Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van de middelen in de principale beroepen
4.Beoordeling van de middelen in de incidentele beroepen
5.Beslissing
15 november 2024.
Hoge Raad
Deze zaak betreft de toepassing van de Didam-regels, geformuleerd in het arrest van de Hoge Raad van 26 november 2021, die eisen stellen aan het handelen van overheidslichamen bij de verkoop van onroerende zaken. De centrale vragen zijn vanaf welk moment deze regels gelden en wat de rechtsgevolgen zijn van niet-naleving.
De feiten betreffen de verkoop van de gemeentehuislocatie in Didam door de Gemeente Montferland aan Groenstaete, waarbij [verweersters] zich benadeeld achten omdat zij geen gelijke kansen kregen. Het hof oordeelde dat de Gemeente onrechtmatig handelde door de koopovereenkomst te sluiten zonder een openbare, non-discriminatoire biedingsprocedure, en vernietigde de overeenkomsten.
De Hoge Raad stelt dat de Didam-regels ook van toepassing zijn op handelen voorafgaand aan het arrest en dat schending ervan niet leidt tot nietigheid of vernietigbaarheid van overeenkomsten, omdat deze regels gebaseerd zijn op algemene beginselen van behoorlijk bestuur en niet op dwingende wetsbepalingen. Wel kan onrechtmatig handelen leiden tot schadevergoeding en onder omstandigheden een verbod op verkoop. De Hoge Raad vernietigt het hofarrest en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofarrest over de toepassing van Didam-regels en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling.