ECLI:NL:GHDHA:2025:2266

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
11 november 2025
Publicatiedatum
29 oktober 2025
Zaaknummer
200.339.462/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Consumentenkoop van een boot met gebreken en herstelkosten

In deze zaak gaat het om een hoger beroep van appellanten tegen Outboard Shop Rotterdam B.V. (OSR) over de gebreken aan een in oktober 2021 gekochte boot. De boot, gekocht voor € 65.000, werd op 24 maart 2022 geleverd en vertoonde verschillende gebreken na de levering. Appellanten hebben facturen overgelegd van een lokale jachtservice in Mallorca voor reparaties aan de boot, maar OSR heeft geweigerd de kosten te vergoeden. In eerste aanleg zijn de vorderingen van appellanten afgewezen, waarna zij in hoger beroep het vonnis hebben bestreden. Het hof heeft geoordeeld dat appellanten niet hebben voldaan aan de eisen van artikel 7:21 lid 6 BW, dat vereist dat de verkoper binnen een redelijke termijn in de gelegenheid moet worden gesteld om gebreken te herstellen. Het hof heeft vastgesteld dat OSR niet tijdig is aangemaand om de gebreken te verhelpen, waardoor de vorderingen van appellanten niet toewijsbaar zijn. Het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter en veroordeelt appellanten in de proceskosten van het hoger beroep.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.339.462/01
Rolnummer rechtbank : 10418827 CV EXPL 23-8819

Arrest van 11 november 2025

in de zaak van
1.
[appellant 1],
wonende te [woonplaats],
2.
[appellant 2],
wonende te [woonplaats],
appellanten,
hierna te noemen: [appellanten],
advocaat: mr. F.H.I. Hundscheid te Sittard,
tegen
Outboard Shop Rotterdam B.V. mede handelend onder de naam “Outboard Shop”en
“Outboard Shop Rotterdam”,
gevestigd te Rotterdam,
geïntimeerde,
hierna te noemen: OSR,
advocaat: mr. W.J.M. van Ophuizen te Ochten.

Het geding in hoger beroep

1. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
  • het arrest van 14 mei 2024;
  • de memorie van grieven van [appellanten];
  • de memorie van antwoord van OSR (met productie).

De feiten

2. Het gaat om de volgende feiten.
2.1
In oktober 2021 hebben [appellanten] een boot gekocht bij OSR voor een bedrag van € 65.000,-- (hierna: de boot), De boot is op 24 maart 2022 geleverd, waarna deze door [appellanten] naar Mallorca is vervoerd en daar op 26 maart 2022 te water is gelaten.
2.2
Door Yacht Service Port d'Andrax (hierna: Yacht Service) op Mallorca zijn
reparaties aan de boot uitgevoerd. Hiervoor hebben [appellanten] facturen ontvangen, namelijk (a) een factuur van 5 april 2022 voor onder andere een reparatie van losse bedrading voor een bedrag van € 448.31, (b) een factuur van 27 april 2022 voor een reparatie van het hydraulisch systeem voor een bedrag van € 1.082.83, (c) een factuur van 12 juli 2022 voor een reparatie van een lekkage voor een bedrag van € 3.659,05 en (d) een factuur van 10 november 2022 voor een reparatie aan de brandstoftank voor een bedrag van € 1.069,64.

De procedure in eerste aanleg

3. [appellanten] vorderden in eerste aanleg
in conventiebetaling door OSR van een bedrag van € 6.259,83 aan hoofdsom, een bedrag van € 627,99 aan buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten met wettelijke rente.
4. OSR heeft in eerste aanleg een
reconventionele vorderingingesteld.
5. De kantonrechter heeft de vorderingen in conventie en in reconventie afgewezen en de proceskosten gecompenseerd.

De vorderingen in hoger beroep

6. In principaal hoger beroep vorderen [appellanten] het bestreden vonnis te vernietigen en alsnog rechtdoende:
(1) OSR te veroordelen aan [appellanten] te betalen een bedrag van € 6.887,82, althans een in goede justitie vast te stellen bedrag, te vermeerderen met wettelijke rente,
(2) onder de voorwaarde dat in rechte vaststaat dat tussen partijen algemene voorwaarden zijn overeengekomen, deze algemene voorwaarden te vernietigen, althans te verklaren voor recht dat OSR daarop geen beroep toekomt, en
(3) OSR te veroordelen in de proceskosten van beide instanties, te vermeerderen met wettelijke rente.
7. OSR vorderen het bestreden vonnis te bekrachtigen, met de hoofdelijke veroordeling van [appellanten] in de proceskosten van beide instanties, de nakosten daaronder begrepen.

De beoordeling van het hoger beroep

Inleiding
8. [appellanten] vorderen de kosten van herstel van gebreken die zien op (a) de bedrading, (b) het hydraulisch systeem, (c) de boegschroeftunnel en (d) de brandstoftankventilatieleiding van de boot. Door deze gebreken bezit de boot volgens
[appellanten] niet de eigenschappen die voor een normaal gebruik daarvan nodig is en waarvan zij de aanwezigheid niet behoefden te betwijfelen. OSR heeft geweigerd de gemelde klachten over de boot binnen een redelijk termijn te verhelpen, zodat [appellanten] op grond van art. 7:21 lid 6 BW bevoegd waren het herstel door Yacht Service uit te laten voeren. OSR is volgens [appellanten] dan ook gehouden de daaraan verbonden kosten te vergoeden. De omvang van deze kosten is onderbouwd met 4 facturen van Yacht Service.
9. De kantonrechter heeft de vorderingen van [appellanten] afgewezen en daartoe als volgt overwogen (met verwijzing naar de rechtsoverwegingen van het bestreden vonnis).
9.1
[appellanten] hebben terecht aangevoerd dat moet worden vermoed dat de genoemde gebreken betekenen dat de boot niet aan de overeenkomst beantwoordde en dus non-conform was in de zin van art. 7:17 lid 1 BW
(r.o. 4.2).
9.2
Er wordt veronderstellenderwijs van uitgegaan dat dit vermoeden niet is weerlegd. Er moet dan worden beoordeeld of is voldaan aan de eisen van
art. 7:21 BW (r.o. 4.3).
9.3
De herstelkosten zijn niet toewijsbaar omdat [appellanten] niet hebben voldaan aan de eis van art. 7:21 lid 6 BW, die inhoudt dat OSR de gebreken binnen een redelijke tijd moet kunnen herstellen nadat zij daartoe door [appellanten] schriftelijk is aangemaand (r.o. 4.4 tot en met 4.9).
De grieven
10. De
grieven I tot en met VIzien op de toewijsbaarheid van de gevorderde herstelkosten.
Grieven VII en VIIIzien op de buitengerechtelijke incassokosten en de proceskostenveroordeling.
Herstelkosten
11. Met
grief Ikomen [appellanten] op tegen het afwijzen van hun vorderingen op grond van het niet voldaan zijn aan art. 7:21 lid 6 BW. Volgens [appellanten] hebben zij zich ook beroepen op het recht op schadevergoeding in de zin van
art. 7:24 BW en art. 6:74 lid 1 BW, alsmede op het recht op prijsvermindering in de zin van art. 7:22 lid 1 aanhef en onderdeel b BW.
12. Deze grief faalt, omdat de toepassing van de genoemde wetsbepalingen niet tot een andere, voor [appellanten] gunstiger
materiëlebeoordeling leidt. Dit wordt als volgt toegelicht.
12.1
In art. 7:24 lid 1 BW is bepaald dat indien op grond van een consumentenkoop een zaak is afgeleverd die niet de eigenschappen bezit die de koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten, de koper recht heeft op schadevergoeding overeenkomstig de afdelingen 9 en 10 van titel 1 van Boek 6 BW. Daartoe zijn een toerekenbare tekortkoming (art. 6:74 lid 1 BW) en indien de prestatie niet blijvend onmogelijk is ook verzuim (art. 6:74 lid 2 BW) van de verkoper vereist.
 Dat sprake is van een toerekenbare tekortkoming van OSR is gesteld noch gebleken. Hierdoor faalt een beroep op art. 6:74 BW al.
 Daar komt nog bij dat, ook als wordt aangenomen dat bij de gestelde gebreken sprake is van een toerekenbare tekortkoming van OSR, er geen sprake is van verzuim. Voor verzuim is – behoudens de hier niet aan de orde zijnde gevallen van art. 6:83 BW - een ingebrekestelling nodig. Volgens art. 6:82 lid 1 BW is een ingebrekestelling een schriftelijke aanmaning waarbij de schuldenaar een redelijke termijn voor nakoming wordt gesteld. De beoordeling daarvan is materieel hetzelfde als het stellen van een termijn voor nakoming van art. 7:21 lid 6 BW. OSR heeft zich erop beroepen dat haar geen redelijke termijn is gesteld om tot herstel van de gebreken over te gaan. Dit verweer wordt hierna per klacht besproken.
12.2
In art. 7:24 lid 2 BW is bepaald dat als de tekortkoming bestaat in een gebrek als bedoeld in afdeling 3 van titel 3 van Boek 6 BW, die gaat over productaansprakelijkheid, de verkoper niet aansprakelijk is behalve in de onderdelen a tot en met c van art. 7:24 lid 2 BW genoemde gevallen. Een betoog langs deze lijn is door [appellanten] niet gehouden. Het hof zal daar dan ook verder niet op ingaan. Ook anderszins is niet gebleken dat OSR op deze grondslag aansprakelijk is.
12.3
Een beroep op prijsvermindering op grond van art. 7:22 aanhef en
onderdeel b BW is volgens het tweede lid van die bepaling pas mogelijk wanneer – waar het hier om gaat – herstel van de non-conformiteit niet mogelijk is. Dat dit herstel niet mogelijk is geweest, is gesteld noch gebleken.
Bedrading en hydraulisch systeem
13. Met de
grieven II en IIIbetogen [appellanten] dat OSR bekend was met de gebreken inzake de bedrading (factuur van 5 april 2022) en het hydraulisch systeem (factuur van 27 april 2022).
13. De kantonrechter heeft de vordering inzake de
bedradingafgewezen omdat niet is voldaan aan het bepaalde in art. 7:21 lid 6 BW. Daarover heeft de kantonrechter het volgende overwogen (r.o. 4.4).
14.1.
Niet kan worden vastgesteld dat [appellanten] OSR concreet over de klacht hebben geïnformeerd. Dat blijkt niet uit de overgelegde mailcorrespondentie tussen partijen.
14.2.
En al aangenomen dat de klacht wel is gemeld in een mail van 27 maart 2022. zoals gesteld, dan staat vast dat OSR niet enige kans, laat staan een redelijke termijn, heeft gekregen om tot herstel over te gaan, omdat de reparatie volgens de factuur van 5 april 2002 al op 28 maart 2022 is uitgevoerd.
15. De kantonrechter heeft de vordering inzake het
hydraulisch systeemom dezelfde reden afgewezen. Daarover heeft de kantonrechter het volgende overwogen (r.o. 4.5).
15.1
OSR betwist dat zij met een dergelijke klacht bekend was. Dat dit anders is kan niet uit de stukken worden opgemaakt.
15.2
Als [appellanten] OSR al op de hoogte hebben gesteld dan is dat achteraf gebeurd.
16. Daartegen hebben [appellanten] ingebracht dat wel is voldaan aan het bepaalde in
art. 7:21 lid 6 BW, om de volgende redenen.
16.1.
De gebreken inzake de bedrading en het hydraulisch systeem zijn aan de orde gesteld in het bericht van [appellanten] van 27 maart 2002. [appellanten] hebben OSR toen uitdrukkelijk uitgenodigd om met voorstellen te komen.
16.2.
Daarop heeft OSR negatief gereageerd. In de reactie van OSR beweert ze dat er van gebreken geen sprake was. De boot zou perfect zijn.
16.3.
[appellanten] behoefden in dit stadium niet exact aan te geven wat de aard en de omvang van de geconstateerde mankementen waren. Van belang is dat OSR als deskundig zou moeten kunnen worden beschouwd en dat dit niet voor [appellanten] geldt.
17. Deze grieven falen omdat de strekking van de e-mail van 27 maart 2022 niet als een aanmaning tot herstel kan worden aangemerkt. Het hof licht dit toe.
17.1.
Deze email luidt voor zover relevant als volgt:
“Hello Dirk,
After a long journey, we have successfully arrived in Mallorca and yesterday we unloaded the boat and launched it.
Unfortunately, some defects became apparent during the first start-up, which we hereby complain about.
The bow thruster does not work, it switches but the propeller does not turn.
The holders for the two flags are mounted in the wrong direction. You can only insert the flag poles in one direction, the flags then point forwards instead of backwards.
When we opened the sunshade, we discovered that you had not attached any ropes to fix it at the back and front. You had promised this as part of the purchase.
The displays, e.g. for the fuel level, on the one hand in the round instruments and on the other hand in the Mercury display, show different values, they are obviously not synchronised.
We are very disappointed that at first glance there are a lot of defects. We will now commission the local yacht service tomorrow to rectify the defects and have the boat completely checked again. We hope there will be no further defects.
[…]
We have a question about the electrical installation: Which switch position of the batteries should be set for operation with shore power?
[…]
Please answer the questions quickly. If you have any information on the above-mentioned deficiencies that could simplify the repairs, we will be happy to pass this on to the yacht service department in order to keep the effort and the resulting costs low in your interest.”
17.2.
In deze e-mail is te lezen dat [appellanten] de plaatselijke jachtwerf zullen inschakelen om de gestelde gebreken te herstellen. Immers
“We will now commission the local yacht service tomorrow to rectify the defects”en dat dit vanuit kostenoogpunt in het voordeel van OSR is. Hieruit kan niet worden afgeleid dat [appellanten] van OSR verlangden deze gebreken te herstellen of OSR gelegenheid hebben geboden tot herstel binnen een redelijke tijd.
17.3.
Van belang is verder dat in deze e-mail niet wordt geklaagd over de bedrading, zodat OSR daar niet van op de hoogte was. Niettemin blijkt uit de factuur van
5 april 2022 dat de reparatie van de bedrading al de dag na de e-mail, namelijk op 28 maart 2022, door een derde heeft plaatsgevonden.
Boegschroeftunnel en de transportkosten.
18. Met
grief IVbetogen [appellanten] dat uit art. 7:21 lid 7 BW niet voortvloeit dat het op hun weg lag om de transportkosten van de boot van Mallorca naar OSR te betalen. Met
grief Vkomen [appellanten] op tegen het oordeel dat niet kan worden gezegd dat OSR een redelijke termijn heeft gekregen om zelf te beoordelen of te laten beoordelen wat de oorzaak van de klachten was en welke kosten van herstel daaraan verbonden waren, laat staan dat zij de kans heeft gekregen om tot herstel over te gaan. Deze grieven zien op dezelfde onderwerpen: de reparatie van de
boegschroeftunnelen de
transportkosten.
18. De kantonrechter heeft daarover als volgt geoordeeld (r.o. 4.6 tot en met 4.8).
19.1.
De reparatie van de boegschroeftunnel zou nodig zijn geweest vanwege een lekkage.
19.2.
[appellanten] hebben deze klacht bij mail van 8 juni 2022 aan OSR gemeld, waarna OSR heeft laten weten dat zij de boot op haar werf in Rotterdam wil bekijken. Vervolgens is gecorrespondeerd over de vraag wie de transportkosten moet betalen. Daar zijn partijen niet uitgekomen, zodat de boot op Mallorca is gebleven.
19.3.
In dit verband hebben [appellanten] gewezen op art. 7:21 lid 7 BW waarin staat dat bij een consumentkoop de verkoper de zaak voor herstel op zijn kosten terugneemt. Volgens [appellanten] diende OSR op die grond de transportkosten te betalen.
19.4.
Dat standpunt wordt niet gevolgd. [appellanten] hebben zelf ervoor gekozen de boot naar Mallorca te vervoeren. Als de boot dan terug zou moeten naar Nederland brengt een redelijke uitleg van genoemde bepaling mee dat het op hun weg zou hebben gelegen de kosten daarvan te betalen.
19.5.
Toen duidelijk was dat de boot niet naar Rotterdam zou komen, heeft OSR, zo blijkt uit een mail van 15 juni 2022, voorgesteld een locale reparatiewerf de opdracht te geven om een uitgebreid rapport, met foto’s, te maken met betrekking tot de klachten die [appellanten] hadden met daarbij het verzoek om OSR op de hoogte te houden van de voortgang en kosten als [appellanten] besluiten de werf de reparties te laten uitvoeren.
19.6.
Vervolgens heeft OSR op 5 juli 2022 via [appellanten] een offerte van de uit te voeren reparaties van Yacht Service ontvangen.
19.7.
In reactie hierop heeft OSR bij email van 12 juli 2022 aan [appellanten] bericht dat de dealer van het merk van de boot die op Mallorca zit, zal komen kijken en dat zal worden doorgegeven wanneer dat zal gebeuren.
19.8.
[appellanten] heeft daarna op 13 juli 2022 laten weten dat de reparaties al op 12 juli 2022 waren uitgevoerd.
19.9.
Bij deze stand van zaken kan niet worden gezegd dat OSR een redelijke termijn heeft gekregen om zelf te beoordelen of te laten beoordelen wat de oorzaak van de klachten waren en welke kosten van herstel daaraan waren verbonden, laat staan dat zij de kans heeft gekregen om tot herstel over te gaan. Het kan zijn dat al enige tijd was verstreken nadat de klacht was gemeld en dat de communicatie van de kant van OSR misschien wat duidelijker en sneller had gekund.
19.10.
Dit doet echter niets af aan de vaststelling dat op 5 juli 2022 nog een offerte aan OSR is gestuurd en dat daarop geen akkoord is gegeven, maar het bericht dat de dealer komt kijken. Dat bericht is een week later verstuurd. Van die termijn kan bezwaarlijk worden gezegd dat [appellanten] daarop in redelijkheid niet hadden kunnen wachten, nog daargelaten dat OSR onweersproken heeft toegelicht dat na ontvangst van de offerte eerst overleg is gevoerd met de fabriek. De conclusie is daarom dat ook wat betreft de kosten van deze reparaties moet worden vastgesteld dat niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 7:21 lid 6 BW en dat de grondslag voor een vergoeding van die kosten ontbreekt.
20. Daartegen hebben [appellanten] aangevoerd dat OSR geen transport van de boot naar Rotterdam had mogen verlangen en had moeten instemmen met herstel ter plaatse in Mallorca. Dat hebben zij als volgt toegelicht.
20.1.
De vraag of de boot nu wel of niet terug moet naar Nederland laat de kantonrechter onbeantwoord.
20.2.
[appellanten] hebben niet gevraagd om herstel van de boot in Nederland. Zij hebben nu juist gewezen op een veel goedkopere en snellere optie: het herstel van de boot bij een plaatselijk botenreparatiebedrijf.
20.3.
OSR eiste alleen dat de boot naar Nederland zou worden overgebracht: in de eerste plaats om de boot in haar werkplaats aan een inspectie te kunnen onderwerpen en heel misschien om de boot (deels) te herstellen.
20.4.
Wanneer OSR voor een dure aanpak kiest, zal zij ook de daarmede gemoeide kosten hebben te dragen.
20.5.
Het recht op herstel impliceert dat de kosten van het herstel en eventuele bijkomende kosten (transport) voor rekening van de verkoper komen.
20.6.
OSR had geen overbrenging van de boot naar Rotterdam mogen eisen, omdat een verkoper verplicht is binnen een redelijke termijn en zonder ernstige overlast de zaak te herstellen (art. 7:21 lid 3 BW). Het is evident dat de overbrenging van de boot naar Rotterdam grote overlast (met veel tijdverlies en hoge transportkosten) voor [appellanten] zou veroorzaken, zodat OSR had moeten kiezen voor een wijze van herstel, die veel eenvoudiger, goedkoper en sneller was.
20.7.
[appellanten] hebben bij email van 8 juni 2022 aan OSR gemeld dat er onmiddellijk actie moest worden ondernomen. Dat heeft OSR niet gedaan.
20.8.
Omdat onmiddellijke actie was vereist stond het [appellanten] vrij om zelf tot herstel over te gaan.
21. Grief IV faalt, omdat niet goed is onderbouwd welk doel de grief heeft. Dit oordeel wordt als volgt toegelicht. Niet is toegelicht welke consequentie(s) het vernietigen van het bestreden oordeel over de transportkosten (hiervoor onder 19.4 weergegeven) zou moeten hebben. Er zijn geen transportkosten gevorderd. De rechtbank heeft dus ook niet geoordeeld of deze moeten worden toe-of afgewezen. De rechtbank heeft geoordeeld over wie de transportkosten zou moeten betalen als deze zouden zijn gemaakt. Deze kosten zijn niet gemaakt, omdat OSR (uiteindelijk) bereid was de boot ter plekke te laten onderzoeken en daarover een rapport op te laten maken. Of de (aanvankelijke) eis van OSR dat de boot naar Nederland zou worden overgebracht al dan niet redelijk was, is in dat licht niet relevant.
21. Grief V faalt ook. De kantonrechter heeft, als gezegd, geoordeeld dat aan OSR geen redelijke termijn is gegeven om zelf te beoordelen of te laten beoordelen wat de oorzaak van de klachten waren en welke kosten van herstel daaraan waren verbonden, laat staan dat zij de kans heeft gekregen om tot herstel over te gaan. Het hof is het eens met dit oordeel en de overwegingen die de kantonrechter aan dat oordeel ten grondslag heeft gelegd. Het oordeel van de kantonrechter is dus ook het oordeel van het hof. Wat met de grief is aangevoerd werpt geen ander licht op de zaak. Het hof verwerpt het standpunt van [appellanten] dat onmiddellijke actie was vereist en – kennelijk – de voorgestelde handelwijze van OSR dus niet kon worden afgewacht. Dat is onvoldoende toegelicht. Het feit dat [appellanten] onmiddellijke actie
wenstenbetekent niet vanzelfsprekend dat onmiddellijke actie was
vereist.
Brandstoftankventilatieleiding
23. Met
grief VIkomen [appellanten] op tegen het oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat OSR op enig moment is aangemaand om binnen een redelijke termijn over te gaan tot herstel van het gebrek inzake de brandstoftankventilatieleiding (factuur van 10 november 2022).
23. Deze grief komt op tegen r.o. 4.9 van het bestreden vonnis, waarin is geoordeeld over de factuur ter zake van de
brandstoftankventilatieleiding, als volgt.
24.1.
De reparatie was volgens [appellanten] nodig vanwege een benzinegeur.
24.2.
Uit de overgelegde correspondentie volgt dat OSR in een mail van 20 juli 2022 over die geur is geïnformeerd, dat zij daarop heeft gereageerd op 27 juli 2022 met een mogelijke oorzaak van het probleem en dat [appellanten] dezelfde dag hebben laten weten dat dat niet de oorzaak kan zijn.
24.3.
Door OSR is onbetwist aangevoerd dat zij daarna niets meer heeft gehoord over de klacht tot het moment dat zij werd geconfronteerd met de onderhavige vordering. Niet kan dan ook worden vastgesteld dat OSR op enig moment is aangemaand om binnen een redelijke termijn tot herstel van de klacht over te gaan, zodat niet is voldaan aan het bepaalde in art. 7:21 lid 6 BW.
25. Daartegen hebben [appellanten] het volgende ingebracht.
25.1.
Wat is betoogd ter toelichting op de vorige grieven, geldt ook ten aanzien van deze grief.
25.2.
In rechte staat vast dat [appellanten] op 20 en 27 juli 2022 bij OSR hebben geklaagd. Omdat OSR eerder geweigerd had om tot herstel over te gaan, terwijl zij daartoe wel verplicht was, was een aanmaning in het kader van artikel 7:21 lid 6 BW niet meer vereist.
26. De grief faalt. Het hof is het met het oordeel van de kantonrechter eens en met de overwegingen die daaraan ten grondslag zijn gelegd. Het oordeel van de kantonrechter is dus ook het oordeel van het hof. Wat met de grief is aangevoerd werpt geen ander licht op de zaak.
Buitengerechtelijke incassokosten en proceskostenveroordeling
27. Met
grief VIIbetogen [appellanten] dat OSR had moeten worden veroordeeld tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten. Met
grief VIII– abusievelijk ook aangeduid als grief VII – betogen [appellanten] dat OSR in de proceskosten had moeten worden veroordeeld.
27. Deze grieven falen, alleen al omdat de hoofdvordering van [appellanten] niet toewijsbaar is.
Slotsom
29. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep faalt. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. Dat geldt ook voor de compensatie van de proceskosten in eerste aanleg. OSR vordert in hoger beroep dat [appellanten] in die kosten worden veroordeeld, maar heeft dat niet onderbouwd. Debat daarover heeft in hoger beroep niet plaatsgevonden.
29. Het bewijsaanbod van [appellanten] dient als te vaag – nu het onvoldoende duidelijk is betrokken op voldoende geconcretiseerde stellingen – dan wel niet ter zake dienende - nu geen feiten zijn gesteld die, indien bewezen, tot andere oordelen aanleiding kunnen geven - te worden gepasseerd.
31. [appellanten] zullen als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep zoals door OSR gevorderd. Deze bedragen in totaal
€ 1.656,--, bestaande uit een griffierecht van € 798,-- en kosten advocaat van € 858,-- (1 punt, tarief I).

De beslissing

Het hof:
  • bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van
  • veroordeelt [appellanten] in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van OSR tot op heden begroot op € 1.656,-- , te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten als [appellanten] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald]1;
  • bepaalt dat als [appellanten] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, [appellanten] de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 92,--, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als [appellanten] deze niet binnen veertien dagen na betekening heeft betaald.
Dit arrest is gewezen door mrs. R.S. van Coevorden, H.J. van Harten en M.C.M. van Dijk en is ondertekend en in het openbaar uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 november 2025 in aanwezigheid van de griffier.