Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
1.[eiser 1] ,
2.[eiser 2] ,
1.De zaak in het kort
2.De procedure in hoger beroep
3.Feiten en achtergronden van deze zaak; juridisch kader
4.Het geschil; de procedure bij de Voorzieningenrechter
5.Beoordeling in hoger beroep
“inherent limitations on private and family life”met zich. [5] Het beroep van de kinderen op het gelijkheidsbeginsel (zij zouden ongelijk worden behandeld ten opzichte van leerlingen die geen gedetineerde vader hebben) faalt reeds op deze grond. Het verschil in behandeling wordt gerechtvaardigd door de detentie van de vader en het regime waaronder hij in de [beveiligde inrichting] verblijft.
fair balance” (zie hierna).
van de gedetineerdeonder art. 8 EVRM. Het is duidelijk dat in zo’n geval ook een inmenging plaatsvindt in de rechten van de gezinsleden die het bezoek (willen) afleggen, zoals in dit geval de kinderen, en dat staat in dit geding ook niet ter discussie. Het EHRM neemt meer in het bijzonder een inmenging aan als de kinderen van een gedetineerde niet volledig gebruik kunnen maken van hun bezoekrechten vanwege conflicten met schooltijden. [6] [eisers] hebben aangevoerd dat de kinderen hun vader niet zoveel kunnen bezoeken als op grond van de bezoekuren in de [beveiligde inrichting] toegestaan zou zijn, omdat dat tot teveel verzuim zou leiden. [7] De Staat heeft dit op zichzelf niet betwist. Dit betekent dat het hof ervan zal uitgaan dat in dit geval sprake is van een inmenging in de door art. 8 EVRM gewaarborgde rechten van de kinderen. De vraag is dan of deze inmenging voorzien is bij wet, of deze een legitiem doel (in de zin van art. 8 lid 2 EVRM) dient en of deze noodzakelijk is in een democratische samenleving.
“fair balance”heeft getroffen tussen het legitieme doel (het verzwaarde detentieregime) enerzijds en het door art. 8 EVRM gewaarborgde recht op een gezinsleven van de kinderen anderzijds.
fair balance” hebben gevonden speelt uiteraard mee dat in dit geding uitgangspunt is dat op [eiser 1] het verzwaarde regime van de [beveiligde inrichting] van toepassing is. Het EHRM heeft vergaande beperkingen op bezoekmogelijkheden aanvaard in een geval waarin het erom ging te voorkomen dat een gedetineerde vanuit detentie contact zou onderhouden met, en gebruik zou maken van, de criminele organisatie waartoe hij behoorde, waarbij een rol speelde dat vast stond dat familiebezoek vaak werd misbruikt om dergelijke contacten te onderhouden. [8] In het onderhavige geval is dus van belang dat [eiser 1] in de [beveiligde inrichting] is geplaatst op grond van (onder meer) het risico op voortgezet crimineel handelen vanuit detentie (art. 6 lid 1 onder c Rspog, zie hiervoor nr. 3.2) en dat dit risico jaarlijks opnieuw wordt beoordeeld, laatstelijk bij besluit van 7 februari 2025.
necessary in a democratic society and (…) based on a pressing social need” zijn. Daarbij kan volgens het EHRM niet worden volstaan met brede generalisaties ten aanzien van veiligheidsoverwegingen en personeelsgebrek of met een
“one size fits all approach”. Het EHRM wijst er in dit verband op dat van de verdragsstaten wordt verlangd dat zij ervoor zorgen dat de relevante autoriteiten een techniek ontwikkelen om de vereiste afweging in elk individueel geval te kunnen maken. De autoriteiten moeten de tegenstrijdige belangen tussen het individuele en het algemene belang afwegen en daarbij de
“peculiarities of a case”in aanmerking nemen, waaronder de omstandigheid dat de gedetineerde schoolgaande kinderen heeft. [9] Het gaat, in de bewoordingen van het EHRM, om het maken van “
a concrete assessment” waarbij rekening moet worden gehouden met “
the fact that permitting visits only on weekdays and during working hours was very restrictive and burdensome in terms of maintaining the relationships between imprisoned parents and their children”. [10] Indien de gedetineerde ver van huis is gedetineerd,
“the authorities are advised to arrange visits in a flexible manner with a view to maximizing the quality and duration of the communication and preventing the interruption of the children’s educational activities”. [11] Verder is het vaste jurisprudentie van het EHRM dat op de gevangenisautoriteiten de plicht rust
“to help prisoners maintain contact with their families”. [12]
fair balance” heeft getroffen tussen enerzijds het belang bij detentie van [eiser 1] conform het strenge regime van de [beveiligde inrichting] en anderzijds het belang van de kinderen om bij hun vader op bezoek te kunnen komen zonder school te hoeven verzuimen. Of die “
fair balance” is bereikt zal onder meer afhangen van de vraag of, en zo ja, in hoeverre het redelijkerwijs mogelijk is voor de [beveiligde inrichting] de bezoektijden voor [eiser 1] zo te regelen dat, met behoud van dezelfde waarborgen ten aanzien van de veiligheid en het voorkomen van mogelijke voortgezette criminele activiteiten, de kinderen op bezoek kunnen komen zonder (of met minder) schoolverzuim.
necessary in a democratic society and (…) based on a pressing social need” zijn. De Staat heeft in dit verband het volgende naar voren gebracht. Bij bezoek aan een gedetineerde in de [beveiligde inrichting] gelden uitgebreide veiligheids- en toezichtmaatregelen waarvoor een aanzienlijke personeelsinzet nodig is. De bezoekmomenten van de verschillende afdelingen moeten op elkaar en op het dagprogramma worden afgestemd. Het is praktisch onmogelijk om bezoek in het weekend of in de avonduren te faciliteren omdat de Dienst Justitiële Inrichtingen kampt met een aanzienlijk personeelstekort. Om ruimere bezoektijden op een veilige en verantwoorde manier mogelijk te maken is veel meer personeel nodig en zullen alle dagprogramma’s moeten worden aangepast. Ook moet personeel beschikbaar zijn in geval van een calamiteit bij gedetineerdenbewegingen binnen de [beveiligde inrichting] en gedetineerdenbewegingen moeten op elkaar worden afgestemd, want voorkomen moet worden gedetineerden van verschillende afdelingen elkaar tegenkomen op het moment dat zij bezoek ontvangen. [13]
fair balance” heeft getroffen nader te motiveren, in ieder geval door feitelijk te onderbouwen waarom redelijkerwijs niet van hem gevergd kan worden de bezoektijden zodanig te organiseren dat de kinderen buiten schooltijd hun vader kunnen bezoeken. Het hof acht deze tussenstap noodzakelijk, mede omdat - in afwijking van art. 4.6 van het rolreglement - op de mondelinge behandeling alleen mr. Beekes maar niemand van de Staat (of de [beveiligde inrichting] ) zelf aanwezig was die van de zaak op de hoogte is (en vragen van het hof kon beantwoorden).