Belanghebbende, met een licht verstandelijke beperking, had voor het jaar 2020 specifieke zorgkosten van €2.909 opgevoerd in zijn aangifte inkomstenbelasting. De Inspecteur beperkte de aftrek wegens onvoldoende bewijs, waarna belanghebbende bezwaar maakte en vervolgens beroep instelde bij de Rechtbank, dat ongegrond werd verklaard. In hoger beroep stelde belanghebbende dat de bewijsmaatstaf ‘aannemelijk maken’ indirecte discriminatie oplevert en in strijd is met het VN-verdrag Handicap.
Tijdens de zitting verscheen alleen de Inspecteur; belanghebbende en zijn gemachtigde waren afwezig. Na een schorsing en pogingen tot overleg tussen partijen werd geen akkoord bereikt. Het Hof oordeelde dat belanghebbende de bewijslast niet heeft voldaan, ook niet met hulp van zijn gemachtigde, en dat de bewijsmaatstaf voor alle belastingplichtigen gelijk is, zonder sprake van ongelijke behandeling of indirecte discriminatie.
Het Hof benadrukte dat de bewijsmaatstaf ruimte biedt om rekening te houden met persoonlijke omstandigheden, maar dat belanghebbende geen passend bewijs heeft geleverd. Ook stelde het Hof vast dat het compromis uit 2020 belanghebbende verplichtte de kosten aannemelijk te maken. Het beroep op schending van het VN-verdrag Handicap werd eveneens verworpen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.