Partijen zijn in 1977 in Turkije gehuwd en hebben de Nederlandse nationaliteit. Na hun echtscheiding is er een geschil over de verdeling van goud dat in een gezamenlijke kluis werd bewaard. De rechtbank had bepaald dat partijen de waarde van het goud bij helfte zouden verdelen, maar de vrouw was het hier niet mee eens en ging in hoger beroep.
Het hof onderzocht de rechtsmacht van de Nederlandse rechter en het toepasselijke recht, waarbij het Turkse huwelijksvermogensrecht werd vastgesteld als van toepassing. Dit recht kent sinds 1 januari 2002 het regime van verwervingsdeelneming. De vrouw stelde dat het goud vóór die datum was verkregen en dus niet in de gemeenschap viel, maar het hof vond dat zij dit onvoldoende had onderbouwd.
Het hof concludeerde dat het goud onder het nieuwe Turkse regime valt en dat partijen ieder recht hebben op de helft van de waarde ervan. Omdat de man het goud uit de kluis had gehaald en niet aannemelijk had gemaakt dat hij het aan de vrouw had overgedragen, moet hij de helft van het goud aan de vrouw ter beschikking stellen of anders de waarde vergoeden. De waarde wordt schattenderwijs vastgesteld op 200 gram 24 karaats goud.