De verdachte is in hoger beroep veroordeeld voor groepsbelediging wegens het doen van beledigende uitlatingen over andersgelovigen, waaronder Ahmadiyya-volgelingen, tijdens een openbare rouwdienst in een moskee te Den Haag op 22 augustus 2017. Hij noemde deze groep onder meer 'varkens', wat binnen de islamitische context als een ernstige belediging wordt beschouwd.
De rechtbank had de verdachte eerder veroordeeld tot een geldboete, maar het hof vernietigde dit vonnis en deed opnieuw recht. Het hof achtte bewezen dat de uitlatingen gericht waren tegen een groep mensen vanwege hun godsdienst en dat de beledigende aard onomstotelijk vaststond. De verdediging voerde aan dat de uitlatingen niet direct gericht waren op de Ahmadiyya-aanhangers en dat de context het beledigend karakter zou wegnemen, maar deze verweren werden verworpen.
Het hof overwoog dat de uitlatingen onnodig grievend waren en dat de verdachte zich bewust was van het beledigend karakter en het openlijke karakter van zijn uitlatingen. Gelet op de ruime overschrijding van de redelijke termijn, het blanco strafblad van de verdachte en het feit dat hij sindsdien niet meer met justitie in aanraking is gekomen, legde het hof geen straf of maatregel op, maar verklaarde de verdachte wel schuldig.
De uitspraak benadrukt het belang van de bescherming van groepen tegen belediging wegens hun godsdienst, maar ook de proportionaliteit in strafoplegging bij lange termijnoverschrijding en recidivevrijheid.