In deze strafzaak stond de vraag centraal of de oproeping aan de verdachte, die sinds juni 2025 geen vaste woon- of verblijfplaats meer heeft, rechtsgeldig was betekend met het oog op verstekverlening. Het hof overwoog dat een Nederlands adres niet automatisch geldt als woon- of verblijfplaats in de zin van artikel 36e Sv, en dat het Poolse adres van de verdachte onvoldoende actueel was om als verblijfplaats in het buitenland te gelden.
De oproeping werd op meerdere adressen verzonden, waaronder twee Nederlandse adressen en een Pools adres, waarbij ook vertalingen werden meegestuurd. Hoewel de verdachte niet aanwezig was en geen contact onderhield met zijn raadsvrouw, concludeerde het hof dat de betekening rechtsgeldig was verlopen, mede doordat de oproeping aan het Openbaar Ministerie was betekend nadat uitreiking aan de verdachte niet mogelijk bleek.
De raadsvrouw voerde aan dat het Openbaar Ministerie had moeten informeren bij de Poolse autoriteiten over het verblijfadres na detentie, maar het hof vond hiervoor geen wettelijke grondslag. Omdat de verdachte geen schriftelijke grieven in hoger beroep had ingediend en ook mondeling geen bezwaren had geuit, verklaarde het hof hem niet-ontvankelijk in hoger beroep en zag af van inhoudelijke behandeling.