord in principaal appel, tevens memorie van grieven in incidenteel appel en conclusie van antwoord in het incident van Fastned, met bijlagen;
- de memorie van antwoord in het incidenteel appel van Shell;
- het arrest van dit hof van 15 april 2025 in onder meer het incident ex art. 223 Rv;
- de akte houdende overlegging productie van de Staat, met bijlage;
- de akte houdende overlegging producties van Shell, met bijlagen.
3.Feitelijke achtergrond
4.Procedure bij de voorzieningenrechter
5.Vorderingen in hoger beroep
grieven 1 en 2). Shell kan voorts niet worden tegengeworpen dat zij geen uitbreidingsvergunning heeft aangevraagd, nu zij slechts beschikte over een Wbr-vergunning voor energielaadpunten als
aanvullendevoorziening. Shell kan geen uitbreiding aanvragen voor een basisvoorziening die zij niet heeft (
grief 3). De in het Voornemen gestelde voorwaarde dat reeds moet worden beschikt over een Wbr-vergunning is volgens Shell niet objectief, redelijk en transparant, voorts in strijd met het gelijkheidsbeginsel en onzorgvuldig tot stand gekomen (
grief 4). Het Voornemen betekent daarnaast een verviervoudiging van zowel het aantal aan Fastned vergunde laadplekken als het reeds door Fastned gehuurde grondoppervlak. Die omvangrijke uitbreiding komt neer op een ‘wezenlijke wijziging’ die eraan in de weg staat dat de huurovereenkomst zonder (nieuwe) openbare procedure wordt gegund aan de zittende contractant (
grief 5). Shell voert tot slot aan dat haar vorderingen ten onrechte zijn afgewezen en dat zij ten onrechte in de proceskosten is veroordeeld (
grieven 6 en 7).
eerste incidentele grief) en (2) wegens het niet doorlopen van de bestaande, met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang tegen de uitbreidingsvergunning van 4 oktober 2023 (
tweede incidentele grief).
6.Beoordeling in hoger beroep
grieven 1 en 2) dat met de uitbreidingsvergunning en het Voornemen buiten de grenzen wordt getreden van het met de loting in 2012 verdeelde schaarse recht en dat met de vergunde uitbreiding van twee naar acht laadplekken sprake is van een verboden wezenlijke wijziging (
grief 5). De grieven falen, omdat deze argumenten zien op de inhoud, dan wel wijze van totstandkoming van de (vanwege de verkregen formele rechtskracht niet meer ter toetsing voorliggende) uitbreidingsvergunning en Shell die argumenten in de desbetreffende bestuursrechtelijke procedure naar voren had kunnen en moeten brengen. Hieraan ontkomt Shell niet door haar vorderingen, zoals in de onderhavige procedure, te beperken tot alleen de met Fastned gesloten huurovereenkomst, dit te minder nu Shell met de onderhavige procedure ook niet een ander resultaat wil bereiken dan zij via de bestuursrechtelijke weg had kunnen realiseren. Met het oog op de wettelijke verdeling van rechterlijke bevoegdheid is het niet aan de burgerlijke rechter om (alsnog) te oordelen over argumenten die thuishoren (in de met voldoende waarborgen omklede rechtsgang) bij de bestuursrechter.
konvragen (
grief 3) maakt niet dat aan Fastned geen uitbreidingsvergunning had mogen worden verleend, nog daargelaten dat Shell ook dit argument had kunnen en moeten opwerpen in de daarvoor geëigende rechtsgang bij de bestuursrechter. Dat op dit moment een wetsvoorstel aanhangig is over een nieuwe verdelingssystematiek voor voorzieningen op verzorgingsplaatsen maakt dat niet anders. Deze grief kan Shell daarom evenmin baten.
grief 4) aangevoerd dat het genoemde vereiste geen objectief, toetsbaar en redelijk selectiecriterium is en dat het stellen van dit vereiste in strijd is met het beginsel dat gegadigden gelijke kansen moeten worden geboden. Het hof gaat daar niet in mee. Met inachtneming van de hem toekomende beleidsruimte gaat de Staat zelf over de criteria waaraan moet zijn voldaan om voor selectie in aanmerking te komen, zolang die criteria maar objectief, toetsbaar en redelijk zijn. Shell heeft niet toegelicht dat en waarom het niet objectief, niet toetsbaar of niet redelijk zou zijn dat de Staat ten behoeve van de uitbreiding van e-laadpunten een huurovereenkomst aangaat met een partij waaraan de Staat voor dat zelfde doel (en met een aan elkaar gekoppelde looptijd) ook al een publiekrechtelijke vergunning heeft afgegeven. Strijd met het gelijkheidsbeginsel levert dit evenmin op. Nu Fastned beschikte over een (onherroepelijke) Wbr-vergunning, en Shell niet, is van gelijke gevallen immers geen sprake. De grief faalt.
grieven 6 en 7bouwen voort op de voorgaande grieven en delen daarvan dus het lot. De conclusie is dat het hoger beroep van Shell niet slaagt.
eerste en tweede incidentele griefvan Fastned geen belang meer. Voor zover het in de tweede incidentele grief neergelegde betoog van Fastned al juist is kan dat in elk geval niet leiden tot (partiële) vernietiging van het vonnis, omdat Shell de argumenten die volgens Fastned bij uitsluiting thuis horen bij de bestuursrechter ook heeft gevoerd in het kader van haar door de burgerlijke rechter te beoordelen (in 6.7 en 6.8 van dit arrest verworpen) standpunt dat Fastned niet als enige serieuze gegadigde voor de huurovereenkomst had mogen worden aangemerkt.
.
7.Beslissing
Het hof:
- bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 29 januari 2025;
- veroordeelt Shell in de kosten van de procedures in het incident ex art. 223 Rv en in principaal hoger beroep, aan de zijde van de Staat en Fastned begroot op ieder € 4.040,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als Shell deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald;
- bepaalt dat als Shell niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, Shell de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 92,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als Shell deze niet binnen veertien dagen na betekening heeft betaald;
- compenseert de kosten van het incidentele appel, aldus dat Shell en Fastned ieder de eigen kosten daarvan dragen;
- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;
- wijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevorderd.