ECLI:NL:GHDHA:2025:2669

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
11 november 2025
Publicatiedatum
15 december 2025
Zaaknummer
200.351.572/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheid Nederlandse rechter in kort geding tegen wereldwijde tenuitvoerlegging van Russische vonnissen

In deze zaak heeft Linde Holdings Netherlands No. 3 B.V. (LHN3) in kort geding vorderingen ingesteld tegen RusChemAlliance LLC (RCA) om te voorkomen dat RCA wereldwijd uitvoering geeft aan vonnissen die RCA in Rusland tegen LHN3 heeft verkregen. LHN3 stelt dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft om deze vorderingen te behandelen, terwijl RCA betwist dat de Nederlandse rechter bevoegd is. Het hof heeft geoordeeld dat de Nederlandse rechter in dit kort geding geen rechtsmacht toekomt, en heeft het vonnis van de voorzieningenrechter bekrachtigd. Het hof heeft vastgesteld dat de schade die LHN3 lijdt, niet voldoende is om rechtsmacht aan de Nederlandse rechter toe te kennen, omdat de schade zich niet in Nederland voordoet. De vorderingen van LHN3 zijn afgewezen, en het hof heeft LHN3 veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.351.572/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : C/10/688624 / KG ZA 24-1037
Arrest in kort geding van 11 november 2025
in de zaak van
Linde Holdings Netherlands No. 3 B.V.,
gevestigd in Schiedam,
appellante,
advocaat: mr. V.L. van den Berg, kantoorhoudend in Amsterdam,
tegen
RusChemAlliance LLC,
gevestigd in Kingisepp City (Russische Federatie),
geïntimeerde,
advocaat: mr. J. Ph. de Korte, kantoorhoudend in Amsterdam.
Het hof noemt partijen hierna LHN3 en RCA.

1.De zaak in het kort

1.1
LHN3 heeft in dit kort geding tegen RCA diverse vorderingen ingesteld. Die vorderingen komen in de kern erop neer (1) dat RCA wereldwijd geen uitvoering mag geven aan de vonnissen die RCA in Rusland tegen LHN3 heeft verkregen en (2) dat RCA waar ook ter wereld geen gerechtelijke procedures meer mag voeren tegen LHN3. RCA meent dat de Nederlandse rechter niet bevoegd is om daarover te oordelen.
1.2
Evenals de voorzieningenrechter in eerste aanleg is het hof van oordeel dat de Nederlandse rechter in dit kort geding geen rechtsmacht toekomt. Het vonnis wordt daarom bekrachtigd.

2.Procesverloop in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
  • de dagvaarding van 17 januari 2025, waarmee LHN3 in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam van 20 december 2024;
  • het herstelexploot van LHN3 van 5 februari 2025;
  • de memorie van grieven van LHN3, met bijlagen;
  • de memorie van antwoord van RCA, met bijlagen;
  • de producties 31A en 31B van LHN3 en de producties 18 tot en met 23 van RCA, welke producties partijen ter gelegenheid van de hierna te noemen mondelinge behandeling hebben overgelegd.
2.2
Op 12 september 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd.

3.Feitelijke achtergrond

3.1
Linde GmbH is een directe en LHN3 een indirecte dochtervennootschap van Linde PLC, een wereldwijd opererend bedrijf op het gebied van industriële gassen en engineering. LHN3 is eigenaar van diverse (internationale) vermogensbestanddelen, waaronder Nederlandse bankrekeningen en deelnemingen in buitenlandse ondernemingen.
3.2
RCA is een ‘
special purpose vehicle’naar Russisch recht, opgericht voor de verwezenlijking van een grootschalig complex voor de verwerking van ethaanhoudend gas in een gebied ten westen van Sint-Petersburg. Van dat complex maakt onder meer deel uit een fabriek voor vloeibaar gas (‘LNG Project’).
3.3
In september 2021 heeft een aannemersconsortium, bestaande uit onder andere Linde GmbH, ten behoeve van het LNG Project een contract gesloten met RCA. Voor de daaruit voortvloeiende verplichtingen van Linde GmbH heeft Linde PLC een ‘
parent company guarantee’ (‘PCG’) afgegeven aan RCA.
3.4
Als gevolg van door de Europese Unie tegen de Russische Federatie afgekondigde sancties kon Linde GmbH vanaf 28 mei 2022 niet meer voldoen aan haar verplichtingen uit het LNG contract. Het aannemersconsortium heeft RCA hiervan op de hoogte gebracht en zijn verplichtingen opgeschort. Naar aanleiding daarvan is tussen RCA en het consortium, en vervolgens tussen RCA en Linde PLC een geschil ontstaan.
3.5
Op 18 maart 2024 is RCA bij de Russische rechtbank een procedure tegen Linde GmbH en Linde PLC gestart. Bij (tussen)vonnis van 14 juni 2024 heeft de Russische rechtbank RCA toegestaan om LHN3 als medegedaagde in de procedure te betrekken.
3.6
Op grond van het eindvonnis van de Russische rechtbank van 28 oktober 2024 heeft RCA op onder andere LHN3 een vordering van (omgerekend) meer dan één miljard euro verkregen. Dat vonnis is op 24 februari 2025 in hoger beroep bekrachtigd. Het daartegen door LHN3 en andere Linde-groepsvennootschappen ingestelde cassatieberoep is op 3 september 2025 verworpen. Ondertussen hebben LHN3 en andere groepsvennootschappen de Russische rechter op 14 augustus 2025 verzocht om herziening van het vonnis van 28 oktober 2024.
3.7
Op 19 juni 2024 heeft de Russische rechtbank onder andere aan LHN3 op verzoek van RCA een wereldwijde ‘
Freezing Order’opgelegd om verhaal van haar vorderingen op LHN3 zeker te stellen. Vervolgens heeft RCA de rechter in Kazachstan verzocht om de
Freezing Orderte erkennen en vatbaar te maken voor tenuitvoerlegging in Kazachstan. Dat verzoek is in eerste aanleg op 26 augustus 2024 en in hoger beroep op 18 oktober 2024 afgewezen. Het daartegen op 17 april 2025 door RCA ingestelde (cassatie)beroep is op 28 april 2025 door het Kazachse
Supreme Courtverworpen. Het Kazachse
Civil Court of Cassationheeft RCA op 31 juli 2025 vervolgens niet ontvankelijk verklaard in haar tegen die uitspraak ingediende nadere (cassatie)beroep.
3.8
Verder heeft de Russische rechter op 8 maart 2025, op vordering van RCA, aan LHN3 een procedeerverbod opgelegd. Dat verbod is in hoger beroep bij uitspraak van 19 juni 2025 in stand gebleven. Op 18 augustus 2025 heeft LHN3 daartegen cassatieberoep ingesteld.

4.Procedure bij de voorzieningenrechter

4.1
LHN3 heeft RCA gedagvaard en gevorderd, zakelijk weergegeven, dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
RCA verbiedt waar ook ter wereld gerechtelijke procedures te entameren tegen LHN3 die verband houden met het LNG Contract of het LNG Project in ruimere zin, en als dergelijke procedures al lopen, RCA beveelt die procedures te (doen) beëindigen;
RCA beveelt de Russische
Freezing Orderte doen opheffen voor zover die betrekking heeft op de vermogensbestanddelen van LHN3 ;
RCA verbiedt een Russische
anti-suit injunctionte laten opleggen aan LHN3;
RCA verbiedt welk vonnis dan ook uit de Russische LNG procedure tegen LHN3 B.V. waar ook ter wereld ten uitvoer te leggen;
RCA verbiedt welk vonnis dan ook tegen LHN3 uit een andere dan de Russische LNG procedure in verband met het LNG Contract of het LNG Project in bredere zin ten uitvoer te leggen, waar ook ter wereld verkregen;
RCA veroordeelt tot betaling van een dwangsom ter hoogte van € 250.000,- per overtreding van ieder van de gevorderde geboden en verboden en bovendien van € 50.000,- per (gedeelte van een) dag dat RCA in gebreke blijft om aan die verboden/geboden te voldoen, te rekenen vanaf de dag volgend op de betekening van het vonnis, dan wel een dwangsom ter hoogte van een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen bedrag;
RCA veroordeelt in de proceskosten, met wettelijke rente.
4.2
RCA heeft gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot onbevoegdheid van de rechtbank, althans tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van LHN3 bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis in de proceskosten, met nakosten en wettelijke rente.
4.3
De voorzieningenrechter heeft zich niet internationaal bevoegd verklaard om deze zaak te behandelen en LHN3 bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis in de proceskosten veroordeeld, met wettelijke rente.

5.Vorderingen in hoger beroep

5.1
LHN3 heeft in hoger beroep gevorderd dat het hof het vonnis vernietigt en, alsnog rechtdoende, verklaart dat de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt om van haar vorderingen tegen RCA kennis te nemen, met terugwijzing van de procedure naar de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam en veroordeling van RCA in de kosten van het hoger beroep. LHN3 heeft daarbij tevens gevorderd dat RCA wordt veroordeeld tot terugbetaling van de door haar betaalde proceskosten van de eerste aanleg van € 1.973,-, met wettelijke rente
5.2
Volgens LHN3 komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om van haar vorderingen kennis te nemen op grond van art. 6, aanhef en sub e Rv (plaats van het schadebrengende feit), althans op grond van art. 9, aanhef en sub b en/of c Rv of art. 11 bis van de Verordening (EU) nr. 833/2014 (
Forum Necessitatis).
5.3
RCA heeft ook in hoger beroep bestreden dat de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt en subsidiair geconcludeerd tot afwijzing van het door RCA gevorderde. Zij wil dat het hof het vonnis bekrachtigt met veroordeling van LHN3 in de proceskosten, met wettelijke rente en uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

6.Beoordeling in hoger beroep

Rechtsmacht op grond van art. 6, aanhef en sub e Rv?

6.1
LHN3 heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt omdat het hier gaat om een verbintenis uit onrechtmatige daad en het schadebrengende feit zich in Nederland heeft voorgedaan of zich daar kan voordoen (art. 6, aanhef en sub e Rv). De onrechtmatige daad van RCA bestaat eruit dat zij LHN3 in een Russische procedure heeft betrokken, terwijl LHN3 feitelijk noch juridisch iets te maken heeft met het onderliggende geschil. LHN3 lijdt schade, of dreigt die te lijden, als RCA overgaat tot tenuitvoerlegging van het LNG eindvonnis of de LNG
Freezing Order(hierna tezamen: de Russische vonnissen) en aldus ergens ter wereld verhaal neemt op de vermogensbestanddelen van LHN3. Omdat deze schade drukt op het vermogen van LHN3 als geheel, het centrum van de belangen van LHN3 in Nederland is gelegen en de schadelijke gevolgen van de onrechtmatige daad van RCA uiteindelijk dus in Nederland zullen intreden (‘
Erfolgsort’) komt de Nederlandse rechter bevoegdheid toe, aldus LHN3. LHN3 heeft zich daarbij beroepen op de Europese jurisprudentie bij art. 7, aanhef en sub 2 van de Verordening (EU) nr. 1215/2012 (Brussel I-bis), dat in de kern hetzelfde luidt als art. 6, aanhef en sub e Rv.
6.2
Dit betoog faalt. Of de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt omdat Nederland de plaats is waar de gevolgen van het schadeveroorzakende feit intreden (‘
Erfolgsort’) hangt in de eerste plaats af van de vraag of Nederland ook de plaats is waar de beweerde schade zich
concreetvoordoet [1] . Anders dan LHN3 heeft aangevoerd is het enkele
risicoop schade dus onvoldoende voor het op deze grond aannemen van rechtsmacht. Vast staat dat LHN3 ten gevolge van de Russische vonnissen geen (concrete) schade lijdt zolang die vonnissen niet ten uitvoer (kunnen) worden gelegd. De (wél concrete) kosten van rechtsbijstand die gemaakt zijn in de procedures in Rusland en Kazachstan vormen voor het bepalen van het
Erfolgsortgeen factor van betekenis, zoals LHN3 in hoger beroep ook naar voren heeft gebracht. Tegen de conclusie van de voorzieningenrechter dat die schadepost geen internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter kan opleveren omdat die schade zich niet in Nederland voordoet heeft zij dan ook terecht niet (kenbaar) gegriefd.
6.3
LHN3 heeft niet gesteld dat op dit moment sprake is van een concrete (dreiging van) tenuitvoerlegging van de Russische vonnissen. In Rusland zelf is dat, zoals LHN3 ter zitting heeft toegelicht, niet (meer) aan de orde, nog daargelaten dat in dat geval, zonder bijkomende omstandigheden nog geen rechtsmacht voor de Nederlandse rechter kan ontstaan [2] . Het hof is evenmin gebleken van een concreet dreigende tenuitvoerlegging buiten Rusland. De Russische vonnissen zullen eerst moeten worden erkend door de (executierechter in de) staat binnen welke rechtssfeer de vermogensbestanddelen van LHN3 zijn gelegen alvorens RCA zich op die vermogensbestanddelen zou kunnen verhalen. Erkenning en tenuitvoerlegging van de Russische vonnissen in Nederland of elders binnen de EU liggen met het oog op Verordening (EU) nr. 833/2014, zoals gewijzigd bij Verordening (EU) 2025/395 (hierna: Sanctieverordening), niet in de rede. Voor zover dat in het concrete geval al anders zou blijken te zijn, heeft te gelden dat LHN3 in een procedure tot erkenning verweer kan voeren en dat, indien de Russische vonnissen niettemin zouden worden erkend, de desbetreffende executiemaatregelen van RCA in dat geval in de desbetreffende rechtssfeer voor rechtmatig moeten worden gehouden, zodat een eventueel verbod in dit kort geding daaraan dus niet in de weg kan staan. LHN3 heeft binnen het bestek van dit kort geding evenmin voldoende aannemelijk gemaakt dat buiten de EU erkenning en tenuitvoerlegging van de Russische vonnissen dreigt. De door RCA verzochte tenuitvoerlegging in Kazachstan is in alle instanties afgewezen.
6.4
Ook het feit dat het bij LHN3 naar eigen zeggen alleen gaat om (dreigende) ‘zuiver financiële schade’ (omdat de Russische vonnissen drukken op het vermogen van LHN3 als geheel en RCA in theorie overal ter wereld kan proberen tot tenuitvoerlegging van deze vonnissen over te gaan) staat eraan in de weg dat de Nederlandse rechter op de voet van art. 6, aanhef en sub e Rv rechtsmacht toekomt. De stelling van LHN3 dat zij in Nederland is gevestigd, dan wel dat Nederland de plaats is waar zich het centrum van haar belangen bevindt maakt dat niet anders. Haar verwijzing naar de uitspraak van het Europese Hof van Justitie van 22 februari 2024 gaat niet op, nu het in die zaak niet ging om ‘zuiver financiële schade’ [3] . Volgens vaste jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie kan het lijden van ‘zuiver financiële schade’, zonder bijkomende omstandigheden, niet worden aangemerkt als een relevant aanknopingspunt voor het aannemen van rechtsmacht. Uitsluitend wanneer die andere, bijkomende omstandigheden er eveneens toe bijdragen bevoegdheid toe te kennen aan het gerecht van de plaats waar de ‘zuiver financiële schade’ wordt geleden, zou die schade kunnen rechtvaardigen dat de verzoeker zijn zaak bij dit gerecht aanbrengt [4] . Dergelijke bijkomende omstandigheden zijn hier niet gebleken. Zonder nadere toelichting, die LHN3 niet heeft gegeven, valt niet in te zien dat en hoe er een nauw verband zou bestaan tussen de vordering en de Nederlandse rechter, zoals LHN3 in dit verband naar voren heeft gebracht. De stelling van LHN3 dat zij het centrum van haar belangen in Nederland heeft en tegelijkertijd een wereldwijd risico loopt dat de Russische vonnissen ten uitvoer worden gelegd wijst niet op een dergelijk verband. Ook de door LHN3 opgevoerde ‘
a contrario’redenering dat geen bijzondere omstandigheden of factoren zouden bestaan die wijzen op de bevoegdheid van de rechter van een andere plaats is voor het aannemen van zo’n bijkomende omstandigheid onvoldoende.
6.5
Hier komt bij dat in het geval van vermogensschade niet te snel mag worden aangenomen dat het ‘
Handlungsort’ en het ‘
Erfolgsort’ uiteenlopen. Vast staat dat het ‘
Handlungsort’ in de onderhavige zaak in Rusland is gelegen. Dat het vermogen van LHN3 door de (onherroepelijke) vonnissen blijvend zou zijn bezwaard en dit de schade vormt, zoals LHN3 stelt, betekent nog niet dat in Nederland schade is geleden. Ook niet door het feit dat LHN3 in Nederland is gevestigd, vanuit Nederland de vermogensbestanddelen worden bestuurd en (vermoedelijk) in Nederland belasting wordt betaald. De “plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan” (d.w.z. Rusland als het land waar de vonnissen zijn uitgesproken, onherroepelijk (zullen) worden en daarmee op het vermogen drukken) mag niet zo ruim worden uitgelegd dat het iedere plaats omvat waar de schadelijke gevolgen voelbaar zijn van een feit dat reeds elders (Rusland) daadwerkelijk ingetreden schade heeft veroorzaakt [5] .
Rechtsmacht op grond van art. 9, aanhef en sub b of c Rv (forum necessitatis)?
6.6
LHN3 meent dat de Nederlandse rechter ook bevoegdheid toekomt op de grond dat een gerechtelijke procedure buiten Nederland onmogelijk is (art. 9, aanhef en sub b Rv), dan wel van haar niet kan worden gevergd dat zij haar zaak aan het oordeel van de Russische rechter onderwerpt (art. 9, aanhef en sub c Rv). Zij voert aan dat een eerlijke behandeling door een onafhankelijke en onpartijdige rechter in de zin van art. 6 EVRM in dit geval bij de Russische rechter niet kan worden verwacht omdat haar schade juist door de uitspraken van die Russische rechter is veroorzaakt. Een oordeel over de werking en reikwijdte van EU-sancties zou in dat geval ook aan een rechter van een niet-lidstaat worden overgelaten, hetgeen strijdt met het recht van de Europese Unie. Het is daarom wenselijk dat een Europese rechter zich daarover uitlaat. De zaak is bovendien voldoende verbonden met de Nederlandse rechtssfeer, aldus nog steeds LHN3.
6.7
Ook dit betoog kan LHN3 niet baten. De stelling dat een gerechtelijke procedure buiten Nederland onmogelijk is vindt reeds haar weerlegging in het feit dat LHN3 haar belangen in meerdere instanties heeft kunnen verdedigen in gerechtelijke procedures voor zowel de Russische rechter als de rechter in Kazachstan, zodat de b-grond zich in elk geval niet voordoet. Dat LHN3 geen vertrouwen heeft in de Russische rechter omdat die uiteindelijk een oordeel in haar nadeel heeft gewezen is geen omstandigheid die moet leiden tot de conclusie dat het voeren van een procedure in Rusland onmogelijk is.
6.8
Voor een gegrond beroep op de c-grond moet sprake zijn van een situatie waarin voor het verkrijgen van een vonnis in een ander land dan Nederland een inspanning moet worden geleverd die niet kan worden gevergd. Uit de bewoordingen van en wetsgeschiedenis op art. 9, aanhef en sub c Rv blijkt dat het aannemen van rechtsmacht op deze grond slechts in uitzonderlijke gevallen aan de orde kan zijn en deze bepaling dus restrictief moet worden uitgelegd. Het is dan aan de eisende partij om te stellen, en bij betwisting te bewijzen, (1) dat en waardoor sprake is van onaanvaardbaarheid om zich tot een buitenlandse rechter te wenden en (2) dat voldoende binding bestaat met de Nederlandse rechtssfeer. Het is met name niet de bedoeling dat met behulp van de c-grond alsnog de zelfstandige bevoegdheid van de rechter in de vestigingsplaats van de eisende partij (
forum actoris)in het leven wordt geroepen [6] . Dat sprake is van een onaanvaardbaarheid zoals hiervoor bedoeld is door LHN3 onvoldoende onderbouwd, nog daargelaten dat een procedure in kort geding zich niet leent voor bewijslevering. In dit licht biedt de enkele omstandigheid dat LHN3, als onderdeel van een wereldwijd opererende onderneming, van de Russische rechter geen gunstige uitspraak verwacht, in een kort geding als het onderhavige, onvoldoende aanknopingspunten voor het aannemen van rechtsmacht op deze grond.
Rechtsmacht op grond van art. 11 bis Sanctieverordening?
6.9
LHN3 heeft verder aangevoerd dat de Nederlandse rechter bevoegdheid kan ontlenen aan de omstandigheid dat LHN3 schade lijdt als gevolg van een door RCA aangespannen procedure buiten de EU ter zake van een contractuele verplichting waaraan niet meer kon worden voldaan door de maatregelen uit hoofde van de Sanctieverordening, terwijl LHN3 geen doeltreffende toegang heeft tot de Russische rechter (art. 11 bis). LHN3 stelt zich op het standpunt dat ook het instellen van schadebeperkingen maatregelen, zoals gevorderd in dit kort geding, onder deze bepaling valt. Zij meent dat uit overweging 39 van Verordening (EU) 2025/395 volgt dat in zo’n geval rechtsmacht toekomt aan de rechter van de woon- of vestigingsplaats van de EU-onderdaan.
6.1
Dit betoog strandt eveneens. Het hof is van oordeel dat reeds uit de bewoordingen waarin art. 11 bis Sanctieverordening is gesteld, volgt dat dit artikel alleen ziet op verhaal van door de eisende partij zelf ten gevolge van de Sanctieverordening geleden schade. Ook uit overweging 39 van Verordening (EU) 2025/395 blijkt dat het ingevolge die verordening te bieden
forum necessitatisslechts betrekking heeft op een op grond van art. 11 bis (of art. 11 ter) Sanctieverordening in te stellen “vordering tot schadevergoeding”. In het geval van LHN3 is van (een vordering tot) schadevergoeding of het nemen van verhaal voor geleden schade als gevolg van de Sanctieverordening echter geen sprake. Bij het uitblijven van (een concrete dreiging tot) tenuitvoerlegging van de Russische vonnissen kan van (de noodzaak tot) het nemen van schadebeperkende maatregelen dus ook geen sprake zijn.
Rechtsmacht op andere gronden?
6.11
Ook op andere gronden kan voor de Nederlandse rechter in dit kort geding geen rechtsmacht worden aangenomen. Niet alleen kan in de toepasselijke nationale of EU-regelgeving geen aanknopingspunt worden gevonden voor het in dit kort geding aannemen van rechtsmacht door de Nederlandse rechter, ook staat reeds het bepaalde in art. 6 EVRM eraan in de weg dat de Nederlandse rechter RCA verbiedt toegang te zoeken tot de bevoegde rechter in Rusland of elders in de wereld. De algemene regels van internationaal bevoegdheidsrecht staan er voorts aan in de weg dat, zolang als in het concrete geval met Nederland geen verdrag bestaat inzake de erkenning en tenuitvoerlegging van Nederlandse rechterlijke uitspraken, de Nederlandse rechter bevoegd zou zijn om de Russische rechter of een rechter van een andere aangezochte Staat te gelasten beperkingen aan te brengen in de werking van de Russische vonnissen, zoals LHN3 heeft gevorderd. Aangezien de vorderingen van LHN3 in de kern alle daarop zijn terug te voeren bestaat ook “voor het mindere in het oorspronkelijke petitum” zoals LHN3 in hoger beroep heeft verzocht, voor de Nederlandse rechter geen rechtsmacht.
Conclusie en proceskosten
6.12
De conclusie is dat het hoger beroep van LNH3 niet slaagt. Daarom zal het hof het vonnis bekrachtigen. Voor de door LHN3 gevorderde terugbetaling van de proceskosten in de eerste aanleg bestaat geen grond. Het hof zal LNH3 als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep.
6.13
Het hof begroot de proceskosten aan de zijde van RCA op:
griffierecht € 827,-
salaris advocaat € 2.428,- (2 punten × tarief II)
nakosten € 178,-(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 3.4 33,-
Het hof zal de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals vermeld in de beslissing
.

7.Beslissing

Het hof:

  • Bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam van 17 januari 2025;
  • veroordeelt LNH3 in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van RCA begroot op € 3.433,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als LNH3 deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald;
  • bepaalt dat als LNH3 niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, LNH3 tevens de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 92,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als LNH3 deze niet binnen veertien dagen na betekening heeft betaald;
  • verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;
  • wijst het in hoger beroep meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mr. A.E.A.M. van Waesberghe, mr. M. Verkerk en
mr. M.C.M. van Dijk, en in het openbaar uitgesproken op 11 november 2025 in aanwezigheid van de griffier.

Voetnoten

1.HvJ EU 21 mei 2015, ECLI:EU:C:2015:335 (CDC Hydrogen Peroxide)
2.Vgl. HvJ EG 19 september 1995, ECLI:EU:C:1995:289 (Marinari/Lloyd’s Bank)
3.ECLI:EU:C:2024:165 (MA/FCA Italy), rechtsoverweging 38
4.HvJ EG 10 juni 2004, ECLI:EU:C:2004:364 (Kronhofer/Maier)
5.HvJ EG 19 september 1995, ECLI:EU:C:1995:289 (Marinari/Lloyd’s Bank), r.o. 14 en 15
6.MvT 26 855, nr. 3, pag. 41