Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
1.[geïntimeerde 1] ,
[geïntimeerde 2],
[geïntimeerde 3],
[geïntimeerde 4],
[geïntimeerde 5],
[geïntimeerde 6],
[geïntimeerde 7],
Airbus SE,
[geïntimeerde 8],
[geïntimeerde 9],
[geïntimeerde 10],
[geïntimeerde 11],
Ernst & Young Accountants LLP,
Airbus Investors Recovery Stichting,
1.De zaak in het kort
Chief Financial Officers(CFO’s) en accountant. Volgens SILC hebben de beleggers schade geleden, omdat zij op basis van onjuiste, misleidende en onvolledige informatie aandelen in Airbus hebben verworven dan wel gehouden.
2.Procesverloop in hoger beroep
- de dagvaarding van 19 december 2023, waarmee SILC in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de rechtbank Den Haag van 20 september 2023 (hierna ook: het vonnis);
- de verstekverlening tegen AIRS;
- de memorie van grieven van SILC, met bijlagen;
- de memorie van antwoord in principaal hoger beroep tevens memorie van grieven in (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep van [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 3] , [geïntimeerde 4] , [geïntimeerde 5] , [geïntimeerde 6] en [geïntimeerde 7] ;
- de memorie van antwoord in principaal hoger beroep tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep van Airbus, [geïntimeerde 9] en [geïntimeerde 8] , met een bijlage;
- de memorie van antwoord van [geïntimeerde 10] , met bijlagen;
- de memorie van antwoord in principaal hoger beroep tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep van [geïntimeerde 11] , met een bijlage;
- de memorie van antwoord in principaal hoger beroep tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep van EYA, met bijlagen;
- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep van SILC, met bijlagen;
- de akte houdende bezwaar tegen onderdelen van SILC’s memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep van Airbus, [geïntimeerde 9] en [geïntimeerde 8] ;
- de akte houdende bezwaar tegen onderdelen van de memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep van SILC tevens verzoek om tussentijdse (regie-) beslissing door het hof van EYA, met bijlagen;
- de akte houdende bezwaren tegen onderdelen memorie van antwoord in incidenteel appel SILC van [geïntimeerde 11] ;
- de akte van SILC;
- de akte overlegging producties (nrs. 150 t/m 163) die SILC ter gelegenheid van de hierna te noemen mondelinge behandeling heeft overgelegd;
- de akten overlegging producties (nrs. 24 en 25) die EYA ter gelegenheid van deze mondelinge behandeling heeft overgelegd.
3.Feitelijke achtergrond
one-tier board, aangeduid als
Board of Directors(hierna: Raad van Bestuur). In de Raad van Bestuur zit een uitvoerend bestuurder, de
Chief Executive Officer(hierna: CEO) van Airbus. De overige leden zijn
Non-Executive Director(hierna: NED). De volgende geïntimeerden zijn leden (geweest) van de Raad van Bestuur:
Chief Financial Officer(hierna: CFO) bij Airbus maakt geen deel uit van de Raad van Bestuur. Vanaf 1 februari 2008 tot 1 april 2019 was [geïntimeerde 10] CFO van Airbus. Hij is op 1 april 2019 opgevolgd door [geïntimeerde 9] .
4.Procedure bij de rechtbank
5.Vorderingen in hoger beroep
6.Beoordeling in hoger beroep
Partijen in hoger beroep
Geen bevoegdheid op grond van artikel 25 Verordening Pro Brussel I-bis
Bevoegdheid op grond van artikel 4 lid 1 en Pro artikel 8 lid 1 Verordening Pro Brussel I-bis
Erfolgsort) als de plaats van de schadeveroorzakende gebeurtenis (het
Handlungsort). De eiser kan kiezen of hij de verweerder oproept voor de rechter van het
Handlungsortof het
Erfolgsort. [9]
Handlungsort. De door de Europese bestuursleden aangevoerde omstandigheden dat de kernactiviteiten van Airbus vooral in Frankrijk en Duitsland zijn gelegen en dat de verwijten van SILC betrekking hebben op onderzoeken van de Amerikaanse, Britse en Franse autoriteiten, zijn in dat kader minder relevant, omdat zij onverlet laten dat de gestelde schending van de openbaarmakingsverplichtingen door Airbus en het handelen van de Europese bestuursleden in Nederland geacht moeten worden te hebben plaatsgevonden.
Executive Committeevan Airbus moeten worden beschouwd als uitvoerend bestuurders. Bovendien hebben de vorderingen tegen de CFO’s betrekking op dezelfde (misleidende) informatie als de vorderingen tegen de leden van de Raad van Bestuur. Vanwege hun rol binnen Airbus en hun verantwoordelijkheid voor het opmaken van de financiële publicaties was voor de CFO’s te voorzien dat zij samen met Airbus voor de Nederlandse rechter zouden moeten verschijnen, aldus SILC.
Executive Committeemaakt dat niet anders. Zij zijn werknemer van (een entiteit behorend tot het concern van) Airbus, staan in een gezagsrelatie tot (het bestuur van) Airbus en hebben geen (statutaire) instructiebevoegdheid. Bij de beoordeling van de vraag of de CFO’s persoonlijk aansprakelijk kunnen worden gehouden voor de door hen verstrekte financiële informatie moet daarom ook hun contractuele relatie met Airbus in ogenschouw worden genomen. Het is de taak van de Raad van Bestuur om Airbus te besturen en om de financiële verslaggeving op te maken, te ondertekenen en openbaar te maken. Dat de CFO’s de Raad van Bestuur hierbij ondersteunen en ook richting de beleggers in de openbaarheid treden (door zich in de jaarverslagen te laten interviewen over de door Airbus behaalde resultaten), maakt hen in vennootschapsrechtelijke zin niet (eind)verantwoordelijk voor de financiële verslaggeving en het financieel beleid van Airbus. Die verantwoordelijkheid rust exclusief bij de Raad van Bestuur. Mede in aanmerking genomen dat beide CFO’s de [nationaliteit] nationaliteit hebben en hun werkzaamheden feitelijk vanuit Frankrijk en Duitsland verricht(t)en, kan daarom niet worden aangenomen dat voor hen voorzienbaar was dat zij in persoon door beleggers in Airbus konden worden opgeroepen voor de Nederlandse rechter wegens onrechtmatig handelen in relatie tot de financiële publicaties. Dit is voor een geslaagd beroep op artikel 8 lid 1 Verordening Pro Brussel I-bis wel vereist, omdat de vorderingen tegen de CFO’s niet (geheel) dezelfde rechtsgrond hebben als de vorderingen tegen Airbus.
ÖFAB/Koot [10] niet beslissend is. Het gaat in dit arrest over onbetaald gebleven schulden van een failliete vennootschap als gevolg van onvoldoende toezicht door de bestuurder. Dit betreft een specifieke vorm van bestuurdersaansprakelijkheid die hier niet aan de orde is. Bovendien zijn de CFO’s geen bestuurder maar werknemer van Airbus. Daarnaast heeft de rechtbank terecht veel gewicht toegekend aan de omstandigheid dat de CFO’s hun werkzaamheden buiten Nederland hebben verricht. In het licht hiervan heeft SILC haar beroep op artikel 7 lid 2 Verordening Pro Brussel I-bis onvoldoende onderbouwd.
voor zover de rechtsvordering betrekking heeft op een gebeurtenis of gebeurtenissen die heeft of hebben plaatsvonden voor 15 november 2016”.
een gebeurtenis of gebeurtenissen die heeft of hebben plaatsgevonden op of na 15 november 2016” in de genoemde bepalingen zijn het resultaat van het amendement Van Gent c.s. [13]
rechtsvorderingen(in de WAMCA aangeduid als: collectieve vorderingen) die weliswaar na de inwerkingtreding van de WAMCA werden ingesteld, maar betrekking hebben op een gebeurtenis of gebeurtenissen die plaats vond(en) vóór 15 november 2016.
schadeveroorzakendegebeurtenis of gebeurtenissen die door de indiener aan de rechtsvordering ten grondslag wordt of worden gelegd. SILC heeft aan haar collectieve vorderingen tegenover Airbus, de leden van de Raad van Bestuur en EYA als schadeveroorzakende gebeurtenis ten grondslag gelegd het informatieverzuim van Airbus, waaraan volgens SILC de leden van de Raad van Bestuur en EYA hebben bijgedragen. SILC betoogt dat het informatieverzuim heeft geleid tot koersschade bij de beleggers, omdat de aandelenkoers een geflatteerd beeld gaf doordat Airbus de (financiële) risico’s in verband met omkooppraktijken verborgen hield in haar financiële publicaties. De door SILC gemaakte berekening van deze schade is gebaseerd op koersbewegingen kort na het openbaar maken van (gestelde) verborgen informatie die tot koersinflatie heeft geleid (“
corrective disclosures”).
het beginvan het gestelde informatieverzuim in februari 2014 of het voorjaar van 2015 en in elk geval vóór 15 november 2016. Dat standpunt strookt niet met de toelichting op het amendement waarin staat dat wanneer sprake is van een reeks van gebeurtenissen die vóór en na 15 november 2016 plaatsvinden, moet worden aangeknoopt bij het recht dat geldt op het moment dat de
laatstegebeurtenis waarop de vordering betrekking heeft, heeft plaatsgevonden. Dat brengt mee dat de WAMCA van toepassing kan zijn op vorderingen die betrekkingen hebben op gebeurtenissen die zich hebben voorgedaan vóór 15 november 2016, mits zij deel uitmaken van een reeks van gebeurtenissen die ook na 15 november 2016 plaatsvond. Dat volgt ook uit rechtspraak van de Hoge Raad, waarin staat dat de WAMCA van toepassing is indien de vorderingen “niet (uitsluitend)” betrekking hebben op gebeurtenissen die zich hebben voorgedaan vóór 15 november 2016. [15]
in theorie”) op 15 november 2016, toen de komst van de WAMCA bekend werd, het verweten achterhouden van de genoemde informatie kunnen staken, teneinde toepasselijkheid van de WAMCA te voorkomen. Bovendien is door de invoering van de WAMCA het materiële recht, op grond waarvan wordt beoordeeld of iets onrechtmatig is, niet veranderd; alleen de wijze waarop de schade kan worden gevorderd is veranderd.
ex nunc). EYA is het niet eens met dit oordeel. Zij stelt dat de ontvankelijkheid
ex tuncmoet worden beoordeeld, dus naar de situatie ten tijde van de inleidende dagvaarding. Volgens EYA bestaan in het systeem van de WAMCA hiervoor goede redenen, omdat een toetsing
ex nuncin de hand werkt dat een belangenorganisatie onvoorbereid een collectieve dagvaarding uitbrengt, in de hoop daarmee andere belangenorganisaties de pas af te snijden. Zij kan er dan op ‘gokken’ dat zij gedurende de procedure nog de gelegenheid krijgt om haar organisatie op orde te krijgen.
ex nuncwordt getoetst, dat wil zeggen: op grond van de zich op het moment van de beoordeling van de toewijsbaarheid van de vordering voordoende omstandigheden. Dat is vaste rechtspraak en valt ook te verklaren vanuit de ruime herstelfunctie die aan het hoger beroep naar Nederlands procesrecht toekomt. Het is, vanuit het oogpunt van goede rechtspleging, ongewenst om, als in eerste aanleg blijkt van een gebrek dat toen niet tijdig is hersteld, herstel van dat gebrek in hoger beroep buiten beschouwing te laten. De redenen die hebben geleid tot invoering van de WAMCA maken dat niet anders. De WAMCA voorziet in een verscherping van de ontvankelijkheidseisen in een collectieve actie als deze. De ratio daarvan is onder meer gelegen in de wens tot het weren van ongewenste belangenorganisaties, waarbij vooral is gedacht aan belangenorganisaties met (financiers met) oneigenlijke, eigen commerciële beweegredenen en aan belangenorganisaties die niet op hun taak zijn berekend. Indien eerst in hoger beroep aan deze door de WAMCA verscherpte eisen wordt voldaan, wordt ook in voldoende mate tegemoetgekomen aan de ratio van de wetgever voor de invoering van de WAMCA. Andersom verzet de genoemde ratio zich ertegen dat een belangenorganisatie, waarvan de organisatie aan het begin van de procedure nog wel in orde is, vervolgens voor altijd claimgerechtigd blijft, ook als zij nadien, bijvoorbeeld bij een hogere instantie, niet meer aan de eisen voldoet. Dat pleit voor toetsing
ex nunc, waarbij alle ontwikkelingen in de beschouwingen kunnen worden betrokken. Tot slot wijst ook de wetssystematiek in voormelde richting. In het bij de invoering van de WAMCA gewijzigde artikel 3:305a BW staat niet op welk moment aan de ontvankelijkheidseisen moet zijn voldaan. Wel volgt uit artikel 1018c lid 5 sub a Rv dat toetsing plaatsvindt op het moment waarop moet worden beslist of de eisende partij voldoet aan de ontvankelijkheidseisen van artikel 3:305a BW. Ook dit wijst, in elk geval voor deze vraag, op een toetsing
ex nunc. [16]
ex nunc).
waarbij de zeggenschap over de rechtsvordering in voldoende mate bij de rechtspersoon ligt(cursivering hof).
fraud on the market. SILC stelt dat DRRT in dat kader de mogelijkheden voor verhaal van gedupeerde institutionele beleggers in aandelen Airbus heeft onderzocht. Vaststaat dat DRRT de oprichtingskosten van SILC heeft betaald en de procedure tegen Airbus c.s. heeft voorgefinancierd.
expert consultancy and services agreement. SILC voert niet aan dat de inhoud van de werkzaamheden die DRRT voor haar verricht in materieel opzicht is gewijzigd. Onderdeel van de afspraken tussen SILC en DRRT is dat DRRT alleen vergoeding ontvangt voor haar werkzaamheden bij een positief resultaat (no cure no pay):
“It is expressly understood that the Consultant will perform its services on a contigency basis only and will only get compensated for its efforts by the Foundation’s litigation funder, Therium Litigation Finance Atlas P IC (the Funder) under terms and conditions negotiated between the Consultant and the Funder. The Consultant assumes the risk of not being compensated and agrees not to approach the Foundation for any of its participants for any payment of costs or fees”.
Litigation Funding Agreement(hierna: de financieringsovereenkomst) gesloten met Therium Litigation Finance Atlas P IC (hierna: Therium), die de positie van financier zou overnemen. Therium is een internationaal opererende
Third Party Litigation Funderdie (primair) is gericht op het behalen van winst voor haar investeerders.
waterfall) met DRRT, Rightshare en nog een vierde partij (die is weggelakt). Deze aan Therium toe te kennen vergoeding (“Total Fee”) bestaat uit het hoogste bedrag van ofwel (a) de som van de “Return” (zijnde driemaal – jaarlijks verhoogd met 0,25 vanaf 2026 – de door Therium toegezegde financiering), plus een bedrag gelijk aan driemaal (jaarlijks verhoogd met 0,25 vanaf 2026) de “Deferred Fees” (zijnde uitgestelde – wel geregistreerde, maar niet gefactureerde – vergoedingen) van DRRT, Rightshare (en de weggelakte partij), plus de door Therium betaalde financiering (“Cash Outlay”) plus de “out of pocket costs” van DRRT, Rightshare en “internal costs”, ofwel (b) 25 procent van de totale opbrengst. [22] De vergoeding is gemaximeerd op € 35 miljoen. SILC moet de vergoeding zo nodig inhouden op de uitkering aan de beleggers. [23]
governancevan de belangenorganisatie moet blijken dat de belangenorganisatie én de aan de belangenorganisatie rechtstreeks of middellijk verbonden (rechts)personen geen winstoogmerk hebben bij de uitoefening van hun activiteiten.
Deferred Fees) bij een positief resultaat zullen worden voldaan uit de opbrengst van de claim. In zoverre is sprake van ‘voorfinanciering’ van kosten, wat ook als ‘externe financiering’ valt te beschouwen. [24] De door hen gemaakte kosten zullen dan worden terugbetaald met een opslag. DRRT en Rightshare delen aldus in de opbrengst van deze procedure en zijn daarom voor hun betaling afhankelijk van de uitkomst.
waterfallte betalen. Deze opzet laat onverlet dat feitelijk sprake is van voorfinanciering door DRRT en Rightshare voor door SILC gemaakte kosten, die – alleen bij succes – weer zullen worden voldaan (met een opslag) uit de opbrengst.
expert consultancy and services agreementtussen DRRT en SILC, waarin is opgenomen dat DRRT juridisch en strategisch advies zal geven:
“inter alia in relation to internationally accepted market-standards for settlements of securities disputes”. Daarnaast merkt het hof op dat in artikel 8.1 van de financieringsovereenkomst weliswaar de autonomie van SILC vooropgesteld is, maar dat aan DRRT en Therium in de artikelen 8.2 tot en met 8.5 een informatie- en consultatierecht is toegekend dat erin voorziet dat zij in elk stadium van alle beslissingen over de rechtsvordering op de hoogte worden gesteld en dat SILC hen over elke te nemen strategische of juridische beslissing met betrekking tot de rechtsvordering moet consulteren:
return on investment) bij de uitkomst, concludeert het hof dat onvoldoende is gewaarborgd dat de belangen van de beleggers waarvoor SILC stelt op te komen in de te voeren processtrategie en de onderhandelingen over een schikking in voldoende mate geacht kunnen worden voorop te staan.
entrepreneurial lawyering’ wat de wetgever juist niet mogelijk heeft willen maken (zie 6.54).
7.Conclusie en proceskosten
- [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 3] , [geïntimeerde 4] , [geïntimeerde 5] , [geïntimeerde 6] en [geïntimeerde 7] : € 2.955,- , waarvan € 349,- aan griffierecht, € 2.428,- aan salaris voor de advocaat (2 punten × tarief II) en € 178,- aan nakosten (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing);
- Airbus, [geïntimeerde 9] en [geïntimeerde 8] : € 3.404,-, waarvan € 798,- aan griffierecht, € 2.428,- aan salaris voor de advocaat (2 punten × tarief II) en € 178,- aan nakosten (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing);
- [geïntimeerde 10] : € 2.955,-, waarvan € 349,- aan griffierecht, € 2.428,- aan salaris voor de advocaat (2 punten × tarief II) en € 178,- aan nakosten (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing);
- [geïntimeerde 11] : € 2.949,- , waarvan € 343,- aan griffierecht, € 2.428,- aan salaris voor de advocaat (2 punten × tarief II) en € 178,- aan nakosten (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing);
- EYA: € 3.389,-, waarvan € 783,- aan griffierecht, € 2.428,- aan salaris voor de advocaat (2 punten × tarief II) en € 178,- aan nakosten (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing).
.
8.Beslissing
in principaal hoger beroep
- verklaart SILC niet-ontvankelijk in haar hoger beroep voor zover dit zich richt tegen AIRS (en/of tegen het tussen AIRS en Airbus gewezen vonnis);
- veroordeelt SILC in de kosten van het principaal hoger beroep ten aanzien van AIRS begroot op nihil;
- veroordeelt SILC in de kosten van het principaal hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 3] , [geïntimeerde 4] , [geïntimeerde 5] , [geïntimeerde 6] , [geïntimeerde 7] , Airbus, [geïntimeerde 8] , [geïntimeerde 9] , [geïntimeerde 10] , [geïntimeerde 11] en EYA begroot als volgt:
- [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 3] , [geïntimeerde 4] , [geïntimeerde 5] , [geïntimeerde 6] en [geïntimeerde 7] : € 2.955,- , waarvan € 349,- aan griffierecht, € 2.428,- aan salaris voor de advocaat (2 punten × tarief II) en € 178,- aan nakosten (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing);
- Airbus, [geïntimeerde 9] en [geïntimeerde 8] : € 3.404,- vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als SILC deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald;
- [geïntimeerde 10] : € 2.955,- vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als SILC deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald;
- [geïntimeerde 11] : € 2.949,- vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als SILC deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald;
- EYA: € 3.389,- vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als SILC deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald;
- bepaalt dat als SILC niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, SILC de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 92,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als SILC deze niet binnen veertien dagen na betekening hebben betaald;
in incidenteel hoger beroep
- veroordeelt [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 3] , [geïntimeerde 4] , [geïntimeerde 5] , [geïntimeerde 6] , [geïntimeerde 7] , [geïntimeerde 8] , [geïntimeerde 11] en EYA in de kosten van het incidenteel hoger beroep, aan de zijde van SILC begroot op € 1.088,50 vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 3] , [geïntimeerde 4] , [geïntimeerde 5] , [geïntimeerde 6] , [geïntimeerde 7] , [geïntimeerde 8] , [geïntimeerde 11] en EYA deze niet binnen veertien dagen na heden hebben betaald;
- bepaalt dat als [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 3] , [geïntimeerde 4] , [geïntimeerde 5] , [geïntimeerde 6] , [geïntimeerde 7] , [geïntimeerde 8] , [geïntimeerde 11] en EYA niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak hebben voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 3] , [geïntimeerde 4] , [geïntimeerde 5] , [geïntimeerde 6] , [geïntimeerde 7] , [geïntimeerde 8] , [geïntimeerde 11] en EYA de kosten van die betekening moeten betalen, plus extra nakosten van € 92,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 3] , [geïntimeerde 4] , [geïntimeerde 5] , [geïntimeerde 6] , [geïntimeerde 7] , [geïntimeerde 8] , [geïntimeerde 11] en EYA deze niet binnen veertien dagen na betekening hebben betaald.
in principaal en incidenteel hoger beroep
- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;
- wijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevorderd.