Uitspraak
wonende te [woonplaats 1],
wonende te [woonplaats 2],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
10 mei 2019.
Hoge Raad
De vrouw en man woonden van eind 2007 tot augustus 2012 samen in een woning die eigendom was van de man. De vrouw financierde de verbouwing van de woning deels uit eigen middelen of via een lening van haar moeder. Na beëindiging van de relatie vorderde de vrouw vergoeding van haar investering.
De rechtbank kende haar een deel van de gevorderde vergoeding toe, maar het hof wees de vordering af omdat geen sprake was van een gemeenschap in de zin van titel 3.7 BW en de analoge toepassing van art. 1:87 BW Pro niet op samenwonenden zonder contract van toepassing is. Het hof stelde vast dat geen afspraken waren gemaakt over de kostenverdeling en dat de man financieel niet in staat was de verbouwing zelf te betalen.
De vrouw stelde in cassatie dat het hof een onjuiste rechtsopvatting had door geen vergoedingsrecht toe te kennen. De Hoge Raad verwierp dit en bevestigde dat zonder eigendomsgemeenschap geen vergoedingsrecht uit titel 3.7 BW ontstaat. Ook het algemene verbintenissenrecht en de eisen van redelijkheid en billijkheid bieden geen grond voor vergoeding zonder bijzondere feiten en omstandigheden. De vrouw had onvoldoende gesteld om een dergelijk vergoedingsrecht te onderbouwen.
De Hoge Raad wees het cassatieberoep af en bepaalde dat iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: Hoge Raad wijst vordering vrouw af wegens ontbreken van vergoedingsrecht zonder eigendomsgemeenschap of bijzondere afspraken.