De zaak betreft de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap tussen een man en vrouw die zowel een wettelijk als islamitisch huwelijk zijn aangegaan. Partijen zijn gehuwd onder het regime van beperkte gemeenschap van goederen zonder huwelijkse voorwaarden. De vrouw vordert betaling van een bruidsgave, terwijl de man dit betwist. Daarnaast spelen geschillen over de verdeling van gouden sieraden, de waarde en toebedeling van een auto, bankrekeningen en vergoedingen voor verbouwingskosten van de woning.
Het hof oordeelt dat de bruidsgave een religieus verankerde verplichting is, maar niet als een schenking of verknochte vordering buiten de gemeenschap valt. Omdat partijen geen huwelijkse voorwaarden hebben opgesteld, vallen mogelijke vorderingen en verplichtingen omtrent de bruidsgave tegen elkaar weg. De rechtbanksbeslissing over de bruidsgave wordt daarom vernietigd en het verzoek van de vrouw afgewezen.
Ten aanzien van de auto stelt het hof vast dat de waarde op het moment van ontbinding niet bepalend is, maar dat de werkelijke verkoopwaarde na gebruik leidend is. De man heeft de auto verkocht voor € 100,-, wat het hof aannemelijk acht, en wijzigt de vergoeding aan de vrouw dienovereenkomstig. De verdeling van de gouden sieraden kan niet worden vastgesteld vanwege onvoldoende bewijs en betwisting. De vergoedingsvordering van de man voor verbouwingskosten wordt afgewezen wegens gebrek aan bewijs dat het privévermogen is gebruikt.
De overige punten van de verdeling worden bekrachtigd en de proceskosten in hoger beroep worden gecompenseerd, waarbij elke partij haar eigen kosten draagt.