ECLI:NL:GHDHA:2025:2396

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
19 november 2025
Publicatiedatum
18 november 2025
Zaaknummer
BK-24/894
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 229b GemeentewetArt. 2.1 WaboArt. 229 Gemeentewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling kostendekkendheid leges omgevingsvergunning gemeente Alphen aan den Rijn 2022

Belanghebbende heeft een omgevingsvergunning aangevraagd voor een logistiek centrum met een bouwkostenschatting van €45 miljoen. De Heffingsambtenaar legde een aanslag leges van €500.000 op, het maximumtarief volgens de gemeentelijke Legesverordening 2022. Belanghebbende betwistte de aanslag en stelde dat de tarieven zodanig waren vastgesteld dat de geraamde baten de lasten overschreden, wat in strijd zou zijn met de Gemeentewet.

De rechtbank oordeelde dat de Heffingsambtenaar onvoldoende inzicht had gegeven in de ramingen van de baten en lasten en vernietigde de aanslag. In hoger beroep heeft de Heffingsambtenaar nadere stukken en toelichtingen overgelegd, waaronder een overzicht van de geraamde kosten en baten en een toelichting op de onzekerheden bij het ramen van de bouwlegesopbrengsten, mede door de coronapandemie en de invoering van de Omgevingswet.

Het gerechtshof stelde vast dat de Heffingsambtenaar hiermee voldoende inzicht had gegeven in de ramingen en dat de gemeente voorzichtig te werk was gegaan. Belanghebbende had onvoldoende gemotiveerd gesteld dat er redelijke twijfel bestond over de hoogte van de ramingen. Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en bevestigde de aanslag leges. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de aanslag leges omgevingsvergunning 2022 en vernietigt het vonnis van de rechtbank.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-24/894

Uitspraak van 19 november 2025

in het geding tussen:

[X] B.V. te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: G. van der Linden)
en

de Heffingsambtenaar van de gemeente Alphen aan den Rijn, de Heffingsambtenaar,

(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van de Heffingsambtenaar tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 30 augustus 2024, nummer SGR 23/4459.

Procesverloop

1.1.
De Heffingsambtenaar heeft bij schriftelijke kennisgeving van belanghebbende € 500.000 aan leges omgevingsvergunning geheven (de aanslag).
1.2.
Bij uitspraak op bezwaar heeft de Heffingsambtenaar het tegen de aanslag gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. In verband daarmee is een griffierecht van € 365 geheven. De Rechtbank heeft als volgt beslist, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Heffingsambtenaar als verweerder:
“De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vernietigt de aanslag en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.998;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 365 aan eiseres te vergoeden.”
1.4.
De Heffingsambtenaar heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. De Heffingsambtenaar heeft op 25 september 2025 een nader stuk ingediend. Belanghebbende heeft op 1 oktober 2025 een pleitnota ingediend.
1.5.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van 9 oktober 2025. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.
Belanghebbende heeft op 18 februari 2022 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het bouwen van een logistiek centrum met kantoren en het aanleggen van een in- en uitrit aan de [straat] in [woonplaats] . In de aanvraag heeft belanghebbende de bouwkosten geschat op € 45.000.000, exclusief omzetbelasting.
2.2.
Voor het in behandeling nemen van de aanvraag heeft de Heffingsambtenaar de aanslag met dagtekening 25 mei 2022 opgelegd ten bedrage van € 500.000 (het maximumtarief). Overeenkomstig de aanvraag van de vergunning zijn de bouwkosten gesteld op € 45.000.000, exclusief omzetbelasting.
2.3.
De Heffingsambtenaar heeft in beroep een overzicht overgelegd van de geraamde baten en de geraamde lasten vanwege de diensten die zijn opgenomen in de Legesverordening 2022, afkomstig uit de primitieve Programmabegroting en na de wijzigingen van de Programmabegroting:
2.4.
In hoger beroep heeft de Heffingsambtenaar het volgende overzicht overgelegd van de voor het jaar 2022 nader begrote directe kosten, loonkosten, overheadkosten en opbrengst van de met leges belaste diensten van de gemeente, waaronder die met betrekking tot de Fysieke leefomgeving/omgevingsvergunning (titel 2 van de begroting) uitgesplitst per hoofdstuk van titel 2: Vooroverleg/beoordeling conceptaanvraag, Omgevingsvergunning, Vermindering/teruggaaf, Intrekking omgevingsvergunning, Bestemmingswijzigingen en overige in titel 2 niet genoemde beschikkingen:
2.5.
De Heffingsambtenaar heeft in hoger beroep in zijn nader stuk de volgende toelichting op de raming van de legesbaten voor het jaar 2022 gegeven:

“Baten

Zoals uit de begroting 2022 blijkt komen de begrote baten niet uit boven de lasten.
In dit kader heeft te gelden dat naar vaste jurisprudentie bij de raming voorzichtigheid door een gemeente mag worden betracht. Uit navraag bij de financiële afdeling die zorg heeft gedragen voor de bundeling van de gegevens voor het opstellen van de (producten)begroting is gebleken dat gemeente ook in de betreffende jaren voorzichtig is geweest met raming van de baten. Dit komt mede voort uit de periode van de bouwcrisis en de naweeën daarvan, waarbij over meerdere jaren tekorten werden gerealiseerd op de bouwlegesbaten.
De afdeling heeft, mede gelet op het beroep, nader toegelicht dat het aantal verleende omgevingsvergunningen fluctueerde binnen de periode 2018-2022. Wel vielen de aantallen binnen een bandbreedte van 550 tot 650 verleende vergunningen per jaar. Ook de hoogte van de bouwsommen fluctueerden gedurende die periode, waardoor er geen eenduidige trend gedestilleerd kan worden. Het begroten van de aantallen en bouwsommen kon daarom vooraf niet nauwkeuriger worden bepaald en dit is ook de reden dat er voorzichtigheid werd betracht bij het ramen van de baten.
Bij het vaststellen van de begroting is derhalve wel degelijk gekeken naar aantal aanvragen en de gemiddelde bouwsom en de uiteenzetting heeft geleid tot de geprognotiseerde baten. De baten werden dan ook niet geïndexeerd of automatisch uit voorgaande jaren meegenomen. De afweging daaromtrent werd bij het vaststellen van de begroting gedaan en dit heeft uiteindelijk geresulteerd in het vaststellen van de begrote baten door de raad.
Voor de begroting van het jaar 2022 geldt dat medio 2021 een aanvang is genomen met het opstellen daarvan, derhalve in de coronapandemie met veel onzekerheid over de economische activiteiten waaronder de bouw en inframarkt. Een aanzienlijk aantal (grote) bouwprojecten lag stil of kende weinig voortgang. Ook bleek dat er gedurende de lockdowns veel aanvragen werden ingediend, maar wel voor kleinschalige bouwplannen of verbouwingen van huizen. Deze trend wijzigde weer in de loop van 2022 mede door de enorme inflatie en schaarste van materiaal en personeel. De ontwikkeling van de bouw en infra is daarna ook sterk veranderd vanwege de verhoogde woningbouwopgave sinds een aantal jaren. Al met al lijkt het logisch dat medio 2021 met de hoogst mogelijke voorzichtigheid zou moeten worden geraamd.
Ook met de kennis van nu kan worden geconcludeerd dat de markt van de bouw en infra in de afgelopen 12 jaar enorm sterk heeft gefluctueerd en dat voorzichtig ramen geboden is.
In een relatief korte periode is de economische crisis opgevolgd door een coronacrisis en staan wij nu voor een enorm woningbouwtekort met navenante woningbouwopgave. Zelfs de inwerkingtreding van de Omgevingswet heeft vooral in het jaar voor en na inwerkingtreding voor een enorme verschuiving van baten en lasten geleid. (…)
Dat er over de betreffende jaren gemiddeld circa een bedrag van circa € 1.000.000 meer aan baten zijn gerealiseerd, maakt niet dat de gemeente niet in redelijkheid tot de begrote baten heeft kunnen komen. In het betreffende jaar kwamen de gerealiseerde baten eveneens niet boven de gerealiseerde lasten. De kostendekkendheid in de voornoemde periode lag ruim onder de 100% en er is nimmer sprake geweest van een overschrijding van de opbrengstlimiet. De lasten waren altijd hoger dan de gerealiseerde baten.”

Verordening en Tarieventabel

3.1.
De Legesverordening 2022 van de gemeente Alphen aan de Rijn luidt, voor zover van belang:

Artikel 2 Belastbaar Pro feit

Onder de naam 'leges' worden rechten geheven voor:
1 a. het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten;
(…)

Artikel 3 Belastingplicht Pro

Belastingplichtig is de aanvrager van de dienst (…) dan wel degene ten behoeve van wie de dienst is verleend of de handelingen zijn verricht.
(…)

Artikel 5 Maatstaven Pro van heffing en tarieven

1 De leges worden geheven naar de maatstaven en tarieven, opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel.
(…)
3 Voor de berekening van de leges wordt een gedeelte van een in de tarieventabel genoemde eenheid als een volle eenheid aangemerkt.

Artikel 6 Wijze Pro van heffing

De leges worden geheven door middel van een mondelinge dan wel een gedagtekende schriftelijke kennisgeving, waaronder mede wordt begrepen een stempelafdruk, zegel, nota of andere schriftuur. Het gevorderde bedrag wordt mondeling, dan wel door toezending of uitreiking van de schriftelijke kennisgeving aan de belastingschuldige bekendgemaakt.”
3.2.
De Tarieventabel behorende bij de Legesverordening 2022 (de Tarieventabel) luidt als volgt:

“Titel 2 Dienstverlening vallend onder fysieke leefomgeving/omgevingsvergunning

(…)
Hoofdstuk 3
Omgevings-vergunning
(…)
2.3.1
Bouwactiviteiten
Indien de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo, bedraagt het tarief:
(…)
2.3.1.3
indien de bouwkosten meer dan € 1.000.000 bedragen
€ 21.945,60
vermeerderd met
1,95% van het bedrag waarmee de bouwkosten € 1.000.000 te boven gaan, met een maximum van € 500.000 (…)”

Oordeel van de Rechtbank

4. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Heffingsambtenaar als verweerder:
“7. Artikel 229b, eerste lid, van de Gemeentewet luidt als volgt:

In verordeningen op grond waarvan rechten als bedoeld in artikel 229, eerste lid, onder a en b, worden geheven, worden de tarieven zodanig vastgesteld dat de geraamde baten van de rechten niet uitgaan boven de geraamde lasten ter zake.”
8. De Hoge Raad heeft onder meer in zijn arresten van 24 april 2009[1], 4 april 2014[2] en 18 april 2014[3] een aantal regels inzake de stelplicht en bewijslast geformuleerd die in acht moeten worden genomen bij de beoordeling van een geschil over de overschrijding van de opbrengstlimiet. Als eiseres aan de orde stelt dat de tarieven in de Tarieventabel zodanig zijn vastgesteld dat de geraamde baten de geraamde kosten hebben overschreden, dient verweerder inzicht te verschaffen in de betreffende ramingen (de eerste stap). Verder moet verweerder, voor zover eiseres gemotiveerd in twijfel trekt of bepaalde baten op de juiste bedragen zijn geraamd dan wel of bepaalde kosten (volledig) als lasten ter zake in aanmerking kunnen worden genomen, daarover nadere inlichtingen verstrekken, teneinde - naar vermogen - deze twijfel weg te nemen (de tweede stap).
9. In de eerste stap moet verweerder (slechts) inzichtelijk maken op welke wijze de baten en de kosten zijn geraamd. Hij hoeft dus in de eerste stap niet te bewijzen dat de baten en de kosten op de juiste bedragen zijn geraamd. Verweerder heeft een overzicht van de geraamde kosten en baten over het jaar 2022 overgelegd met de naam “berekening kostendekkendheid van de leges.” Dit overzicht bestaat uit één pagina in de vorm van een tabel, waarin eerst drie legescategorieën, waaronder bouwleges, zijn uitgesplitst die optellen tot € 9.100.804 aan lasten en € 3.819.692 aan baten. Binnen de legescategorieën zijn de kosten uitgesplitst over een aantal posten en zijn de baten niet uitgesplitst. Voor wat betreft de categorie “bouwleges” tellen deze op tot € 3.848.948 aan lasten, terwijl een bedrag van € 1.927.579 is opgenomen als baten. Het overzicht eindigt met de constatering dat de legesdekking 2022 voor alle legescategorieën 50% of lager is. Verweerder heeft specificaties overgelegd ter onderbouwing van (een deel van) het overzicht.
10. Nu uit het voornoemde overzicht met specificaties noch anderszins blijkt op welke wijze de baten zijn geraamd en verweerder bovendien ter zitting heeft aangevoerd dat hij de baten niet inzichtelijk kan maken, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet voldaan aan de verplichting inzage te verschaffen. Nu verweerder reeds bij stap 1 niet heeft voldaan aan zijn bewijslast, komt de rechtbank derhalve niet meer toe aan stap 2. Door het niet verschaffen van het gevraagde inzicht in de geraamde baten, kan de rechtbank niet vaststellen dat de opbrengstlimiet niet is overschreden. Het betoog van verweerder dat het voorgaande niet relevant is aangezien er geen sprake is van een overschrijding van de opbrengstlimiet omdat de geraamde noch de daadwerkelijk gerealiseerde baten de totaal geraamde en daadwerkelijk gerealiseerde lasten niet overstijgen, leidt niet tot een ander oordeel, nu de rechtbank hiervoor geen steun vindt in de wetsgeschiedenis en in de jurisprudentie.
11. Op grond van het voorgaande dient de verordening partieel onverbindend te worden verklaard[4] ten aanzien van onderdeel 2.3.1. Dit breng mee dat de aanslag dient te worden vernietigd[5].
12. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, dient het beroep gegrond te worden verklaard.
Proceskosten
13. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.998 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 624[6] 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 875 en een wegingsfactor 1).
(…)

Omschrijving geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

5.1.
In hoger beroep is in geschil of de tarieven in de Tarieventabel zodanig zijn vastgesteld dat de geraamde opbrengsten uitgaan boven de geraamde lasten. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend en de Heffingsambtenaar ontkennend.
5.2.
De Heffingsambtenaar concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot bevestiging van de uitspraak op bezwaar.
5.3.
Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank alsmede tot het toekennen van een proceskostenvergoeding voor de hoger beroepsfase.

Beoordeling van het hoger beroep

Zijn de tarieven van de leges omgevingsvergunning in de Tarieventabel zodanig vastgesteld dat de voor het jaar 2022 geraamde baten de voor dat jaar geraamde lasten ter zake te boven gaan?
6.1.
De Rechtbank heeft bij de beantwoording van de vraag of de tarieven van de leges in de Tarieventabel zodanig zijn vastgesteld dat de voor het jaar 2022 geraamde baten de voor dat jaar geraamde lasten ter zake overschrijden, terecht de ‘vuistregels’ gevolgd die de Hoge Raad in de arresten van 4 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1968, en van 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:777, heeft geschetst. Bij de beoordeling van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, zijn eveneens deze vuistregels gehanteerd.
6.2.
Bij de beoordeling staat voorop dat op belanghebbende de last rust te bewijzen dat de voor het jaar 2022 geraamde baten de voor dat jaar geraamde lasten ter zake hebben overschreden. Aan deze bewijslast doen de zo-even genoemde ‘vuistregels’ niet af.
Eerste ‘vuistregel’
6.3.
De eerste ‘vuistregel’ houdt in dat, als de belanghebbende stelt dat voor een bepaald jaar – in dit geval 2022 – de geraamde opbrengsten van de leges de voor dat jaar geraamde lasten ter zake te boven gaan, de heffingsambtenaar inzicht moet verschaffen in de ramingen van de baten en de lasten.
6.4.
De Rechtbank heeft de vraag of de Heffingsambtenaar het genoemde inzicht in de raming van de baten voor het jaar 2022 heeft gegeven, ontkennend beantwoord waarna de Rechtbank de aanslag heeft vernietigd.
6.5.
De Heffingsambtenaar heeft in hoger beroep evenals in beroep aangevoerd dat hij meergenoemd inzicht heeft verschaft. Hij heeft naast de reeds door hem in beroep verstrekte overzichten uit de programmabegroting 2022 en de nader gewijzigde begroting, een overzicht verstrekt van de voor het jaar 2022 nader begrote directe kosten, loonkosten en overheadkosten van de met leges belaste diensten van de gemeente, waaronder die met betrekking tot de Fysieke leefomgeving/omgevingsvergunning (titel 2 van de begroting) uitgesplitst naar de hoofdstukken van titel 2: Vooroverleg/beoordeling conceptaanvraag, Omgevingsvergunning, Vermindering/teruggaaf, Intrekking omgevingsvergunning, Bestemmingswijzigingen en overige beschikkingen (zie 2.4). In dit overzicht zijn tevens de begrote baten van deze titel opgenomen, die ook zijn uitgesplitst in de begrote baten van de hiervoor genoemde hoofdstukken van titel 2. Voorts heeft de Heffingsambtenaar in zijn nader stuk toegelicht dat bij het opstellen van de begroting is uitgegaan van een marge in het aantal bouwaanvragen van 550 tot 650, dat de hoogte van de bouwsommen moeilijk is te voorspellen (zie 2.5) en hij heeft ter zitting verder een toelichting gegeven op de andere onzekerheden waarmee het opstellen van de begroting in 2021 voor het jaar 2022 was omgeven, zoals de coronaperiode en de invoering van de Omgevingswet.
6.6.
In het verweerschrift en in de door haar overgelegde pleitnota heeft belanghebbende erop gewezen dat de Heffingsambtenaar na de uitspraak van de Rechtbank de eerder door hem verstrekte informatie over de geraamde opbrengsten van de leges omgevingsvergunning heeft aangepast en onjuistheden in de eerder door hem verstrekte informatie heeft gecorrigeerd. Bovendien geldt, aldus belanghebbende, dat nu de Heffingsambtenaar voor de Rechtbank heeft verklaard dat hij geen inzicht kan geven in de geraamde opbrengsten, dit in hoger beroep niet meer kan worden hersteld. Aan dit alles verbindt belanghebbende de conclusie dat de Heffingsambtenaar niet heeft voldaan aan zijn verplichting inzicht te verschaffen in de voor 2022 geraamde opbrengsten van de leges omgevingsvergunning.
6.7.
Dit standpunt is niet juist. De plicht van de Heffingsambtenaar om belanghebbende inzicht te verschaffen in (de totstandkoming van) de ramingen van de legesopbrengsten, houdt (ook) in dat hij, als hij constateert dat de eerder door hem verstrekte informatie lacunes vertoont en/of onjuistheden bevat, deze aanvult en/of corrigeert. De herkansingsfunctie van het hoger beroep houdt immers in dat de hogerberoepsrechter de zaak opnieuw beoordeelt en alle aspecten van het proces nogmaals bekijkt. Dit geeft partijen de mogelijkheid om in eerste aanleg gemaakte fouten of onjuistheden te corrigeren en hun zaak opnieuw te presenteren. Dat geldt zowel voor belanghebbende als voor de Heffingsambtenaar. Feiten die, indien aannemelijk bevonden, de stelling van belanghebbende dat de Heffingsambtenaar bij het aanvullen en corrigeren van eerder verstrekte informatie aantoonbaar onjuist of onzorgvuldig heeft gehandeld, zouden kunnen dragen, zijn niet gesteld.
6.8.
Belanghebbende heeft gesteld dat er geen redelijke raming heeft plaatsgevonden van de opbrengsten voor het jaar 2022, nu in de programmabegroting 2022 een overzicht van de raming van de bouwlegesopbrengsten voor de jaren 2021 tot en met 2025 is opgenomen waarin die opbrengsten elk jaar op hetzelfde bedrag zijn gesteld (€ 1.928.000). De Heffingsambtenaar heeft daartegen aangevoerd dat het in dergelijke overzichten slechts gaat om een voorzichtige prognose voor latere jaren die niet ertoe dient om een inzicht te geven in de ramingen voor die latere jaren, omdat die ramingen er dan nog niet zijn. Voor het jaar 2023 is in de begroting bijvoorbeeld € 3.200.000 aan baten vermeld. Voor het jaar 2024 is het door belanghebbende genoemde bedrag van € 1.928.000 ook niet gebruikt.
Voor de eerdere jaren heeft de Heffingsambtenaar ter zitting aangevoerd dat voor elk jaar de situatie is beoordeeld en geraamd, dat in de coronaperiode is geraamd, dat uitgegaan is van de marge van 550 tot 650 aanvragen omdat die marge naar voren kwam uit de realisatie van eerdere jaren, dat rekening is gehouden met de invoering van de Omgevingswet en dat het lastig te voorspellen was hoe hoog de werkelijke opbrengsten zouden worden. Belanghebbende heeft de door de Heffingsambtenaar aangevoerde omstandigheden niet bestreden.
6.9.
De Heffingsambtenaar heeft verder aanvullend gesteld dat de ramingen van bouwlegesopbrengsten met de nodige onzekerheid zijn omgeven omdat het aantal bouwaanvragen jaarlijks varieert in een bandbreedte van 550 tot 650 aanvragen, dat dit kleinere maar ook grotere projecten kunnen zijn en dat de grootte van een bouwproject niet is te voorspellen, zeker niet in de coronaperiode. Hij heeft voorts aangevoerd dat de gemeente voorzichtig wil ramen en dat daarom niet is geraamd conform de realisatiecijfers van het jaar 2020 (baten € 6.017.000 in 2020). In het najaar van 2022 (dus een jaar na de ramingen die ten grondslag liggen aan de vaststelling van de tarieven voor het jaar 2022) heeft de gemeente (zie de door belanghebbende overgelegde najaarsnota 2022) de opbrengsten aangepast met € 800.000 en daarbij vermeld dat daar € 800.000 extra loonkosten tegenover staan vanwege de inhuur van tijdelijk personeel. De genoemde bedragen van € 800.000 aan de baten- en de lastenkant zijn door belanghebbende niet in twijfel getrokken.
6.10.
Volgens het arrest van de Hoge Raad van 16 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM1236, is de wijze en het tijdstip waarop inzicht is geboden in de geraamde baten en lasten ter zake niet bepalend voor het antwoord op de vraag of de geraamde opbrengsten de geraamde lasten overtreffen. Dat inzicht kan volgens de Hoge Raad worden verschaft op basis van de gemeentelijke begroting, maar ook op basis van andere gegevens, waaronder gegevens die niet bekendgemaakt zijn ten tijde van de vaststelling van de verordening. In het kader van de toetsing van de opbrengstlimiet op de voet van artikel 229b, lid 1, van de Gemeentewet kan het volgens de gemeentelijke begroting geraamde bedrag aan legesopbrengsten pas dan niet worden aanvaard indien de gemeente die opbrengsten in redelijkheid niet op dat bedrag heeft kunnen ramen (HR 26 april 1989, ECLI:NL:HR:1989:ZC4027, en HR 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:780). Hiervan is gelet op de door de Heffingsambtenaar gegeven toelichting geen sprake geweest. Uit de door de Heffingsambtenaar en belanghebbende overgelegde begrotingen en jaarstukken blijkt dat de begroting onderdeel is van een dynamisch proces, hetgeen er dus toe kan leiden dat de uiteindelijke ramingen waaraan moet worden getoetst in het kader van de opbrengstlimiet anders zijn dan in de primitieve/programmabegroting staan vermeld, omdat deze op een later tijdstip zijn aangepast. Met name een prognose van het aantal bouwaanvragen en daarbij behorende bouwsommen is naar haar aard met veel onzekerheid omgeven. Daaruit vloeit voort dat bij die prognose geen zekerheid of een volledig inzicht van de Heffingsambtenaar kan worden verlangd ten aanzien van het te verwachten aantal aanvragen en de bijbehorende bouwsommen. Verder brengt dit mee dat het de gemeente die voorzichtigheid betracht bij het ramen van legesopbrengsten te dier zake, niet kan worden tegengeworpen dat zij die opbrengsten te pessimistisch heeft geschat.
6.11.
Bij de beoordeling of aan de ‘eerste vuistregel’ is voldaan, is het voldoende dat de Heffingsambtenaar inzicht geeft in de ramingen van de in 2022 te behalen opbrengsten van de leges. Dat heeft hij gelet op het hiervoor onder 6.5 tot en met 6.10 overwogene met de door hem overgelegde stukken en de ter zitting gegeven toelichting – zij het summier – gedaan. Hierbij is tevens in aanmerking genomen dat in het kader van de beoordeling van de opbrengstlimiet niet van de gemeente mag worden verlangd dat zij van alle in de verordening en de tarieventabel opgenomen diensten afzonderlijk op controleerbare wijze vastlegt hoe zij de kosten ter zake daarvan heeft geraamd (HR 4 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AP1951). Verder is het verschaffen van inzicht in de ramingen van de legesopbrengsten in een bepaald jaar – in dit geval 2022 – iets wezenlijk anders dan het bewijzen dat de geraamde legesopbrengsten waarvan de gemeentelijke wetgever (de gemeenteraad) bij de vaststelling van de tarieven van de leges omgevingsvergunning voor dat jaar is uitgegaan, juist, althans niet te laag, zijn.
Tweede ‘vuistregel’
6.12.
De tweede ‘vuistregel’ houdt – wat betreft de geraamde baten – in dat, als de belanghebbende in twijfel trekt dat een of meer baten in de ramingen in aanmerking is (zijn) genomen en/of dat één of meer baten tot het/de juiste bedrag(en) in aanmerking is/zijn genomen, de heffingsambtenaar nadere inlichtingen over deze bate(n) moet verstrekken, teneinde – naar vermogen – deze twijfel weg te nemen.
6.13.
Belanghebbende heeft de juistheid van de hiervoor in 2.4 opgenomen geraamde batenposten uit de hoofdstukken van titel 2 niet in twijfel getrokken. Uit niets blijkt dat de begrote opbrengsten of de nader verhoogde begrote opbrengsten een limietoverschrijding tot gevolg hebben. Belanghebbende heeft ook niets aangevoerd waaruit volgt dat daarvan sprake zou kunnen zijn. Dat zou slechts het geval kunnen zijn als een gemeente de primitieve programmabegroting niet zou mogen aanpassen, maar dat is gelet op het arrest van de Hoge Raad van 16 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM1236, niet het geval. Daarbij komt dat hetgeen belanghebbende naar voren heeft gebracht slechts betrekking heeft op de raming van de opbrengsten van de leges omgevingsvergunningen, maar dat de geraamde opbrengst van andere legesdiensten hierbij buiten beschouwing blijft. De beoordeling of sprake is van een mogelijke limietoverschrijding kan echter slechts plaatsvinden door de geraamde opbrengsten (en lasten) van alle legesdiensten in aanmerking te nemen (HR 4 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AP1951). Belanghebbende heeft de juistheid van die andere geraamde opbrengsten (eveneens) niet in twijfel getrokken. De conclusie is derhalve dat belanghebbende onvoldoende gemotiveerd heeft gesteld waarom naar haar oordeel redelijke twijfel bestaat over de hoogte van de raming.
6.14.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is er geen reden om in dit geval de Tarieventabel onverbindend te verklaren en te concluderen dat de aanslag geen verordeningsrechtelijke grondslag heeft.
Slotsom
6.15.
Het hoger beroep van de Heffingsambtenaar is gegrond.

Proceskosten

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

Het Gerechtshof:
- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;
- bevestigt de uitspraak op bezwaar.
Deze uitspraak is vastgesteld door R.A. Bosman, P.J.J. Vonk en A. Bliek-Monsma, in tegenwoordigheid van de griffier Y. Postema-van der Koogh.
De griffier, de voorzitter,
Y. Postema-van der Koogh R.A. Bosman

De beslissing is op 19 november 2025 in het openbaar uitgesproken.

Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.