Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd van € 75,40, inclusief kosten voor het opleggen van de aanslag. Na afwijzing van het bezwaar door de Heffingsambtenaar stelde belanghebbende beroep in bij de Rechtbank, die het beroep ongegrond verklaarde. Hiertegen stelde belanghebbende hoger beroep in bij het Gerechtshof Den Haag.
Tijdens de zitting nam de Heffingsambtenaar het standpunt in dat de naheffingsaanslag op grond van coulancebeleid vernietigd moest worden. Het hof verklaarde het hoger beroep gegrond en vernietigde zowel de uitspraak van de Rechtbank als de uitspraak op bezwaar en de naheffingsaanslag zelf.
Daarnaast veroordeelde het hof de Heffingsambtenaar tot vergoeding van de door belanghebbende gemaakte proceskosten van € 2.137,50 en de griffierechten van € 193 die betaald waren voor de behandeling in beroep en hoger beroep. De uitspraak werd op 29 oktober 2025 in het openbaar uitgesproken.