ECLI:NL:GHDHA:2025:2718

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
3 december 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
200.361.043/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Internationale kinderontvoering en gezagsrecht in hoger beroep

In deze zaak, behandeld door het Gerechtshof Den Haag, gaat het om de teruggeleiding van twee minderjarige kinderen van Nederland naar Thailand, na een geschil tussen de ouders over het gezag. De vader, die in hoger beroep is gegaan, stelt dat hij mede belast is met het ouderlijk gezag en dat de moeder door met de kinderen naar Nederland te verhuizen zijn gezagsrecht heeft geschonden. De rechtbank had eerder de terugkeer van de kinderen geweigerd, maar het hof vernietigt deze beschikking en oordeelt dat de moeder in strijd met het gezagsrecht van de vader heeft gehandeld. Het hof oordeelt dat de kinderen onmiddellijk teruggeleid moeten worden naar Thailand, waarbij de moeder de verantwoordelijkheid heeft om dit te faciliteren. Tevens wordt voorlopige voogdij toegewezen aan de Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering, gezien de zorgen over de naleving van de rechterlijke uitspraak door de moeder. De kosten van de procedure worden voor een deel aan de moeder opgelegd, terwijl de proceskosten worden gecompenseerd. De uitspraak benadrukt de noodzaak van het gezagsrecht in internationale kinderontvoeringszaken en de rol van de rechter in het waarborgen van de belangen van de kinderen.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Familie
zaaknummer : 200.361.043/01
rekestnummer rechtbank : FA RK 25-6744
zaaknummer rechtbank : C/09/691182
beschikking van de meervoudige kamer van 3 december 2025
inzake
[de vader] ,
wonende te [woonplaats in Thailand] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. S.C. Braun te Den Haag,
tegen
[de moeder] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: J.A.M. Schoenmakers te Breda.
Als overige belanghebbende is aangemerkt:
[de bijzondere curator] ,
kantoorhoudende te [vestigingsplaats] ,
in haar hoedanigheid van bijzondere curator over de hierna te noemen kinderen,
hierna te noemen: de bijzondere curator.
In zijn adviserende en/of toetsende taak is in de procedure gekend:
de raad voor de kinderbescherming, regio Haaglanden,
hierna te noemen: de raad.

1.De zaak en de beschikking in het kort

1.1.
Deze zaak gaat over de teruggeleiding van de hierna te noemen kinderen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] vanuit Nederland naar Thailand. De rechtbank Den Haag heeft in de beschikking van 23 oktober 2025 (hierna: de bestreden beschikking) de terugkeer van de kinderen geweigerd op grond van het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980, Trb. 1987, 139 (hierna: het Verdrag).
1.2.
De vader is het met deze beslissing niet eens. De vader stelt dat hij – anders dan de rechtbank heeft geoordeeld – wel (mede) belast is met het ouderlijk gezag over de kinderen en dat de moeder door haar verhuizing met de kinderen naar Nederland zijn gezagsrecht heeft geschonden.
1.3.
Het hof wijst in deze beschikking het hoger beroep van de vader toe en vernietigt de bestreden beschikking.
1.4.
Het hof geeft hierna eerst een beschrijving van het verloop van de procedure tot nu toe en van dat wat in hoger beroep in geschil is. Daarna zal het hof zijn beslissing motiveren.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
De vader is op 4 november 2025 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
2.2.
De moeder heeft op 17 november 2025 een verweerschrift ingediend.
2.3.
Bij het hof zijn verder de volgende stukken ingekomen:
  • een journaalbericht van de zijde van de vader van 6 november 2025 met bijlage, ingekomen op 7 november 2025;
  • een journaalbericht van de zijde van de vader van 14 november 2025 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum;
  • een journaalbericht van de zijde van de vader van 17 november 2025, ingekomen op diezelfde datum;
  • een journaalbericht van de zijde van de moeder van 18 november 2025 met bijlage, ingekomen op diezelfde datum;
  • een journaalbericht van de zijde van de moeder van 18 november 2025 met bijlage, ingekomen op diezelfde datum.
2.4.
Op 14 november 2025 is van de zijde van de bijzondere curator het door haar opgemaakte verslag van diezelfde datum ingekomen.
2.5.
Voorafgaand aan de mondelinge behandeling is de minderjarige [minderjarige 1] in de gelegenheid gesteld om zijn mening kenbaar te maken. Hij heeft hiervan geen gebruik gemaakt.
2.6.
Bij voornoemd journaalbericht van de zijde van de vader van 17 november 2025 heeft de vader verzocht geen acht te slaan op de door hem ingediende productie 8, zodat deze geen deel uitmaakt van het procesdossier.
2.7.
De mondelinge behandeling heeft op 19 november 2025 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat en [tolk] , tolk in de Franse taal;
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • de bijzondere curator;
  • de raad, vertegenwoordigd door [raadsvertegenwoordiger] .
2.8.
Zowel de advocaat van de vader als de advocaat van de moeder hebben op de zitting een pleitnotitie overgelegd en voorgedragen. De advocaat van de vader heeft tevens een productie overgelegd. Deze stukken maken onderdeel uit van het procesdossier.

3.De feiten

3.1.
Het hof gaat uit van de volgende feiten:
  • de vader en de moeder hebben een affectieve relatie met elkaar gehad;
  • uit hun relatie zijn de volgende, thans nog minderjarige, kinderen geboren:
o [minderjarige 1] , op [geboortedatum] 2019 te [geboorteplaats] , Thailand (hierna: [minderjarige 1] );
o [minderjarige 2] , op [geboortedatum] 2022 te [geboorteplaats] , Thailand (hierna: [minderjarige 2] );
hierna samen de noemen: de kinderen;
  • de vader heeft de Franse nationaliteit, de moeder heeft de Nederlandse nationaliteit en de kinderen hebben zowel de Nederlandse als de Franse nationaliteit;
  • op 21 augustus 2025 heeft de moeder met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] Thailand verlaten en is zij met hen naar Nederland vertrokken;
  • de vader heeft zich niet gemeld bij de Nederlandse Centrale Autoriteit.

4.De omvang van het geschil

4.1.
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de vader tot teruggeleiding van de kinderen naar Thailand afgewezen.
4.2.
De vader is het niet eens met deze beslissing. De vader verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking en opnieuw rechtdoende bij beschikking, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad:
  • de onmiddellijke terugkeer van de kinderen te bevelen, zo nodig met behulp van de sterke arm, waarbij de moeder de kinderen dient terug te brengen naar het adres van de vader in Thailand, althans naar Thailand en subsidiair te bevelen, voor het geval de moeder nalaat om de kinderen terug te geleiden, dat zij onmiddellijk de paspoorten en benodigde geldige reisdocumenten aan de vader zal afgeven opdat de vader de kinderen zelf mee terug kan nemen naar Thailand;
  • de gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet te belasten met de voorlopige voogdij over de kinderen;
  • de moeder te veroordelen tot betaling aan de vader van de door hem ter zake gemaakte daadwerkelijke (proces)kosten die hij in verband met de ontvoering en het verzoek tot teruggeleiding heeft gemaakt en nog dient te maken, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, van € 11.991,80 respectievelijk € 7.250,- + p.m..
4.3.
De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen en de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep, althans het hoger beroep en de grieven af te wijzen. Daarnaast is namens haar op de zitting bij het hof nog verzocht om een kostenveroordeling van de vader.

5.De motivering van de beslissing

Algemeen
5.1.
Het verzoek tot teruggeleiding van de kinderen is gebaseerd op het Verdrag, waarbij zowel Nederland als Thailand partij zijn.
5.2.
Aangezien de kinderen hun werkelijke verblijfplaats hebben in Nederland, heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht om kennis te nemen van het teruggeleidingsverzoek (zie HR 9 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU2834). Op grond van artikel 11 lid 1 van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering (hierna: de Uitvoeringswet) is de rechtbank Den Haag, en daarmee als enige appelinstantie het Hof Den Haag, bevoegd kennis te nemen van alle zaken met betrekking tot de gedwongen afgifte van een internationaal ontvoerd kind aan degene wie het gezag over het kind toekomt en de teruggeleiding van een zodanig kind over de Nederlandse grens.
5.3.
Het Verdrag heeft tot doel de onmiddellijke terugkeer te verzekeren van kinderen die ongeoorloofd zijn overgebracht naar of worden vastgehouden in een Verdragsluitende staat. Het Verdrag beoogt hiermee een zo snel mogelijk herstel van de situatie waarin het kind zich bevond direct voorafgaand aan de ontvoering of vasthouding. Een snel herstel van de aan de ontvoering of vasthouding voorafgaande situatie wordt geacht de schadelijke gevolgen hiervan voor het kind te beperken.
Ongeoorloofde overbrenging of vasthouding in de zin van artikel 3 van het Verdrag
5.4.
Op grond van artikel 3 van het Verdrag is sprake van een ongeoorloofde overbrenging of ongeoorloofde vasthouding in de zin van het Verdrag wanneer de overbrenging of het niet doen terugkeren van het kind geschiedt in strijd met het gezagsrecht op grond van het recht van de staat waarin het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of vasthouding zijn gewone verblijfplaats had en dit recht alleen of gezamenlijk werd uitgeoefend op het tijdstip van het overbrengen of niet doen terugkeren, dan wel zou zijn uitgeoefend indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden.
5.5.
Tussen ouders is niet in geschil dat de kinderen onmiddellijk voor hun overbrenging naar Nederland hun gewone verblijfplaats in Thailand hadden. Dit betekent dat naar Thais recht dient te worden beoordeeld wie van de ouders ten tijde van de overbrenging van de kinderen met het ouderlijk gezag over hen was belast.
Gezag
5.6.
Tussen ouders is in geschil of de vader ten tijde van de overbrenging van de kinderen van Thailand naar Nederland mede was belast met het ouderlijk gezag over de kinderen. De vader stelt dat er vanaf 14 februari 2025 sprake is van gezamenlijk ouderlijk gezag. Dit wordt door de moeder betwist.
5.7.
Partijen hebben in een gerechtelijke procedure in Thailand een schikking getroffen, welke door de rechtbank in Thailand op 14 februari 2025 schriftelijk is vastgelegd (hierna: de overeenkomst). De vader stelt dat dit een gerechtelijke uitspraak betreft, waardoor de vader met ingang van 14 februari 2025 de juridische vader is geworden van de kinderen en daarmee ook met het ouderlijk gezag is belast. De moeder betwist deze uitleg van de schikkingsovereenkomst en stelt dat er geen juridisch vaderschap is ontstaan, omdat dit volgens de Thaise wet een registratie vereist welke niet heeft plaatsgevonden. Pas na deze registratie zou de vader met het ouderlijk gezag belast zijn.
5.8.
Op 27 oktober 2025 heeft een nieuwe zitting plaatsgevonden bij de Thaise rechtbank. De vader heeft van deze zitting een gelegaliseerd en vertaald proces-verbaal overgelegd. De vader stelt in dit kader als volgt. Hij heeft op deze zitting aan de Thaise rechter verzocht om de schikkingsovereenkomst en het vonnis op basis waarvan overeenstemming is bereikt, uit te leggen en te oordelen over de vraag wanneer zijn gezag over de kinderen is ontstaan. Na de overeenkomst te hebben onderzocht, heeft de Thaise rechtbank de overeenkomst uitgelegd zoals weergegeven in proces-verbaal van de zitting. Met de bevestiging van de rechtbank in dit proces-verbaal staat vast dat de vader met ingang van 14 februari 2025 de juridische vader van de kinderen was en dat hij dientengevolge vanaf toen (van rechtswege) ook was belast met het ouderlijk gezag. De moeder betwist deze standpunten van de vader. De moeder stelt dat zij niet deugdelijk is opgeroepen voor deze zitting in Thailand, zodat zij niet bij deze zitting aanwezig kon zijn. Het door de vader overgelegde proces-verbaal van 27 oktober 2025 is oncontroleerbaar en de onderliggende processtukken zijn niet in het geding gebracht. Ook de in het proces-verbaal genoemde beslissing van 31 oktober 2025 is niet in het geding gebracht. De moeder stelt dat het op de weg van de vader had gelegen om deze stukken inzichtelijk te maken.
5.9.
Het hof overweegt als volgt. Voor de beantwoording van de vraag of de vader sinds 14 februari 2025 mede met het gezag over de kinderen was belast, zijn onder meer de volgende artikelen uit de overeenkomst van belang:
"Artikel 1. De 1e verweerder stemt ermee in dat de eiser jongen [minderjarige 1] en meisje [minderjarige 2] , beide minderjarigen, registreert als wettige kinderen van de eiser.
Artikel 2. De eiser en de 1e verweerder komen overeen om actie te ondernemen en contact met de bevoegde autoriteiten op te nemen zodat de twee minderjarigen zullen worden geregistreerd als wettige kinderen van de eiser. De partij die contact heeft opgenomen met de betrokken instanties moet de andere partij binnen 15 dagen na de datum van kennisgeving hiervan op de hoogte stellen zodat de documenten om de twee minderjarige te erkennen vóór de registratiedatum op tijd en keurig kunnen worden voorbereid. Indien één van de partijen zich niet aan deze overeenkomst houdt zal het vonnis kunnen worden gewezen in plaats van een intentieverklaring van de andere partij.
Artikel 3. De eiser en de 1e verweerder komen overeen met betrekking tot (...) gezamenlijk uitoefenen van kindergezag over beide minderjarigen, waarbij de 1e verweerder de hoofdverzorger van beide minderjarigen is en de woonplaats en de school van beide minderjarigen bepaalt. Daartoe zal de 1e verweerder de eiser op voorhand informeren over de school en het onderwijsplan van de minderjarigen. Indien de eiser bezwaren heeft zullen beide partijen eerst met elkaar overleggen terwijl het belang van beide minderjarigen de primaire overweging zal zijn. Als de partijen geen overeenstemming bereiken dan kunnen zij een verzoek indienen bij de rechtbank. De eiser dient redelijke bezoekmogelijkheden van beide minderjarige kinderen te krijgen
(...)
Artikel 16. De eiser en de 1e verweerder komen overeen dat als de eiser in (...) blijft en
verzuimt de betalingen uit te voeren zoals overeengekomen, de (...) ermee instemt dat de 1e verweerder onmiddellijk de twee minderjarige kinderen kan terugbrengen naar het land van afkomst en hoofdverblijf van de 1e verweerder. Na het verstrijken van één jaar, in overeenstemming met deze schikkingsovereenkomst, als de 1e verweerder nog niet in staat is om in haar levensonderhoud te voorzien en voor de twee minderjarige kinderen te zorgen, en indien de 1e verweerder wenst terug te keren naar haar land van afkomst en hoofdverblijf, verbindt de 1e verweerder zich ertoe dat de eiser onmiddellijk de twee minderjarige kinderen mag nemen om te verzorgen, tenzij de eiser ermee instemt dat de 1e verweerder de twee minderjarige kinderen mag terugbrengen naar het land van afkomst en hoofdverblijf van de 1e verweerder.
Artikel 17. De eiser en de 1e verweerder aanvaarden de artikelen 1 tot en met 16 en zullen niet verplicht zijn iets van elkaar meer te eisen.”
5.10.
In Thailand is het familierecht vastgelegd in de Civil and Commercial Code (hierna: CCC). De volgende artikelen zijn relevant:
artikel 1547: "Een kind geboren uit ouders die niet met elkaar gehuwd zijn, is wettig door het latere huwelijk van de ouders, of door de registratie op verzoek van de vader, of door een vonnis van de rechtbank. ”
artikel 1548: "Wanneer de vader om een wettiging verzoekt, moeten het kind en de moeder toestemming geven aan de aanvrager. Indien het kind en de moeder niet voor de griffier verschijnen om toestemming te geven, stelt de griffier het kind en de moeder in kennis van het verzoek van de vader om inschrijving. Indien het kind of de moeder geen bezwaar maakt of geen toestemming geeft binnen zestig dagen na aanvaarding van de kennisgeving door het kind of de moeder, wordt vermoed dat het kind of de moeder geen toestemming geeft. De periode wordt verlengd tot honderdtachtig dagen in het geval dat het kind of de moeder zich buiten Thailand heeft bevonden. In het geval dat het kind of de moeder bezwaar maakt dat de aanvrager niet de vader is, of geen toestemming geeft, of niet in staat is om de toestemming te geven, moet de registratie voor wettiging worden uitgevoerd door een vonnis van de rechtbank. Nadat het Hof een vonnis heeft gewezen dat de registratie van de legitimatie bewerkstelligt en het vonnis ter registratie aan de griffier is overgelegd, gaat de griffier over tot de registratie. ”
artikel 1566: “Een kind is onderworpen aan de ouderlijke macht zolang het niet sui juris is. Het ouderlijk gezag wordt uitgeoefend door de vader of de moeder in elk van de volgende gevallen:
  • de moeder of de vader is dood;
  • het is onzeker of de moeder of de vader leeft of dood is;
  • de moeder of de vader is onbekwaam of quasi-onbekwaam verklaard;
  • de moeder of de vader wordt in een ziekenhuis geplaatst wegens een geestelijke handicap;
  • de ouderlijke macht is bij beschikking van de rechtbank aan de moeder of de vader verleend;
  • de moeder en de vader zijn tot een overeenkomst gekomen die volgens de wet kan worden gesloten. "
artikel 1567: “Een persoon die het ouderlijk gezag uitoefent (natuurlijke voogd) heef het recht:
  • om de verblijfplaats van het kind te bepalen;
  • om het kind op een redelijke manier te straffen voor disciplinaire doeleinden;
  • om van het kind te verlangen dat het werk doet dat redelijk is voor zijn vermogen en levensomstandigheden;
  • de terugkeer van het kind te eisen van eenieder die hem onrechtmatig vasthoudt. ”
5.11.
Op basis van de overgelegde stukken en dat wat op de zitting is besproken, oordeelt het hof als volgt. Het hof stelt vast dat partijen een overeenkomst hebben gesloten die op 14 februari 2025 door de Thaise rechtbank schriftelijk is vastgelegd, en waarin zij onder meer afspraken hebben gemaakt over het juridisch vaderschap en het ouderlijk gezag van de vader. Partijen verschillen niet van mening over het feit dat ouderlijk gezag van rechtswege is verbonden aan het juridisch ouderschap. Bij het hof ligt de vraag voor of het gerechtelijk stuk waarin de Thaise rechtbank de overeenkomst heeft vastgelegd, kwalificeert als een gerechtelijke uitspraak in de zin van artikel 1547 CCC en of daarmee het gezamenlijk ouderlijk gezag is ontstaan. Het hof is in tegenstelling tot de rechtbank van oordeel dat wel sprake was van gezamenlijk ouderlijk gezag ten tijde van de overbrenging van de kinderen naar Nederland. Het hof motiveert dit als volgt.
5.12.
In het gelegaliseerde proces-verbaal van de zitting van 27 oktober 2025 in Thailand geeft de Thaise rechtbank uitleg over de op 14 februari 2025 door de Thaise rechter vastgelegde overeenkomst, onder meer met betrekking tot de vraag van de vader sinds wanneer hij het ouderlijk gezag heeft. De Thaise rechtbank zegt hierover het volgende:
“De rechtbank heeft de schikkingsovereenkomst van 14 februari 2025 tussen eiser en de 1e gedaagde onderzocht. In artikel 3 werd er vastgesteld dat de eiser en de 1e gedaagde overeenkomen dat ze het gezamenlijk kindergezag over beide minderjarigen samen zullen uitoefenen waarbij de 1e gedaagde de hoofdverzorger van beide minderjarigen is en de woonplaats en de school van beide minderjarigen bepaalt. Nadat het vonnis op basis van overeenstemming van 14 februari 2025 tussen de eiser en de 1e gedaagde werd onderzocht heeft de rechtbank geoordeeld dat de schikkingsovereenkomst tussen de eiser en de 1e gedaagde rechtmatig is en dat de jongen [minderjarige 1] en meisje [minderjarige 2] , beide minderjarigen wettige kinderen van [de vader] zijn en dat in deze zaak een definitief en beslissend oordeel uitgesproken wordt in overeenstemming met de schikkingsovereenkomst. Het is voor de hand liggend dat beide minderjarigen rechtmatige kinderen van de eiser zijn en aangezien de partijen op 14 februari 2025 een schikkingsovereenkomst hebben gesloten instemmend dat de eiser het gezamenlijke kindergezag uitoefent samen met de 1e gedaagde. De eiser heeft er daarom recht op om het gezag over beide minderjarige kinderen uit te oefenen sinds 14 februari 2025, de datum waarop de schikkingsovereenkomst is gesloten tussen de partijen zoals in de verklaring uit het verzoekschrift betreffende het verzoek om de schikkingsovereenkomst uit te leggen en te oordelen.”
5.13.
Uit deze uitleg volgt dat naar Thais recht de vader sinds 14 februari 2025 mede met het ouderlijk gezag was belast. Het hof volgt de moeder niet in haar standpunt dat zij niet op de hoogte was van de op 27 oktober 2025 gehouden zitting bij de Thaise rechtbank. In de brieven van de advocaat van de vader aan de rechtbank in de onderhavige teruggeleidingsprocedure van 15 september 2025 en 7 oktober 2025 en in de daarbij gevoegde verklaringen van de Thaise advocaat van de vader (producties 4 en 24 in eerste aanleg) wordt namelijk uitdrukkelijk vermeld dat op 27 oktober 2025 de voort te zetten mondelinge behandeling bij de Thaise rechtbank zal plaatsvinden. Verder is ook op de zitting in eerste aanleg van 9 oktober 2025 door de vader benoemd dat er op 27 oktober 2025 in Thailand een zitting zal plaatsvinden. Vervolgens heeft de moeder er kennelijk voor gekozen geen gebruik te maken van de mogelijkheid om haar advocaat in Thailand te machtigen voor haar op die zitting het woord te voeren. Daarmee komt het feit dat de zaak buiten haar aanwezigheid op die zitting is behandeld voor haar rekening en risico.
5.14.
De stelling van de moeder dat in het proces-verbaal van de Thaise rechtbank van 27 oktober 2025 nog wordt gesproken van een beslissing van 31 oktober 2025 en dat de vader heeft nagelaten die beslissing in het geding te brengen, faalt - tegenover de gemotiveerde betwisting door de vader - evenzeer. De vader heeft op de zitting bij het hof toegelicht dat 31 oktober 2025 de datum is waarop het bewuste proces-verbaal door de Thaise rechtbank is afgegeven, dat hij het proces-verbaal op die dag heeft opgehaald en dat op die dag niet een (andersluidende) uitspraak zou worden gedaan of is gedaan. Verder constateert het hof dat in het proces-verbaal niet wordt gesproken van een “beslissing” op 31 oktober 2025, maar dat daarin staat vermeld: “De afspraak voor een instructie wordt gepland op 31 oktober 2025 om 09:00 uur.”
5.15.
De door de Thaise rechtbank in haar proces-verbaal van 27 oktober 2025 gegeven uitleg van de overeenkomst is ook in lijn met de expertopinie die de vader heeft ingebracht en welke met tussenkomst van het Internationaal Juridisch Instituut is gegeven. De deskundige constateert in haar expertopinie van 3 oktober 2025 dat de Thaise rechtbank op 14 februari 2025 een ‘consent judgment’ heeft gegeven conform de tussen partijen gesloten overeenkomst en dat die rechtbank heeft vastgesteld dat de kinderen de wettige kinderen van de vader zijn, dat partijen gezamenlijk het ouderlijk gezag zullen uitoefenen en dat beide partijen aan de registratie van de wettiging zullen meewerken. De deskundige schrijft in haar expertopinie tevens dat die registratie slechts een administratieve formaliteit is, die los moet worden gezien van de rechten van de vader. Met de bekrachtiging van de schikkingsovereenkomst door de Thaise rechtbank op 14 februari 2025 was sprake van een gerechtelijk vonnis als bedoeld in artikel 1547 CCC en dus van wettiging. Vanaf dat moment kon de vader ook zijn ouderlijk gezag uitoefenen, aldus de deskundige. Het hof ziet in het dossier geen aanleiding om te twijfelen aan de manier waarop deze expert is ingeschakeld of aan haar deskundigheid.
5.16.
Tot slot wordt ook in de verklaring van de eigen Thaise advocaat van de moeder, die haar in de procedure in Thailand heeft bijgestaan, van 5 oktober 2025 gesproken over een ‘court judgement’. In deze verklaring betoogt de advocaat dat de moeder het recht had om alleen te beslissen over de verblijfplaats van de kinderen en dus het recht had om met de kinderen naar Nederland te verhuizen. Zij schrijft daarover in alinea nr. 7:

Consequently, taking the children abroad by a mother is a legitimate exercise of her rights. If a court judgement grants the mother the right to determine the child’s residence, even if she has joint custody with the father, the mother has sole authority to decide on the child’s residence, according to Civil and Commercial Code of Thailand (CCC), Section 1567(1), since there is an exception that both the parents can agree otherwise by an agreement under Section 1566(6) of the CCC. Traveling abroad with the children is therefor within the scope of that right and does not constitute a violation of the father’s rights. Joint custody does not require consent in all matters, especially matters where the court has determined that one party has absolute rights, such as residence. The mother, who is granted such rights by the court judgement, has the authority to take the child abroad without prior consent from the father, unless the court has expressly prohibited this, which is not the case.
Het hof begrijpt uit deze verklaring dat de advocaat van de moeder in Thailand van mening is dat er sprake is van gezamenlijk gezag op grond van de court judgement, maar dat de moeder op grond van diezelfde judgement met de kinderen naar Nederland mocht afreizen.
5.17.
Op basis van het voorgaande oordeelt het hof dat ten tijde van de overbrenging van de kinderen naar Nederland op 21 augustus 2025 sprake was van gezamenlijk ouderlijk gezag.
5.18.
De moeder betoogt verder dat de vader geen gezag in de zin van het Verdrag heeft, omdat artikel 3 van de overeenkomst haar het recht geeft om zelf, zonder toestemming van de vader, de woonplaats en de onderwijsinstelling van de kinderen te bepalen. Het hof volgt de moeder niet in dit betoog en overweegt daartoe als volgt. Het begrip ‘gezagsrecht’ als genoemd in artikel 3 (jo. artikel 5) van het Verdrag is een verdragsautonoom begrip dat ruim moet worden uitgelegd. Zeggenschap ten aanzien van de verblijfplaats van het kind is een bepalende factor om van gezagsrecht in de zin van artikel 3 van het Verdrag te kunnen spreken, maar niet wordt vereist dat de gezagsdrager de beslissingsbevoegdheid ten aanzien van de verblijfplaats van het kind heeft. Voldoende is bijvoorbeeld dat de gezagsdrager het recht heeft om mee te beslissen over die verblijfplaats, dat voor een wijziging van de verblijfplaats van het kind zijn toestemming nodig is of dat hij het recht heeft om de verblijfplaats van het kind aan de rechter voor te leggen. Uit artikel 16 van de overeenkomst volgt dat de moeder in alle andere gevallen dan het geval dat de vader verzuimt zijn uit de overeenkomst voortvloeiende betalingsverplichtingen na te komen, de toestemming van de vader nodig heeft om de kinderen naar Nederland over te brengen. De moeder heeft tegenover de gemotiveerde en met stukken onderbouwde betwisting door de vader, onvoldoende gesteld om te kunnen aannemen dat de vader in verzuim was met zijn betalingsverplichtingen. Dit betekent dat de moeder niet zonder de toestemming van de vader op 21 augustus 2025 met de kinderen naar Nederland had mogen vertrekken.
5.19.
Het voorgaande maakt dat het hof van oordeel is dat de moeder door de overbrenging van de kinderen naar Nederland in strijd met het gezagsrecht van de vader in de zin van artikel 3 van het Verdrag heeft gehandeld en dat dus sprake is van een ongeoorloofde overbrenging in de zin van dat artikel.
Onmiddellijke terugkeer in de zin van artikel 12 lid 1 van het Verdrag
5.20.
Op grond van artikel 12 lid 1 van het Verdrag wordt de onmiddellijke terugkeer van een kind gelast wanneer er minder dan één jaar is verstreken tussen de overbrenging of het niet doen terugkeren van een kind en het tijdstip van indiening van het verzoek bij de rechtbank.
5.21.
Nu er minder dan één jaar is verstreken tussen de overbrenging van de kinderen naar Nederland en de indiening van het verzoek in eerste aanleg door de vader, dient in beginsel de onmiddellijke terugkeer van de kinderen naar Thailand te volgen, tenzij sprake is van een van de in het Verdrag genoemde weigeringsgronden. De moeder beroept zich op de weigeringsgrond in artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag.
Weigeringsgrond ex artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag
5.22.
Op grond van artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag is de rechter van de aangezochte Staat niet gehouden de terugkeer van het kind te gelasten, indien de persoon die zich tegen de terugkeer verzet, aantoont dat er een ernstig risico bestaat dat het kind door zijn terugkeer wordt blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar, dan wel op enigerlei andere wijze in een ondragelijke toestand wordt gebracht.
5.23.
Het hof stelt voorop dat artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag restrictief moet worden uitgelegd en dat een beroep daarop slechts in uitzonderlijke situaties kan worden gehonoreerd. Als uitgangspunt geldt dat, in geval van kinderontvoering, terugkeer naar de staat van de gewone verblijfplaats in het belang van het kind is en dat de verzochte terugkeer alleen in bijzondere omstandigheden geweigerd wordt. De rechter van de aangezochte staat mag de in voornoemd artikel gestelde voorwaarden niet reeds vervuld achten louter op grond van zijn oordeel dat het belang van het kind in het land van herkomst minder goed gediend is dan in het land van de aangezochte rechter. De belangenafweging bij de vraag waar en bij wie van de ouders het kind zijn uiteindelijke verblijfplaats moet hebben, moet immers plaatsvinden in een bodemprocedure en past niet in de onderhavige procedure, waarin slechts een ordemaatregel wordt getroffen (zie HR 20 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU4795).
5.24.
De moeder stelt dat de kinderen bij terugkeer naar Thailand in een ondragelijke toestand komen te verkeren. De moeder zal namelijk niet terugkeren naar Thailand en de vader is niet in staat om voor de kinderen te zorgen. De moeder heeft in Thailand geen woonruimte en de vader komt ook zijn financiële verplichtingen jegens de moeder niet na. Het is niet aangetoond dat de vader in [woonplaats in Thailand] woont, een inkomen geniet en een visum heeft. Daarbij heeft de raad geen contacten in Thailand, waardoor zij geen zorgmelding kunnen doen of een nacontrole kunnen uitvoeren. De moeder heeft ook een tweetal aangiftes gedaan bij de politie in Thailand. Eén keer wegens bedreiging van de moeder door de vader en de tweede keer wegens letsel bij de kinderen. Verder heeft de vader in Thailand strafrechtelijke aangifte tegen de moeder gedaan wegens beweerdelijke vervalsing door de moeder van de handtekening van de vader bij de aanvraag van Nederlandse paspoorten voor de kinderen. De moeder loopt het risico hiervoor te worden gearresteerd en dus van de kinderen te worden gescheiden. De vader zegt deze aangifte te hebben ingetrokken maar heeft dit onvoldoende aangetoond. De moeder geeft aan dat zij bang is voor de vader en dat zij en de kinderen niet veilig zullen zijn bij een terugkeer naar Thailand.
5.25.
De vader betwist dat wat door de moeder is gesteld. De moeder heeft haar beschuldigingen jegens de vader niet onderbouwd. De vader vermoedt dat de uitspraken van de kinderen bij de bijzondere curator, dat hij de moeder zou willen vermoorden, door de moeder zijn ingefluisterd. Ook betwist de vader dat hij in Thailand geen inkomen en huis zou hebben. De vader geeft aan dat hij een liefdevolle band heeft met de kinderen. Dat is ook gebleken tijdens zijn contactmoment met de kinderen bij de raad na de vorige zitting. Uit de als productie 12 in eerste aanleg overgelegde verklaring van zijn Thaise advocaat, voorzien van een politierapport, blijkt dat hij zijn eerdere aangifte tegen de moeder heeft ingetrokken. De kinderen komen niet in een ondragelijke toestand bij terugkeer naar Thailand.
5.26.
Het hof oordeelt als volgt. Gelet op de gemotiveerde betwisting van de vader heeft de moeder niet, althans onvoldoende, aannemelijk gemaakt dat zij, maar met name de kinderen, in een ondragelijke toestand zullen raken bij een terugkeer naar Thailand. De moeder heeft naast de twee door haar gedane aangiftes geen andere stukken in het geding gebracht welke haar stellingen onderbouwen. De vader heeft voldoende gemotiveerd weersproken dat het gefotografeerde letsel bij de kinderen door hem is veroorzaakt. Daarnaast blijkt uit de waarneming van een raadsmedewerker en het verslag van de bijzondere curator niet van weerstand van de kinderen richting de vader, maar juist van een liefdevolle band tussen hen. De kinderen missen de vader en willen graag bij hem zijn. Omdat de huidige situatie grote impact heeft gehad op de kinderen, heeft de raad op de zitting gezegd een zorgmelding in Thailand te kunnen doen als vangnet, zodat er zicht komt op de kinderen en hun verwerking van wat er de afgelopen periode is gebeurd. De vader heeft op de zitting toegezegd zijn financiële verplichtingen te hervatten als de moeder terugkeert naar Thailand en haar te helpen met het zoeken van woonruimte. Door de vader is voldoende aangetoond dat hij zijn aangifte tegen de moeder met betrekking tot het al dan niet vervalsen van zijn handtekening heeft ingetrokken. Ook heeft de moeder op de zitting verklaard dat haar nieuwe partner een baan heeft in [woonplaats in Thailand] , zodat ook deze partner de moeder kan helpen bij een zoektocht naar woonruimte. Op grond van het voorgaande kan naar oordeel van het hof niet worden aangenomen dat de kinderen in een ondragelijke toestand zullen komen bij een terugkeer naar Thailand, dan wel dat geen ‘soft landing’ zou kunnen plaatsvinden.
Conclusie
5.27.
Nu de moeder de kinderen in strijd met een gezagsrecht van de vader heeft overgebracht naar Nederland en geen sprake is van een in het Verdrag genoemde weigeringsgrond, zal het hof de onmiddellijke teruggeleiding van de kinderen naar Thailand gelasten.
5.28.
De vader heeft verzocht om een bevel tot teruggeleiding van de kinderen naar - primair - zijn adres in [woonplaats in Thailand] . Het hof wijst dit onderdeel van het verzoek af, reeds omdat een teruggeleidingsbevel naar zijn aard slechts een ordemaatregel is die tot doel heeft het kind terug te geleiden naar het land van zijn gewone verblijfplaats van vóór de ontvoering.
5.29.
Voor zover de vader verzoekt om de onmiddellijke terugkeer van de kinderen “zo nodig met behulp van de sterke arm” te bevelen, wordt dit verzoek afgewezen wegens gebrek aan belang. Gelet op artikel 13 lid 6 van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering in combinatie met artikel 813 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is daarin namelijk al van rechtswege voorzien.
Voorlopige voogdij
5.30.
Als het verzoek tot teruggeleiding wordt toegewezen, verzoekt de vader om de kinderen onder voorlopige voogdij te plaatsen. De vader maakt zich zorgen over de vraag of de moeder de gerechtelijke uitspraak zal naleven. Hij voert daartoe aan dat zij de afspraken uit de overeenkomst stelselmatig heeft genegeerd. Ook komt zij de met de raad gemaakte afspraak om twee keer in de week de kinderen met de vader te laten videobellen niet na. De vader weet ook niet precies waar de moeder met de kinderen in Nederland verblijft.
5.31.
De moeder stelt dat uit niets blijkt dat zij zich aan de rechterlijke uitspraak zal onttrekken. De moeder betwist dat zij recent afspraken, waaronder afspraken met betrekking tot het videobellen, niet is nagekomen. Daarnaast stelt de moeder dat de raad op de hoogte is van haar huidige verblijfplaats.
5.32.
De raad heeft op de zitting het hof verzocht uitspraak te doen met betrekking tot het verzoek voor een voorlopige voogdijmaatregel en dit verzoek toe te wijzen.
5.33.
Het hof zal het verzoek van de vader om een voorlopige voogdijmaatregel uit te spreken, toewijzen. Tot aan de zitting in hoger beroep heeft de moeder niet haar adres kenbaar gemaakt, noch aan de vader, noch aan het hof. Voorts neemt het hof in aanmerking dat er heldere afspraken waren gemaakt tussen ouders die zijn vastgelegd in de overeenkomst en dat de moeder tegen deze afspraken in zes maanden later heeft besloten om met de kinderen naar Nederland te vertrekken, dit buiten medeweten van de vader. Het hof sluit daarom niet uit dat de moeder de kinderen aan de daadwerkelijke teruggeleiding zal onttrekken. Het hof zal Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering tot voogd benoemen als bedoeld in artikel 13 lid 4 van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering.
Kosten
5.34.
De vader verzoekt een (proces)kostenveroordeling van € 11.991,80 (de in eerste aanleg verzochte kostenvergoeding) + minimaal € 7.250,- (de kosten in hoger beroep), dus een (proces)kostenvergoeding van in totaal minimaal € 19.241,80. De moeder stelt dat het gangbaar is om in familierechtelijke procedures geen proceskostenveroordeling uit te spreken. De moeder ziet in onderhavige zaak geen aanleiding om hiervan af te wijken. Daarnaast betwist de moeder de door de vader gestelde kosten en de hoogte daarvan.
5.35.
Op grond van artikel 13 lid 5 van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering kan de rechter, voor zover hier van belang, desverzocht of ambtshalve elke persoon die voor de internationale ontvoering van het kind verantwoordelijk is veroordelen tot betaling aan de persoon aan wie het gezag over het kind toekomt, van de door deze in verband met de ontvoering en de teruggeleiding van het kind gemaakte kosten.
5.36.
Het hof ziet in de feiten en omstandigheden zoals hiervoor vermeld aanleiding om de moeder te veroordelen in de door de vader gemaakte kosten als gevolg van het ongeoorloofd overbrengen van de kinderen. Het hof maakt hierbij een onderscheid tussen de kosten gemaakt in verband met de ontvoering en teruggeleiding en de proceskosten. Ten aanzien van de gemaakte proceskosten ziet het hof geen aanleiding af te wijken van het uitgangspunt in familierechtelijke geschillen. Het hof zal daarom de proceskosten compenseren, in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt. Ten aanzien van de in verband met de ontvoering en teruggeleiding gemaakte kosten, zal het hof het door de vader ingediende overzicht volgen. Het hof houdt hierbij alleen rekening met de daadwerkelijk gemaakte en met stukken onderbouwde kosten. Uit het overzicht volgt dat de kosten in eerste aanleg [€ 51,57 + € 45,93 + 370,61 =] € 468,11 bedroegen en in hoger beroep € 1.400,-, zodat het hof de totale kosten vaststelt op € 1.868,11.
5.37.
Het zijdens de moeder in hoger beroep gedane verzoek om een kostenveroordeling ten laste van de vader uit te spreken, zal worden afgewezen reeds omdat de moeder in het ongelijk wordt gesteld.
5.38.
Het hof zal de bijzondere curator ontslag verlenen met ingang van de datum van de teruggeleiding.

6.De beslissing

Het hof:
vernietigt de bestreden beschikking voor zover daarbij zijn afgewezen het verzoek van de vader tot teruggeleiding, zijn verzoek tot het uitspreken van een voorlopige voogdijmaatregel en zijn verzoek tot de veroordeling van de moeder in de door hem in verband met de ontvoering en de teruggeleiding gemaakte kosten, en in zoverre opnieuw beschikkende:
gelast de onmiddellijke teruggeleiding van [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2019 te [geboorteplaats] (Thailand) en [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2022 te [geboorteplaats] (Thailand) naar Thailand, uiterlijk op 22 december 2025, waarbij de moeder de kinderen dient terug te brengen naar Thailand en beveelt, indien de moeder nalaat de kinderen terug te brengen naar Thailand, dat de moeder de kinderen met de benodigde geldige reisdocumenten aan de vader zal afgeven uiterlijk op 22 december 2025, opdat de vader de kinderen zelf mee terug kan nemen naar Thailand;
belast Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering met de voorlopige voogdij over voornoemde kinderen tot het moment dat de beslissing tot teruggeleiding ten uitvoer zal zijn gelegd;
veroordeelt de moeder in de door de vader in verband met de ontvoering en teruggeleiding gemaakte kosten tot een bedrag van € 1.868,11;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover de rechtbank daarbij heeft bepaald dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
compenseert de kosten van de procedure in hoger beroep tussen partijen in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
ontslaat de bijzondere curator van haar taak met ingang van de datum van teruggeleiding;
wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.L.C.C. Lückers, C.S.F. de Nijs en P.M.M. Mostermans, bijgestaan door mr. R.T. Goede als griffier, en is op 3 december 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.