ECLI:NL:GHDHA:2025:2698

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
200.347.647/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermogensrechtelijke afwikkeling van de samenleving van voormalig samenwoners met een notarieel verleden samenlevingsovereenkomst

In deze zaak gaat het om de vermogensrechtelijke afwikkeling van de samenleving van voormalig samenwoners die een notariële samenlevingsovereenkomst hebben gesloten. De man en de vrouw hebben jarenlang een affectieve relatie gehad en hebben op 5 mei 2021 een woning gekocht, waarvoor zij een samenlevingsovereenkomst hebben opgesteld. Na de verkoop van de woning in juli 2023 ontstond er een geschil over de verdeling van de overwaarde en andere financiële verplichtingen. De man heeft een bedrag van € 210.000,- van de gezamenlijke bankrekening overgemaakt naar zijn eigen rekening, wat leidde tot een vordering van de vrouw op de man van € 105.000,-. De rechtbank heeft de man veroordeeld tot betaling van € 68.054,60 aan de vrouw, maar de man ging in hoger beroep. Het hof heeft de zaak beoordeeld en de grieven van beide partijen overwogen. Het hof heeft vastgesteld dat de man onterecht over het bedrag van € 105.000,- heeft beschikt en dat de vrouw recht heeft op een deel van de overwaarde van de woning. Het hof heeft het bestreden vonnis gedeeltelijk vernietigd en de man veroordeeld tot betaling van de beslagkosten en een bedrag van € 53.148,60 aan de vrouw, vermeerderd met wettelijke rente. De proceskosten zijn gecompenseerd, waarbij iedere partij de eigen kosten draagt.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Familie
Zaaknummer hof : 200.347.647/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : C/09/662734 / HA Za 24-238
Arrest van 16 december 2025
in de zaak van
[de man],
wonend in [woonplaats] ,
appellant in principaal hoger beroep,
geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. W.J. Vroegindeweij, kantoorhoudend in Katwijk, Zuid-Holland,
tegen
[de vrouw],
wonend in [woonplaats] ,
geïntimeerde in principaal hoger beroep,
appellante in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. A.G. de Jong, kantoorhoudend in 's-Gravenhage.
Het hof noemt partijen hierna de man en de vrouw.

1.De zaak in het kort

Het gaat in deze zaak om de vermogensrechtelijke afwikkeling van de samenleving van voormalig samenwoners met een notarieel verleden samenlevingsovereenkomst.

2.Procesverloop in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 21 oktober 2024, waarmee de man in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de rechtbank Den Haag (hierna: de rechtbank) van 11 september 2024, hierna ook: het bestreden vonnis;
- de memorie van grieven tevens wijziging van eis van de man, met bijlagen;
- de memorie van antwoord tevens houdende incidenteel appel van de vrouw, met bijlagen;
- de memorie van antwoord in incidenteel appel van de man, met bijlagen.
2.2
Op 17 juni 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht, de advocaat van de man aan de hand van pleitaantekeningen die hij heeft overgelegd en die deel uitmaken van het procesdossier. Ten slotte is een datum voor arrest bepaald.

3.Feitelijke achtergrond

3.1
Partijen hebben jarenlang een affectieve relatie gehad. Partijen hebben op 5 mei 2021 bij de aankoop van hun gemeenschappelijke woning aan [adres] (hierna ook: de woning) een samenlevingsovereenkomst gesloten.
3.2
Partijen hebben de woning begin juli 2023 verkocht en geleverd aan derden. De overwaarde van € 206.487,- is uitgekeerd op de bankrekening op beider naam. Op 11 juli 2023 heeft de man een bedrag van € 210.000,- van deze rekening overgeschreven naar een bankrekening op zijn eigen naam.
3.3
Partijen hebben tot 10 december 2023 samengewoond in huurwoningen.
3.4
Op 26 januari 2024 heeft de deurwaarder krachtens een beslissing van de voorzieningenrechter van 23 januari 2024 conservatoir beslag gelegd op de bankrekeningen van de man.
3.5
Op 21 mei 2024 heeft de deurwaarder krachtens een beslissing van de voorzieningenrechter van 6 mei 2024 conservatoir beslag gelegd op de woning van de man.

4.Het bestreden vonnis van de rechtbank

4.1
De rechtbank heeft:
in conventie
- onder 5.1 de man veroordeeld tot betaling aan de vrouw van € 68.054,60, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 juli 2023;
- onder 5.2 de man veroordeeld tot betaling van de beslagkosten van de vrouw van € 3.205,28;
- onder 5.3 het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard;
- onder 5.4 de proceskosten tussen partijen gecompenseerd;
- onder 5.5 het meer of anders gevorderde afgewezen;
in reconventie
- onder 5.6 de vrouw veroordeeld tot afgifte van de auto (type BMW 116i, met kenteken
[kenteken] ) en de eigendomspapieren daarvan;
- onder 5.7 het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard;
- onder 5.8 de proceskosten tussen partijen gecompenseerd;
- onder 5.9 het meer of anders gevorderde afgewezen.
4.2
Het bedrag van de onder 5.1 van het bestreden vonnis opgenomen veroordeling is opgebouwd als volgt:
€ 105.000,-, (de helft van het door de man opgenomen bedrag van € 210.000,-) minus € 20.674,55 (de helft van de door de man betaalde nota van afrekening inzake de woning) minus € 16.270,85 (de helft van de door de man betaalde aflossingen op de hypothecaire geldlening) = € 68.054,60 (zie rov. 4.1, 4.18-4.21 en 4.23 van het bestreden vonnis).

5.Vorderingen in hoger beroep

5.1
De man vordert dat het het hof moge behagen te vernietigen, uitvoerbaar bij voorraad, voor zover wettelijk toegestaan, het bestreden vonnis,
het hof begrijpt: voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en opnieuw rechtdoende:
- de vorderingen van de vrouw (alsnog) af te wijzen;
- de vorderingen van de man (in eerste aanleg in reconventie gevorderd) alsnog toe te wijzen;
- ( vermeerdering van eis) de vrouw te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs aan de man te betalen een bedrag van € 122.290,-;
- met veroordeling van de vrouw, uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van het geding in beide instanties.
5.2
Het hof begrijpt uit grief VII van de man dat zijn vermeerdering van eis ziet op de vergoeding door de vrouw aan de man van een bedrag van in totaal € 122.290,- opgebouwd als volgt:
- € 50.140,- inzake door de man betaalde, door toedoen van de vrouw uit de opslag verdwenen goederen en weggenomen laptops, airpods en een horloge;
- € 16.000,- schade wegens het gedurende 16 maanden niet kunnen gebruiken van de auto;
- € 44.750,- wegens bankbeslag door vrouw en de door haar aan de man te betalen overeengekomen waarde van de auto;
- € 1.400,- wegens de door de vrouw vernielde zonnebril van de man;
- € 10.000,- inzake een aanbetaling van de gemeenschappelijke woning.
5.3
De vrouw voert gemotiveerd verweer en eist in incidenteel hoger beroep dat het het hof moge behagen het bestreden vonnis partieel te vernietigen en, opnieuw rechtdoende:
1. de man te veroordelen tot betaling aan de vrouw van € 84.325,45, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 juli 2023;
II. de man te veroordelen in de beslagkosten van € 5.134,28;
III. voor recht te verklaren dat de auto van het merk BMW, type 116i met kenteken
[kenteken] eigendom is van de vrouw sinds zij de auto na de aankoop in bezit kreeg;
IV. het vonnis voor het overige te bekrachtigen.
5.4
Het door de vrouw gevorderde bedrag is opgebouwd als volgt:
€ 105.000,-, (wegens het door de man opgenomen bedrag van € 210.000,-) minus € 20.674,55 (de helft van de door de man betaalde nota van afrekening inzake de woning) = € 84.325,45.
5.5
De man heeft in het incidenteel hoger beroep gemotiveerd verweer gevoerd.

6.Beoordeling in hoger beroep

Procesrechtelijk

6.1
Het hof stelt vast dat de man in hoger beroep zijn eis heeft gewijzigd. Het hof acht de eiswijziging niet in strijd met de goede procesorde nu deze bij memorie van grieven is gedaan en de vrouw de gelegenheid heeft gehad zich daartegen te verweren. Het hof zal derhalve uitgaan van de gewijzigde eis van de man.
6.2
Het hof zal geen acht slaan op de op 16 juni 2025 door de vrouw per e-mail ingediende bijlage aangezien die niet bij akte in het geding is gebracht en bovendien tardief is. De man heeft ook bezwaar gemaakt tegen het indienen van voormelde bijlage.
6.3.
Het hof gaat uit van de door de rechtbank gestelde feiten tenzij daartegen een grief is gericht.
Principaal appel van de man
Het door de man opgenomen bedrag van € 210.000,- (grieven I tot en met III)
6.4
Tussen partijen is niet in geschil dat de man een bedrag van € 210.000,- van de op naam van beide partijen gesteld bankrekening naar een bankrekening op zijn naam heeft overgemaakt. De rechtbank heeft geoordeeld dat de vrouw ter zake een vorderingsrecht heeft op de man van de helft, ofwel € 105.000,-. De man is het daar niet mee eens.
6.5
Het hof is van oordeel dat de rechtbank terecht en op goede gronden heeft geoordeeld zoals zij heeft gedaan. Het hof neemt de gronden van de rechtbank over en maakt die na een eigen afweging tot de zijne. In hoger beroep zijn geen feiten en omstandigheden naar voren gebracht die tot een ander oordeel leiden. Partijen zijn in artikel 9 van hun samenlevingsovereenkomst overeengekomen - voor zover hier van belang - dat indien partijen een bankrekening hebben op beider naam, het saldo op deze rekening hen gezamenlijk toekomt, ieder voor de onverdeelde helft. Partijen zijn dus met elkaar overeengekomen dat het saldo op de rekening aan hen gemeenschappelijk toekomt en wel ieder voor de helft. Het hof ziet geen aanleiding om - zoals de man bepleit - op grond van de redelijkheid en billijkheid van deze overeenkomst af te wijken. Daar komt nog bij dat het saldo van de rekening afkomstig is uit de verkoop van de woning die partijen in mede-eigendom toebehoorde. Uit de processtukken volgt dat de vrouw voor de helft gerechtigd was met betrekking tot de netto verkoopopbrengst van de woning. Gezien het feit dat de man zonder instemming van de vrouw een bedrag van € 210.000,- naar zijn eigen rekening heeft overgeboekt heeft hij in de onderlinge verhouding ten onrechte beschikt over een bedrag van € 105.000,- dat aan de vrouw toebehoorde. Gelet op het vorenstaande heeft de vrouw een vordering op de man van € 105.000,-. Het bestreden vonnis dient in zoverre te worden bekrachtigd.
6.6
Wat betreft de door de man gestelde en door hem van zijn eigen bankrekening betaalde kosten van de gemeenschappelijke huishouding (€ 8.500,- gezamenlijke kosten, € 3.233,- eindafrekening Essent en € 6.870,- gezinsvakanties) die hij wenst te verrekenen met het door hem aan de vrouw te betalen bedrag van € 105.000,- overweegt het hof als volgt. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat op grond van artikel 3 lid 4 van de samenlevingsovereenkomst geen verrekening plaatsvindt indien een partij in een kalenderjaar meer heeft bijgedragen aan de kosten van de huishouding dan die partij op grond van het bepaalde in dat artikel (namelijk in beginsel naar evenredigheid) moet dragen. De man komt ter zake de voormelde door hem betaalde kosten derhalve geen recht op verrekening toe. Nu de betalingen van de man betrekking hebben op de kosten van de huishouding is er naar het oordeel van het hof ook geen sprake van overgang van vermogen van de man naar de vrouw en ontstaat er voor de man dus ook geen vergoedingsrecht. Het vorenstaande brengt mee dat het bestreden vonnis ten aanzien van de beslissing over bovenvermelde betalingen door de man moet worden bekrachtigd.
Gestelde aanbetalingen van € 14.250,- en € 10.000,- inzake verkrijging gezamenlijke woning (grief IV)
6.7
In zijn vierde grief stelt de man dat de rechtbank in het kader van de financiële afwikkeling met de vrouw ten onrechte geen rekening heeft gehouden met een bedrag van € 14.250,- ter zake de aanbetaling van de woning die partijen in mede-eigendom toebehoorde. De aanbetaling aan [bedrijf] was nodig om de woning te kunnen verwerven. De vrouw was in de visie van de man op de hoogte van de aanbetaling van € 14.250,-. Door de vrouw is gesteld dat de man haar nooit heeft gekend in het betalen van een
omkoopsomaan de verkopers. De vrouw is van mening dat de man onvoldoende heeft onderbouwd waarom de vrouw de helft van het bedrag aan hem moet betalen.
6.8
Het hof overweegt als volgt. Uit het verweer van de vrouw volgt dat zij niet aan de man toestemming heeft gegeven om ten behoeve van de woning aan [bedrijf] een betaling te doen van € 14.250,-. Voorts heeft het hof op basis van hetgeen de man heeft gesteld niet kunnen vaststellen dat het bedrag van € 14.250,- in mindering is gebracht op de aankoopsom van de woning, de man had dit eenvoudig kunnen aantonen aan de hand van de koopovereenkomst van de woning en of de notariële eindafrekening. Eveneens heeft de man geen factuur in het geding gebracht van [bedrijf] voor de door hem gestelde betalingen. Gezien het hof hiervoor heeft overwogen, komt de betaling van € 14.250,- voor rekening en risico van de man. De man stelt in de toelichting op zijn grief dat er naast het bedrag van € 14.250,- ook nog een bedrag is betaald van € 10.000,-. De man verwijst naar productie G. Door de vrouw wordt in randnummer 14 van haar memorie van antwoord verweer gevoerd. De vrouw is van mening dat de man niet heeft aangetoond waarom de betaling aan [bedrijf] nodig was om de woning te kunnen verwerven en niet aan de verkopers van de woning is voldaan. Voorts heeft zij gesteld dat het bedrag van € 10.000,- niet in mindering is gebracht op aankoopprijs van de woning. Mede bezien het door de vrouw gevoerde verweer heeft de man met betrekking tot het bedrag van € 10.000,- niet aan zijn stelplicht voldaan. Het had op de weg van de man gelegen om deugdelijk te onderbouwen dat hij van de vrouw toestemming had om het bedrag van € 10.000,- over te boeken naar de rekening van de [bedrijf] . De man heeft nog een algemeen bewijsaanbod gedaan door het horen van getuigen waaronder partijen zelf inzake aanbetaling woning. Het hof gaat ervan uit dat partijen mondeling niet anders verklaren dan dat zij schriftelijk reeds hebben verklaard en voor het overige acht het hof het bewijsaanbod onvoldoende specifiek. Relevant is slechts of de vrouw heeft ingestemd met de betalingen aan [bedrijf] van € 14.250,- en
€ 10.000,-.
Gestelde investering door de man in gezamenlijke woning van in totaal € 29.812,85 (grief V)
6.9
De man stelt dat hij een bedrag van in totaal € 29.812,85 voor vloeren, de schilder en IKEA heeft geïnvesteerd in de woning. In eerste aanleg heeft de man aan de hand van een aantal rekeningafschriften een onderbouwing gegeven met betrekking tot zijn vordering. Primair stelt de man dat hij op grond van artikel 5 van de samenlevingsovereenkomst - naar het hof begrijpt voor de helft van het bedrag van € 29.812,85 - een vordering op de vrouw heeft. Subsidiair stelt hij dat het in strijd is met de redelijkheid en billijkheid indien hij voormelde investeringen in de woning niet vergoed krijgt. In de visie van de vrouw heeft de rechtbank op goede gronden geoordeeld dat de hiervoor vermelde uitgaven als kosten van de huishouding kunnen worden aangemerkt. Voorts betwist zij dat het bedrag van € 29.812,85 betrekking heeft op de gemeenschappelijke woning van partijen. De man heeft de uitgaven met betrekking tot de woning niet ter sprake gebracht bij de aankoop van de woning.
6.1
Het hof overweegt als volgt. De rechtsbetrekking tussen partijen die met elkaar samenleven wordt beheerst door het algemene vermogensrecht. Dit volgt onder meer uit de het arrest van de Hoge Raad van 10 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:707. In de samenlevingsovereenkomst hebben partijen in artikel 5 een bepaling opgenomen die erop neerkomt dat als de ene partij in het vermogen van de andere partij investeert er een nominaal vergoedingsrecht ontstaat. De rechtsrelatie tussen de deelgenoten wordt niet alleen beheerst door de samenlevingsovereenkomst maar eveneens door de redelijkheid en billijkheid. Wat redelijk en billijk is, is afhankelijk van alle feiten en omstandigheden van het betreffende geval. Vast staat dat partijen in 2021 in mede-eigendom een woning hebben aangekocht. Naar het oordeel van het hof heeft de man aan de hand van de bankafschriften voldoende aangetoond dat het bedrag van € 29.812,85 geïnvesteerd is in de gemeenschappelijke woning. Gezien de aard van de uitgave mocht de man erop vertrouwen dat de vrouw akkoord was met betrekking tot deze uitgaven en dat zij mede draagplichtig was met betrekking tot deze uitgaven. De grief van de man treft in zoverre doel dat hij een vordering op de vrouw heeft van € 29.812,85:2 = (afgerond) € 14.906,-.
Leningen bij de familieleden en bij de vennootschap van de man (grief VI)
6.11
Volgens de man heeft hij voor een bedrag van € 27.000,- de bij zijn broer en zus afgesloten leningen afgelost en voor een bedrag van € 19.000,- een bij zijn vennootschap afgesloten lening. Hij stelt dat sprake is van gezamenlijke leningen dan wel dat op grond van de redelijkheid en billijkheid of artikel 5 van de samenlevingsovereenkomst de man recht heeft op betaling van de helft door de vrouw dan wel verrekening van de helft met de vrouw. De vrouw heeft de stellingen van de man gemotiveerd weersproken. In randnummer 18 van haar memorie van antwoord heeft zij gesteld dat de leningovereenkomsten enkel op naam van de man zijn gesteld, daarnaast zijn alle betalingen gedaan op de bankrekening van de man. Wanneer de man geld leent, wordt dat geld onderdeel van zijn vermogen.
6.12
Het hof is van oordeel dat de man in het licht van de gemotiveerde betwisting door de vrouw ook in hoger beroep niet heeft onderbouwd dat hij samen met de vrouw leningen is aangegaan dan wel dat zij wegens de overige door hem in zijn memorie van grieven en pleitnota genoemde gronden voor de helft mede-draagplichtig zou zijn voor de terugbetaling van de gestelde leningen. Het hof neemt de gronden van de rechtbank dan ook over en maakt deze tot de zijne. De door de man overgelegde productie H acht het hof onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Voor zover daaruit al bekendheid van de vrouw met de gestelde leningen afgeleid zou kunnen worden, brengt dat nog geen gezamenlijke draagplicht mee. Gelet op het vorenstaande zal het hof het bestreden vonnis ter zake de gestelde leningen dan ook bekrachtigen. Voor zover het algemene bewijsaanbod van de man ook op de gestelde leningen zou zien, gaat het hof daaraan voorbij nu dit bewijsaanbod onvoldoende concreet en specifiek is.
Gewijzigde eis van de man (grief VII)
Verdwenen goederen ter waarde van € 50.140,-
6.13
De man wenst een bedrag van € 50.140,- van de vrouw te ontvangen dan wel met haar te verrekenen inzake door hem betaalde en door toedoen van haar uit de opslag verdwenen goederen alsmede inzake door haar weggenomen laptops, airpods en een horloge die de man toebehoorden.
6.14
De vrouw ontkent dat zij zich goederen van de man heeft toegeëigend. Volgens de vrouw heeft de man zelf de opslag leeggeruimd, althans heeft hij aangekondigd dat te zullen doen. Wat de overige goederen betreft (laptops, airpods en een horloge) zou de man aangifte bij de politie hebben gedaan. Het Openbaar Ministerie heeft echter aangegeven dat die aangifte de status ‘vroegtijdig beëindigd’ heeft, zodat deze als geseponeerd moet worden beschouwd, aldus de vrouw.
6.15
Naar het oordeel van het hof heeft de man in het licht van de gemotiveerde betwisting door de vrouw niet voldaan aan zijn stelplicht inzake de volgens hem door haar vervreemde goederen. Niet duidelijk geworden is of, waar en wanneer welke goederen niet meer aanwezig zouden zijn en wat daarvan de waarde is. Zo komen in de processtukken e-mails van twee verschillende opslagbedrijven voor en stelt de man de waarde van bepaalde goederen op de oorspronkelijke aanschafwaarde. Aan bewijslevering komt het dan ook hof niet toe. Deze vordering van de man zal worden afgewezen.
Vergoeding van € 16.000,- wegens het niet kunnen gebruiken van de auto van het merk BMW
6.16
De man stelt dat hij in de periode van 24 mei 2023 tot het bestreden vonnis van
11 september 2024 geen gebruik heeft kunnen maken van de auto van het merk BMW (hierna: de BMW). Hij vordert daarom een schadevergoeding van de vrouw van € 1.000,- per maand gedurende 16 maanden, ofwel een bedrag van € 16.000,-. De vrouw betwist dat zij een vergoeding voor het gebruik van de BMW aan de man zou moeten betalen.
6.17
Het hof ziet geen enkele grond voor het toekennen van de door de man gevorderde gebruiksvergoeding voor de BMW. Uit het gedrag van partijen tijdens de relatie volgt naar het oordeel van het hof dat de vrouw de BMW mocht gebruiken. De man had zelf steeds het gebruik van een Porsche Cayenne zodat er geen noodzaak bestond kosten te maken voor vervangend vervoer, zoals de man stelt. Het hof zal deze vordering van de man afwijzen.
Bankbeslag en waarde auto
6.18
Het hof is van oordeel dat deze vordering van de man geen zelfstandige betekenis heeft. Op het bedrag dat de man krachtens dit arrest aan de vrouw zal moeten betalen, komt hetgeen reeds door hem is betaald uiteraard in mindering.
Vergoeding van € 1.400,- wegens schade aan de zonnebril van de man.
6.19
Volgens de man heeft de vrouw hem aangevallen en is daarbij zijn 5 jaar oude zonnebril van het merk Cartier ter waarde van € 1.400,- vernield. De man wenst dit bedrag van de vrouw te ontvangen. De vrouw weerspreekt de stellingen van de man.
6.2
Het hof is van oordeel dat de man inzake zijn vordering betreffende de zonnebril niet heeft voldaan aan zijn stelplicht. Zo heeft hij heeft niet gemeld wanneer het incident tussen partijen zou hebben plaatsgevonden en op welke gronden de gestelde schade voor rekening van de vrouw zou moeten komen. Aan het door de man gedane bewijsaanbod inzake de zonnebril - wat daar verder ook van zij - komt het hof niet toe. Deze vordering zal worden afgewezen.
Incidenteel appel van de vrouw
Verrekening van de door de man betaalde aflossingen op de hypothecaire geldlening (incidentele grief 1)
6.21
De vrouw is het er niet mee eens dat zij voor de helft ofwel een bedrag van € 16.270,85 moet bijdragen in de door de man betaalde aflossingen op de hypothecaire geldlening. Evenals in eerste aanleg doet zij een beroep op de redelijkheid en billijkheid die volgens haar meebrengen dat zij niet gehouden kan worden aan artikel 10 lid 1 van de samenlevingsovereenkomst. In dit artikel is bepaald dat indien de woning aan partijen gezamenlijk toebehoort, partijen de lasten verbonden aan de financiering van de woning, met uitzondering van de in artikel 3 lid 2 bedoelde renten en kosten, naar verhouding van ieders aandeel in de woning dragen. Door de man is gemotiveerd verweer gevoerd.
6.22
Het hof is van oordeel dat de rechtbank inzake de door de man gedragen aflossingen op de hypothecaire geldlening op goede gronden heeft geoordeeld zoals zij heeft gedaan. Het hof neemt de gronden van de rechtbank over en maakt deze tot de zijne. De vrouw heeft in hoger beroep geen feiten en omstandigheden aangevoerd die tot een ander oordeel leiden. De niet-onderbouwde stelling van de vrouw dat partijen zich bij het opstellen van de samenlevingsovereenkomst niet hadden gerealiseerd dat in de maandelijkse lasten van de woning tevens een aflossingscomponent was begrepen die niet onder artikel 3 maar onder artikel 10 viel, acht het hof daartoe onvoldoende. Het hof gaat ervan uit dat de notaris voor wie de samenlevingsovereenkomst van partijen is verleden hen over de inhoud daarvan genoegzaam heeft voorgelicht. Deze incidentele grief van de vrouw faalt derhalve. Het bestreden vonnis dient in zoverre te worden bekrachtigd.
Vergoeding van de beslagkosten (incidentele grief 2)
6.23
De vrouw stelt dat zij tweemaal conservatoir beslag heeft gelegd, namelijk eenmaal op de bankrekeningen van de man en eenmaal op de woning van de man. Zij heeft daartoe tweemaal een rekest moeten indienen. Volgens de vrouw heeft zij daarom recht op 2 punten aan salaris advocaat in plaats van de door de rechtbank toegepaste 1 punt, hetgeen leidt tot een bedrag van
€ 5.134,28 aan door de man te betalen beslagkosten.
6.24
Volgens de man is het conservatoir beslag ten onrechte gelegd.
6.25
Het hof overweegt als volgt. Gezien de handelswijze van de man door zonder medeweten van de vrouw een bedrag van € 210.000,- naar zijn eigen rekening over te boeken was er voor de vrouw een goede grond om conservatoir beslag te leggen onder de man. Nu de vrouw tweemaal een rekest tot het leggen van conservatoir beslag heeft ingediend en in beide gevallen verlof tot het leggen van dat beslag heeft gekregen, ziet het hof aanleiding haar vordering ter zake overeenkomstig de richtlijnen van het LOVCK toe te wijzen. Het bestreden vonnis dient in zoverre te worden vernietigd.
De afgifte van de BMW door de vrouw aan de man (incidentele grief 3)
6.26
De vrouw is het niet eens met de beslissing van de rechtbank dat de man eigenaar is van de BMW en dat zij de BMW met de eigendomspapieren aan de man dient af te geven. De vrouw herhaalt haar stelling in eerste aanleg dat de man de BMW aan haar heeft geschonken. Zij vordert een verklaring voor recht dat de BMW haar eigendom is sinds zij de auto na de aankoop in haar bezit kreeg.
6.27
Het hof is van oordeel dat de rechtbank inzake de BMW op goede gronden heeft geoordeeld zoals zij heeft gedaan. Het hof neemt de gronden van de rechtbank over en maakt deze tot de zijne. In hoger beroep zijn geen feiten en omstandigheden naar voren gebracht die tot een ander oordeel leiden. Uit de stukken is voorts gebleken dat partijen na het bestreden vonnis een regeling met betrekking tot de BMW zijn overeengekomen in die zin dat de vrouw € 14.750,- voor de BMW aan de man zal voldoen, waarna zij de BMW kan behouden. Gelet op deze regeling tussen partijen is het bewijsaanbod van de vrouw inzake de eigendom van de BMW tardief en behoeft dit geen bespreking meer. Het bewijsaanbod van de man betreffende de BMW behoeft evenmin bespreking nu de man daarbij geen belang meer heeft.
Proceskosten
6.28
Aangezien partijen ex-partners zijn en de zaak derhalve familierechtelijk van aard is, zal het hof de proceskosten (met uitzondering van de beslagkosten) tussen partijen compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Om diezelfde reden zal het hof de proceskostencompensatie (met uitzondering van de beslagkosten) in eerste aanleg bekrachtigen. De andersluidende vorderingen van de man zullen worden afgewezen.
6.29
Uit het uitvoerbaar bij voorraad verklaarde bestreden vonnis volgt dat de man aan de vrouw een bedrag moet voldoen van € 68.054,60. Op basis van dit arrest moet de vrouw aan de man voldoen een bedrag van € 14.906,-. Per saldo dient de man nog aan de vrouw te voldoen de somma van € 53.148,60 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 juli 2023.

7.Beslissing

Het hof:
vernietigt het bestreden vonnis: 1) voor zover daarin de beslagkosten zijn toegewezen voor een bedrag van € 3.205,28, 2) voor zover de man aan de vrouw moet betalen een bedrag van € 68.054,60 en, in zoverre opnieuw rechtdoende:
veroordeelt de man, uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling van de beslagkosten aan de vrouw van € 5.134,28;
veroordeelt de man, uitvoerbaar bij voorraad, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de vrouw te voldoen de somma van € 53.148,60 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf
11 juli 2023;
bekrachtigt het bestreden vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen voor het overige;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. A.N. Labohm, G.G.B. Boelens en L.C.A. Verstappen en in het openbaar uitgesproken op 16 december 2025 in aanwezigheid van de griffier.