Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Arrest van 11 november 2025
[appellant 1],
[appellant 2],
“Outboard Shop Rotterdam”,
Het geding in hoger beroep
- het arrest van 14 mei 2024;
- de memorie van grieven van [appellanten];
- de memorie van antwoord van OSR (met productie).
De feiten
De procedure in eerste aanleg
in conventiebetaling door OSR van een bedrag van € 6.259,83 aan hoofdsom, een bedrag van € 627,99 aan buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten met wettelijke rente.
reconventionele vorderingingesteld.
De vorderingen in hoger beroep
(1) OSR te veroordelen aan [appellanten] te betalen een bedrag van € 6.887,82, althans een in goede justitie vast te stellen bedrag, te vermeerderen met wettelijke rente,
(2) onder de voorwaarde dat in rechte vaststaat dat tussen partijen algemene voorwaarden zijn overeengekomen, deze algemene voorwaarden te vernietigen, althans te verklaren voor recht dat OSR daarop geen beroep toekomt, en
De beoordeling van het hoger beroep
[appellanten] niet de eigenschappen die voor een normaal gebruik daarvan nodig is en waarvan zij de aanwezigheid niet behoefden te betwijfelen. OSR heeft geweigerd de gemelde klachten over de boot binnen een redelijk termijn te verhelpen, zodat [appellanten] op grond van art. 7:21 lid 6 BW bevoegd waren het herstel door Yacht Service uit te laten voeren. OSR is volgens [appellanten] dan ook gehouden de daaraan verbonden kosten te vergoeden. De omvang van deze kosten is onderbouwd met 4 facturen van Yacht Service.
grieven I tot en met VIzien op de toewijsbaarheid van de gevorderde herstelkosten.
Grieven VII en VIIIzien op de buitengerechtelijke incassokosten en de proceskostenveroordeling.
grief Ikomen [appellanten] op tegen het afwijzen van hun vorderingen op grond van het niet voldaan zijn aan art. 7:21 lid 6 BW. Volgens [appellanten] hebben zij zich ook beroepen op het recht op schadevergoeding in de zin van
materiëlebeoordeling leidt. Dit wordt als volgt toegelicht.
onderdeel b BW is volgens het tweede lid van die bepaling pas mogelijk wanneer – waar het hier om gaat – herstel van de non-conformiteit niet mogelijk is. Dat dit herstel niet mogelijk is geweest, is gesteld noch gebleken.
grieven II en IIIbetogen [appellanten] dat OSR bekend was met de gebreken inzake de bedrading (factuur van 5 april 2022) en het hydraulisch systeem (factuur van 27 april 2022).
bedradingafgewezen omdat niet is voldaan aan het bepaalde in art. 7:21 lid 6 BW. Daarover heeft de kantonrechter het volgende overwogen (r.o. 4.4).
hydraulisch systeemom dezelfde reden afgewezen. Daarover heeft de kantonrechter het volgende overwogen (r.o. 4.5).
“We will now commission the local yacht service tomorrow to rectify the defects”en dat dit vanuit kostenoogpunt in het voordeel van OSR is. Hieruit kan niet worden afgeleid dat [appellanten] van OSR verlangden deze gebreken te herstellen of OSR gelegenheid hebben geboden tot herstel binnen een redelijke tijd.
grief IVbetogen [appellanten] dat uit art. 7:21 lid 7 BW niet voortvloeit dat het op hun weg lag om de transportkosten van de boot van Mallorca naar OSR te betalen. Met
grief Vkomen [appellanten] op tegen het oordeel dat niet kan worden gezegd dat OSR een redelijke termijn heeft gekregen om zelf te beoordelen of te laten beoordelen wat de oorzaak van de klachten was en welke kosten van herstel daaraan verbonden waren, laat staan dat zij de kans heeft gekregen om tot herstel over te gaan. Deze grieven zien op dezelfde onderwerpen: de reparatie van de
boegschroeftunnelen de
transportkosten.
wenstenbetekent niet vanzelfsprekend dat onmiddellijke actie was
vereist.
grief VIkomen [appellanten] op tegen het oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat OSR op enig moment is aangemaand om binnen een redelijke termijn over te gaan tot herstel van het gebrek inzake de brandstoftankventilatieleiding (factuur van 10 november 2022).
brandstoftankventilatieleiding, als volgt.
grief VIIbetogen [appellanten] dat OSR had moeten worden veroordeeld tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten. Met
grief VIII– abusievelijk ook aangeduid als grief VII – betogen [appellanten] dat OSR in de proceskosten had moeten worden veroordeeld.
€ 1.656,--, bestaande uit een griffierecht van € 798,-- en kosten advocaat van € 858,-- (1 punt, tarief I).
De beslissing
- bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van
- veroordeelt [appellanten] in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van OSR tot op heden begroot op € 1.656,-- , te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten als [appellanten] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald]1;
- bepaalt dat als [appellanten] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, [appellanten] de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 92,--, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als [appellanten] deze niet binnen veertien dagen na betekening heeft betaald.