Verzoeker heeft in een belastingzaak een wrakingsverzoek ingediend tegen de leden van de wrakingskamer die eerder een wrakingsverzoek van hem hadden afgewezen. Dit verzoek werd ingediend nadat de wrakingskamer haar eindbeslissing had genomen. De wrakingskamer oordeelde dat de wet geen mogelijkheid biedt om wraking te verzoeken van rechters nadat een eindbeslissing is genomen, waardoor het verzoek niet-ontvankelijk is.
Verzoeker had eerder in de hoofdzaak onder meer verzocht om omkering van de bewijslast en het stellen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad, wat door het hof was afgewezen. Tevens verzocht hij om overdracht van de zaak aan een ander gerechtshof, hetgeen eveneens werd afgewezen. Na afwijzing van het eerste wrakingsverzoek richtte verzoeker zich met het huidige wrakingsverzoek tegen de wrakingskamer zelf.
De wrakingskamer heeft op grond van het Wrakingsprotocol van het gerechtshof Den Haag zonder mondelinge behandeling het verzoek niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat toekomstige wrakingsverzoeken van verzoeker niet in behandeling worden genomen. Deze beslissing is op 12 augustus 2025 in het openbaar uitgesproken.