ECLI:NL:GHDHA:2025:1390

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
22 juli 2025
Publicatiedatum
21 juli 2025
Zaaknummer
200.350.984/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Hoger beroep kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep kort geding over huurovereenkomst voor uitbreiding e-laadstation in Didamkwestie

In deze zaak gaat het om een kort geding dat is aangespannen door Shell Nederland Verkoopmaatschappij B.V. tegen de Staat der Nederlanden en Fastned B.V. over een voorgenomen huurovereenkomst voor een perceel grond op een verzorgingsplaats langs de snelweg. Fastned heeft een vergunning voor het exploiteren van een e-laadstation en wil deze uitbreiden van twee naar acht laadplekken. Shell, die ook geïnteresseerd is in de grond, vordert dat de Staat een openbare selectieprocedure doorloopt voordat de grond aan Fastned wordt verhuurd. De voorzieningenrechter heeft de vorderingen van Shell afgewezen, en het hof bevestigt deze beslissing. Het hof oordeelt dat de Staat niet onrechtmatig handelt door de huurovereenkomst met Fastned aan te gaan, omdat Fastned de enige serieuze gegadigde is die voldoet aan de vereisten voor de huurovereenkomst. Het hof benadrukt dat Shell niet heeft aangetoond dat zij ook aan de voorwaarden kan voldoen en dat de eerdere vergunningen van Fastned formele rechtskracht hebben. Het hof bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter en veroordeelt Shell in de proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.350.984/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : C/09/675614 / KG ZA 24-1058
Arrest in kort geding van 22 juli 2025
in de zaak van
Shell Nederland Verkoopmaatschappij B.V.,
gevestigd in Rotterdam,
appellante in principaal hoger beroep,
geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep van Fastned,
advocaat: mr. W.J.E. Van der Werf, kantoorhoudend in Den Haag,
tegen

1.De Staat der Nederlanden,

gevestigd in Den Haag,
geïntimeerde in principaal hoger beroep,
advocaat: mr. M.F. Mesu-Abbekerk, kantoorhoudend in Den Haag,

2.Fastned B.V.,

gevestigd in Amsterdam,
geïntimeerde in principaal hoger beroep,
appellante in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. L.P.W. Mensink, kantoorhoudend in Amsterdam.
Het hof noemt partijen hierna Shell, de Staat en Fastned.

1.De zaak in het kort

1.1
In dit kort geding gaat het om de vraag of de Staat onrechtmatig handelt door een huurovereenkomst aan te gaan met Fastned met betrekking tot een perceel grond op de [verzorgingsplaats] , gelegen aan [snelweg] . Op die verzorgingsplaats exploiteert Shell een tankstation. Fastned exploiteert daar een e-laadstation.
1.2
Fastned wil extra grond huren om haar e-laadstation te kunnen uitbreiden van twee naar acht laadplekken. Voor die uitbreiding heeft Fastned al een publiekrechtelijke vergunning verkregen.
1.3
Shell wil ook een kans maken om het perceel grond te huren. Zij vordert daarom dat de Staat wordt verboden om de grond aan Fastned te verhuren en dat de Staat daarvoor eerst een openbare selectieprocedure doorloopt.
1.4
De voorzieningenrechter heeft de vorderingen van Shell afgewezen. Het hof sluit zich daarbij aan en licht in dit arrest toe waarom.

2.Procesverloop in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
  • de dagvaardingen in turbospoedappel van 7 februari 2025, met grieven en producties, waarmee Shell in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 29 januari 2025 en waarin Shell in het incident ex art. 223 Rv heeft verzocht om een voorlopige voorziening;
  • de memorie van antwoord tevens houdende antwoord in het incident van de Staat, met bijlagen;
  • de memorie van antwoord in principaal appel, tevens memorie van grieven in incidenteel appel en conclusie van antwoord in het incident van Fastned, met bijlagen;
  • de memorie van antwoord in het incidenteel appel van Shell;
  • het arrest van dit hof van 15 april 2025 in onder meer het incident ex art. 223 Rv;
  • de akte houdende overlegging productie van de Staat, met bijlage;
  • de akte houdende overlegging producties van Shell, met bijlagen.
2.2
Op 22 mei 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht, de advocaat van Shell aan de hand van pleitaantekeningen die hij heeft overgelegd. Na afloop is arrest bepaald op heden.

3.Feitelijke achtergrond

3.1
De Staat is eigenaar van (vrijwel) alle gronden langs de Nederlandse rijkswegen waarop verzorgingsplaatsen zijn gevestigd, waaronder de [verzorgingsplaats] langs [snelweg] . Het vergunningenbeleid van de Staat voor de exploitatie van voorzieningen op de verzorgingsplaatsen is neergelegd in de Kennisgeving Voorzieningen op verzorgingsplaatsen langs rijkswegen van 22 maart 2004 (Stcrt. 2004, nr 56, pag. 19), zoals nadien gewijzigd (hierna: Kennisgeving). De Kennisgeving maakt onderscheid tussen basisvoorzieningen (benzinestation, wegrestaurant of servicestation) en aanvullende voorzieningen. Door een wijziging van de Kennisgeving per 10 januari 2012 (Stcrt. 2011, nr. 23149) werd het mogelijk om als basisvoorziening ook een energielaadpunt voor alle typen elektrische en hybride auto’s te realiseren.
3.2
Naar aanleiding van de gewijzigde Kennisgeving hebben drie geïnteresseerde marktpartijen zich bij de Staat aangemeld om in aanmerking te komen voor het recht om een vergunning aan te vragen voor het exploiteren van een energielaadpunt als basisvoorziening op [verzorgingsplaats] . Omdat de verzoeken niet alle drie konden worden ingewilligd heeft in 2012 een loting plaatsgevonden, waarbij (de rechtsvoorganger van) Fastned als eerste uit de bus kwam. Shell heeft niet aan deze loting meegedaan.
3.3
Op 25 juni 2014 heeft Fastned vervolgens een aanvraag ingediend voor een vergunning ingevolge de Wet beheer rijkswaterstaatswerken (Wbr) voor het plaatsen van een oplaadstation voor elektrische voertuigen op [verzorgingsplaats] . Bij besluit van 16 juli 2015 heeft de Staat (Rijkswaterstaat) deze vergunning aan Fastned verleend. Het besluit vermeldt dat het oplaadstation twee snellaadpunten bevat en dat de vergunning is verleend voor vijftien jaar.
3.4
Bij overeenkomst van 29 augustus 2017 heeft de Staat (Rijksvastgoedbedrijf) de voor het energielaadpunt benodigde grond (een perceel van 316 m²) met terugwerkende kracht verhuurd aan Fastned. De huurovereenkomst is gekoppeld aan de duur van de Wbr-vergunning en loopt af op 30 juni 2030.
3.5
Op 9 september 2020 heeft Shell na een veiling het recht verworven om op [verzorgingsplaats] het ‘tankstation [verzorgingsplaats] ’ te exploiteren. Shell heeft daartoe een perceel grond van 2.929 m² gehuurd. Deze huurovereenkomst loopt af in 2035.
3.6
Op 25 februari 2021 heeft Shell een Wbr-vergunning verkregen voor het ombouwen, behouden en onderhouden van het tankstation. Daar is op 29 juli 2021 een Wbr-vergunning voor Shell bij gekomen voor het hebben en behouden van energielaadpunten als aanvullende voorziening op [verzorgingsplaats] .
3.7
Op 3 juni 2022, aangevuld op 1 maart 2023, heeft Fastned een aanvraag ingediend tot wijziging van haar Wbr-vergunning ten behoeve van de uitbreiding van het bestaande energielaadpunt op [verzorgingsplaats] . Daarop is de Wbr-vergunning van Fastned bij beschikking van 4 oktober 2023 gewijzigd in een vergunning voor een energielaadpunt met in totaal acht laadplekken voor elektrische voertuigen. De Staat heeft de kennisgeving van dit wijzigingsbesluit op 6 oktober 2023 in de Staatscourant gepubliceerd, met de vermelding dat belanghebbenden daartegen binnen zes weken beroep kunnen instellen bij de rechtbank.
3.8
Op 28 december 2023 heeft Shell een Wbr-vergunning aangevraagd voor een wachtruimte/shop als aanvullende voorziening bij energielaadpunten, waaronder bij [verzorgingsplaats] . Op 26 maart 2024 heeft Shell de aanvraag voor bij [verzorgingsplaats] ingetrokken.
3.9
Op 5 september 2024 heeft de Staat (het Rijksvastgoedbedrijf) het voornemen (hierna: het Voornemen) bekend gemaakt tot het sluiten van een (allonge op de) huurovereenkomst met Fastned ter uitbreiding van haar laadstation op [verzorgingsplaats] . De huur heeft betrekking op een perceel van 1.242 m², waarvan 926 m² voor de uitbreiding. De huurovereenkomst kent een looptijd tot 1 juli 2030. In het Voornemen heeft de Staat het volgende opgenomen:
Voornemen tot overeenkomst: Uitbreiding van het laadstation [verzorgingsplaats] (basisvoorziening)Het Rijksvastgoedbedrijf is van mening dat onderstaande overeenkomst gesloten kan worden met de beoogde wederpartij, omdat er slechts één gegadigde in aanmerking komt om de grond in verhuur aan te bieden, aangezien deze gegadigde over een publiekrechtelijke vergunning beschikt en de verhuur van het perceel niet in strijd is met de Benzinewet of de rechten van derden (…).
Procedure voor Geïnteresseerde PartijenAndere partijen kunnen zich voor de sluitingstijd als potentiële gegadigde(n) voor onderstaande locatie melden bij het Rijksvastgoedbedrijf door schriftelijk en gemotiveerd met overlegging van bewijsstukken aan te geven dat zij ook aan de genoemde voorwaarden voldoen.
(…)
Ten aanzien van partijen die zich niet melden voor het eerder genoemde tijdstip, vertrouwt het Rijksvastgoedbedrijf erop dat zij geen bedenkingen hebben tegen het aangaan van de overeenkomst(en). Op dat moment vervalt het recht tegen al het voornoemde in rechte op te komen en/of daarop enige vordering tot schadevergoeding of welke andere aanspraak dan ook te baseren, althans heeft de betreffende partij zijn rechten daarop verwerkt. De Staat zou onredelijk worden benadeeld indien pas na deze (duidelijk kenbaar gemaakte termijn) alsnog zou worden opgekomen.
Locatie
Het Rijksvastgoedbedrijf is voornemens om (een) huurovereenkomst(en) te sluiten voor:
Een oppervlakte grond
(…)
ter grootte van 1.242 m2, waarvan 926 m2 ten behoeve van de uitbreiding van het laadstation (basisvoorziening).
(…)
Openbare inschrijvingIndien zich geïnteresseerde partijen melden voor het verkrijgen van deze overeenkomst en deze kunnen voldoen aan de voorwaarden die aan het gebruik van de locatie verbonden zijn, start het Rijksvastgoedbedrijf een openbare inschrijving. De procedure daarvoor wordt dan vastgesteld. De hoofdlijnen zijn als volgt:- Bij een openbare inschrijving kunnen belangstellende partijen gedurende een inschrijfperiode een bieding uitbrengen op de ondergrond oppervlakte grond.- Na de sluiting van de inschrijfperiode worden inschrijvingen beoordeeld. In principe gunt het Rijksvastgoedbedrijf aan de bieder met de meest aanvaardbare bieding.”
3.1
De sluitingstijd van het Voornemen is bepaald op 3 oktober 2024 om 12.00 uur.
3.11
Shell heeft op 2 oktober 2024 bezwaar gemaakt tegen het Voornemen. Volgens Shell is de voorgenomen gunning in strijd met het gelijkheidsbeginsel omdat met het Voornemen aan de beoogde wederpartij de facto een vergunning wordt verleend ten behoeve van een volledig nieuwe basisvoorziening laden, inclusief de ruimtelijke mogelijkheid om binnen het huuroppervlak een shop te realiseren. Shell meent dat het Rijksvastgoedbedrijf een openbare selectieprocedure moet doorlopen, waarmee Shell in de gelegenheid wordt gesteld om mee te dingen naar de huurovereenkomst (en/of de vergunning) voor het e-laadstation. Daarbij heeft zij kenbaar gemaakt dat zij kan voldoen aan de gestelde voorwaarden.
3.12
De Staat heeft bij brief van 15 oktober 2024 aan Shell meegedeeld dat haar bezwaar ongegrond is, omdat – kort gezegd – Shell niet voldoet aan de in de publicatie genoemde voorwaarden. De Staat merkt daarbij op dat sprake is van een wijzigingsbeschikking op de eerder verleende vergunning voor het plaatsen en behouden van een e-laadstation, waarbij de einddatum ongewijzigd is gebleven, en dat daarom geen sprake is van een nieuwe vergunning. Verder wijst de Staat erop dat in de wijzigingsbeschikking geen vergunning is verleend voor de realisatie van een shop. Volgens de Staat hoeft niet opnieuw een openbare procedure te worden gehouden voor de verhuur van de grond, nu eerder al een openbare procedure (loting) heeft plaatsgevonden waarbij aan de beoogde wederpartij het recht is toegekend om een publiekrechtelijke vergunning aan te vragen voor een e-laadstation als basisvoorziening op deze locatie. Volgens de Staat is daarom geen sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel.

4.Procedure bij de voorzieningenrechter

4.1
Shell heeft de Staat in kort geding gedagvaard en – op straffe van een dwangsom – gevorderd (i) een verbod voor de Staat om uitvoering te geven aan het Voornemen tot het sluiten van de huurovereenkomst met Fastned en (ii) een verbod voor de Staat om ter zake van het betrokken perceel een huurovereenkomst met Fastned te sluiten of aan haar de grond anderszins in gebruik te geven, zonder dat daarvoor een openbare selectieprocedure is doorlopen die voldoet aan de eisen die het gelijkheidsbeginsel met zich brengt en waarbij niet als selectiecriterium geldt dat een Wbr-vergunning reeds moet zijn verleend, met veroordeling van de Staat in de proceskosten.
4.2
De voorzieningenrechter heeft Fastned toegelaten als tussenkomende partij omdat zij voldoende heeft onderbouwd daarbij belang te hebben.
4.3
De voorzieningenrechter heeft de vorderingen in het bestreden vonnis afgewezen en Shell in de kosten veroordeeld. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft Shell niet aannemelijk gemaakt dat het Voornemen onverenigbaar is met de reikwijdte van de in 2012 gehouden loting, waarbij aan Fastned het recht is vergund om een energielaadpunt als basisvoorziening te exploiteren, of met de beschikking uit 2015, waarbij Fastned een Wbr-vergunning is verleend voor het plaatsen en behouden van een oplaadstation voor elektrische motorvoertuigen. Daarbij heeft de voorzieningenrechter meegewogen dat moet worden uitgegaan van de formele rechtskracht van het wijzigingsbesluit van 4 oktober 2023, waarbij de Wbr-vergunning van Fastned naar in totaal acht laadplekken is uitgebreid (hierna ook: uitbreidingsvergunning). Volgens de voorzieningenrechter kan voorts niet worden gezegd dat het criterium dat de gegadigde voor het te huren perceel over een Wbr-vergunning moet beschikken strijd oplevert met het gelijkheidsbeginsel, zodat de Didam-doctrine niet noopt tot het houden van een openbare selectieprocedure.

5.Vorderingen in hoger beroep

5.1
Shell is met zeven grieven in hoger beroep gekomen tegen de afwijzing van haar vorderingen. Zij wil dat het hof haar vorderingen alsnog toewijst. De door Shell in het kader van het hoger beroep verzochte voorlopige voorziening ex art. 223 Rv is afgedaan bij arrest van dit hof van 15 april 2025. De Staat en Fastned hebben in het principaal hoger beroep verweer gevoerd. Fastned heeft daarnaast met twee grieven incidenteel hoger beroep ingesteld.
5.2
Volgens Shell heeft de voorzieningenrechter miskend dat het bij het Voornemen gaat om de verdeling van schaarse rechten en biedt de in 2012 gehouden loting geen basis voor een onbegrensde uitbreiding voor de tot twee snellaadpunten beperkte Wbr-vergunning en het tot 316 m2 begrensde huurperceel voor Fastned (
grieven 1 en 2). Shell kan voorts niet worden tegengeworpen dat zij geen uitbreidingsvergunning heeft aangevraagd, nu zij slechts beschikte over een Wbr-vergunning voor energielaadpunten als
aanvullendevoorziening. Shell kan geen uitbreiding aanvragen voor een basisvoorziening die zij niet heeft (
grief 3). De in het Voornemen gestelde voorwaarde dat reeds moet worden beschikt over een Wbr-vergunning is volgens Shell niet objectief, redelijk en transparant, voorts in strijd met het gelijkheidsbeginsel en onzorgvuldig tot stand gekomen (
grief 4). Het Voornemen betekent daarnaast een verviervoudiging van zowel het aantal aan Fastned vergunde laadplekken als het reeds door Fastned gehuurde grondoppervlak. Die omvangrijke uitbreiding komt neer op een ‘wezenlijke wijziging’ die eraan in de weg staat dat de huurovereenkomst zonder (nieuwe) openbare procedure wordt gegund aan de zittende contractant (
grief 5). Shell voert tot slot aan dat haar vorderingen ten onrechte zijn afgewezen en dat zij ten onrechte in de proceskosten is veroordeeld (
grieven 6 en 7).
5.3
De incidentele grieven van Fastned zien op de verwerping door de voorzieningenrechter van haar beroep op de niet-ontvankelijkheid van Shell (1) wegens het ontbreken van een ‘voldoende belang’ bij haar vorderingen (
eerste incidentele grief) en (2) wegens het niet doorlopen van de bestaande, met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang tegen de uitbreidingsvergunning van 4 oktober 2023 (
tweede incidentele grief).

6.Beoordeling in hoger beroep

6.1
Gelet op de door Shell opgeworpen grieven gaat het in dit kort geding ook in hoger beroep om de vraag of de Staat in strijd handelt met de zogenoemde Didam-regels [1] door voor de huurovereenkomst die hij wil aangaan met Fastned geen mededingingsruimte te bieden door middel van een openbare selectieprocedure. Bij de beantwoording van die vraag stelt het hof het volgende voorop.
Bestuursrechtelijke rechtsgang / formele rechtskracht
6.2
Shell heeft geen zienswijze ingediend tegen het ter inzage gelegde ontwerp voor de door Fastned aangevraagde uitbreidingsvergunning en heeft evenmin gebruik gemaakt van de in de Staatscourant gepubliceerde mogelijkheid voor belanghebbenden om tegen die (op 4 oktober 2023 verleende) vergunning beroep in te stellen bij de (bestuursrechter in de) rechtbank. De vergunning heeft daarmee formele rechtskracht verkregen. In dit geding moet er dan ook van worden uitgegaan dat de aan Fastned verleende uitbreidingsvergunning zowel wat haar wijze van totstandkomen als wat haar inhoud betreft in overeenstemming is met de desbetreffende wettelijke voorschriften en algemene rechtsbeginselen. Terecht heeft Shell tegen de desbetreffende overweging van de voorzieningenrechter (in 5.10 van het vonnis) niet (kenbaar) gegriefd.
6.3
Shell heeft aangevoerd (
grieven 1 en 2) dat met de uitbreidingsvergunning en het Voornemen buiten de grenzen wordt getreden van het met de loting in 2012 verdeelde schaarse recht en dat met de vergunde uitbreiding van twee naar acht laadplekken sprake is van een verboden wezenlijke wijziging (
grief 5). De grieven falen, omdat deze argumenten zien op de inhoud, dan wel wijze van totstandkoming van de (vanwege de verkregen formele rechtskracht niet meer ter toetsing voorliggende) uitbreidingsvergunning en Shell die argumenten in de desbetreffende bestuursrechtelijke procedure naar voren had kunnen en moeten brengen. Hieraan ontkomt Shell niet door haar vorderingen, zoals in de onderhavige procedure, te beperken tot alleen de met Fastned gesloten huurovereenkomst, dit te minder nu Shell met de onderhavige procedure ook niet een ander resultaat wil bereiken dan zij via de bestuursrechtelijke weg had kunnen realiseren. Met het oog op de wettelijke verdeling van rechterlijke bevoegdheid is het niet aan de burgerlijke rechter om (alsnog) te oordelen over argumenten die thuishoren (in de met voldoende waarborgen omklede rechtsgang) bij de bestuursrechter.
6.4
Het argument dat Shell slechts beschikte over laadpunten als aanvullende voorziening en, anders dan Fastned, om die reden geen uitbreiding van een vergunning basisvoorziening energielaadpunt
konvragen (
grief 3) maakt niet dat aan Fastned geen uitbreidingsvergunning had mogen worden verleend, nog daargelaten dat Shell ook dit argument had kunnen en moeten opwerpen in de daarvoor geëigende rechtsgang bij de bestuursrechter. Dat op dit moment een wetsvoorstel aanhangig is over een nieuwe verdelingssystematiek voor voorzieningen op verzorgingsplaatsen maakt dat niet anders. Deze grief kan Shell daarom evenmin baten.
Strijd met Didam-regels?
6.5
Blijkens de Didam-arresten hoeft geen mededingingsruimte te worden geboden als bij voorbaat vaststaat of redelijkerwijs mag worden aangenomen dat op grond van objectieve, toetsbare en redelijke criteria slechts één serieuze gegadigde voor de overeenkomst in aanmerking komt. Volgens de Staat is een openbare selectieprocedure hier niet aan de orde omdat Fastned voor de huurovereenkomst de enige serieuze gegadigde is.
6.6
Bij de beantwoording van de vraag of de Staat hiermee de Didamdoctrine schendt neemt het hof tot uitgangspunt (1) dat, zoals zojuist is overwogen, het hof ervan uit moet gaan dat de uitbreidingsvergunning uit 2023 zowel naar inhoud als naar wijze van totstandkomen rechtmatig is, (2) dat het perceel waarop de huurovereenkomst ziet hetzelfde perceel is als waarvoor die uitbreidingsvergunning is verleend, (3) dat het perceel van de huurovereenkomst grenst aan het reeds door Fastned gehuurde, aan haar Wbr-vergunning van 16 juli 2015 gekoppelde perceel van 316 m2, (4) dat het perceel van de huurovereenkomst grotendeels is bedoeld voor de uitbreiding van de aldaar reeds aanwezige basisvoorziening e-laadstation en (5) dat de looptijd van de huur is gekoppeld aan de aan Fastned (onherroepelijk) verleende Wbr-uitbreidingsvergunning van 4 oktober 2023 voor een basisvoorziening energielaadpunt met in totaal acht plekken.
6.7
Het hof is voorshands van oordeel dat de Staat op grond van de vijf hierboven genoemde omstandigheden redelijkerwijs kon aannemen dat Fastned als enige gegadigde voor de huurovereenkomst in aanmerking komt. Geen enkele andere gegadigde kon en kan immers voldoen aan het vereiste dat over een publiekrechtelijke (Wbr-) vergunning wordt beschikt voor (de uitbreiding van) een e-laadstation ter plaatse. De Staat heeft daarover ook de nodige transparantie betracht door bij de bekendmaking van het Voornemen toe te lichten dat juist vanwege dat vereiste slechts één gegadigde in beeld was. Andere potentiële gegadigden zijn daarbij uitdrukkelijk in de gelegenheid gesteld aan te tonen dat zij eveneens aan de voorwaarden konden voldoen. Shell heeft dat niet kunnen aantonen.
6.8
Shell heeft in dit verband (
grief 4) aangevoerd dat het genoemde vereiste geen objectief, toetsbaar en redelijk selectiecriterium is en dat het stellen van dit vereiste in strijd is met het beginsel dat gegadigden gelijke kansen moeten worden geboden. Het hof gaat daar niet in mee. Met inachtneming van de hem toekomende beleidsruimte gaat de Staat zelf over de criteria waaraan moet zijn voldaan om voor selectie in aanmerking te komen, zolang die criteria maar objectief, toetsbaar en redelijk zijn. Shell heeft niet toegelicht dat en waarom het niet objectief, niet toetsbaar of niet redelijk zou zijn dat de Staat ten behoeve van de uitbreiding van e-laadpunten een huurovereenkomst aangaat met een partij waaraan de Staat voor dat zelfde doel (en met een aan elkaar gekoppelde looptijd) ook al een publiekrechtelijke vergunning heeft afgegeven. Strijd met het gelijkheidsbeginsel levert dit evenmin op. Nu Fastned beschikte over een (onherroepelijke) Wbr-vergunning, en Shell niet, is van gelijke gevallen immers geen sprake. De grief faalt.
6.9
De
grieven 6 en 7bouwen voort op de voorgaande grieven en delen daarvan dus het lot. De conclusie is dat het hoger beroep van Shell niet slaagt.
Incidenteel appel Fastned
6.1
Gelet op het vorenoverwogene bestaat bij een bespreking van de
eerste en tweede incidentele griefvan Fastned geen belang meer. Voor zover het in de tweede incidentele grief neergelegde betoog van Fastned al juist is kan dat in elk geval niet leiden tot (partiële) vernietiging van het vonnis, omdat Shell de argumenten die volgens Fastned bij uitsluiting thuis horen bij de bestuursrechter ook heeft gevoerd in het kader van haar door de burgerlijke rechter te beoordelen (in 6.7 en 6.8 van dit arrest verworpen) standpunt dat Fastned niet als enige serieuze gegadigde voor de huurovereenkomst had mogen worden aangemerkt.
Conclusie en proceskosten
6.11
Vanwege het falen van de door beide partijen voorgedragen grieven zal het hof het vonnis bekrachtigen. Het hof zal Shell als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het principale hoger beroep, inclusief die van het incident ex art. 223 Rv. Wat betreft het incidentele appel van Fastned zullen de kosten worden gecompenseerd.
6.12
Het hof begroot de proceskosten aan de zijde van de Staat en Fastned ieder op:
griffierecht € 827,-
salaris advocaat € 3.035,- (2,5 punten × tarief II)
nakosten € 178,-(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 4.040,-
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen zoals vermeld in de beslissing
.

7.Beslissing

Het hof:

  • bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 29 januari 2025;
  • veroordeelt Shell in de kosten van de procedures in het incident ex art. 223 Rv en in principaal hoger beroep, aan de zijde van de Staat en Fastned begroot op ieder € 4.040,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als Shell deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald;
  • bepaalt dat als Shell niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, Shell de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 92,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als Shell deze niet binnen veertien dagen na betekening heeft betaald;
  • compenseert de kosten van het incidentele appel, aldus dat Shell en Fastned ieder de eigen kosten daarvan dragen;
  • verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;
  • wijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mr. A.E.A.M. van Waesberghe, mr. M.Y. Bonneur en mr. R.M. Hermans en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2025 in aanwezigheid van de griffier.

Voetnoten

1.Hoge Raad 26 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1778 en Hoge Raad 15 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1661.