ECLI:NL:GHDHA:2025:1771
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Chr.Th.P.M. Zandhuis
- P.J.J. Vonk
- M.J.M. van der Weijden
- Rechtspraak.nl
Bevestiging naheffingsaanslag parkeerbelasting ondanks bezwaar en proceskostenvergoeding
Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd wegens parkeren zonder geldige vergunning of betaling op 22 november 2022. Na een onterechte niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar, die later werd erkend, behandelde de rechtbank de zaak inhoudelijk en verklaarde het bezwaar ongegrond. Belanghebbende stelde dat hij wel had betaald en dat door het handelen van de Heffingsambtenaar bewijsnood was ontstaan, wat werd verworpen.
De rechtbank kende een proceskostenvergoeding toe en oordeelde dat de naheffingsaanslag terecht was opgelegd. In hoger beroep stelde belanghebbende dat de goede procesorde en het hoor en wederhoor waren geschonden en dat hij recht had op immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van redelijke termijn. Het Hof verwierp deze gronden, benadrukte dat de bezwaar- en beroepsfase binnen twee jaar waren afgerond en dat de naheffingsaanslag niet als strafrechtelijke sanctie kwalificeert.
Ook de wegingsfactor voor de proceskostenvergoeding werd door het Hof bevestigd als licht, passend bij een parkeerbelastingzaak. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen vergoeding van immateriële schade toegekend en de naheffingsaanslag bleef in stand.
Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt de naheffingsaanslag parkeerbelasting en verklaart het hoger beroep ongegrond.