ECLI:NL:GHDHA:2025:2738

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
23 december 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
200.336.365/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:305a BWArt. 6:162 BWArt. 2:139 BWArt. 6:166 BWArt. 1018c Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling internationale bevoegdheid en ontvankelijkheid in collectieve actie tegen Airbus en bestuurders

Deze zaak betreft een collectieve actie van Stichting Investor Loss Compensation (SILC) tegen Airbus, haar voormalige bestuurders, CFO’s en accountant wegens vermeende schade door onjuiste en misleidende informatievoorziening aan beleggers.

De rechtbank verklaarde zich onbevoegd voor de vorderingen tegen de CFO’s en niet-ontvankelijk voor de overige vorderingen. Het hof bevestigt dit oordeel en oordeelt dat de Nederlandse rechter bevoegd is voor Airbus, de leden van de Raad van Bestuur en de accountant, maar niet voor de CFO’s, vanwege hun contractuele positie en werkzaamheden buiten Nederland.

Het hof beoordeelt dat SILC niet voldoet aan het waarborgvereiste van artikel 3:305a BW, mede door de nauwe verbondenheid met commerciële partijen DRRT en Rightshare, die de procedure financieren en uitvoeren met winstoogmerk, wat strijdig is met de Claimcode. Het hof stelt dat de WAMCA van toepassing is op de collectieve actie, omdat de schadeveroorzakende gebeurtenis een voortdurende nalatigheid betreft die doorloopt tot na 15 november 2016.

De ontvankelijkheid wordt ex nunc getoetst, en het hof oordeelt dat SILC onvoldoende zeggenschap heeft over de rechtsvordering vanwege de invloed van commerciële financiers. De vorderingen tegen de CFO’s worden afgewezen wegens gebrek aan rechtsmacht. Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank voor het overige.

Uitkomst: SILC is niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende waarborg van belangen en de rechter is onbevoegd ten aanzien van de CFO’s.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.336.365/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : C/09/623288 / HA ZA 22-26
Arrest van 23 december 2025
in de zaak van
Stichting Investor Loss Compensation,
gevestigd in Amsterdam,
appellante in principaal hoger beroep,
geïntimeerde in (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. Q.L.C.M. Bongaerts, kantoorhoudend in Amsterdam,
tegen

1.[geïntimeerde 1] ,

wonend in [woonplaats 1] , [land 1] ,
geïntimeerde in principaal hoger beroep,
appellant in (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. D.A.M.H.W. Strik, kantoorhoudend in Amsterdam,
2.
[geïntimeerde 2],
wonend in [woonplaats 2] , [land 2] ,
geïntimeerde in principaal hoger beroep,
appellant in (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. D.A.M.H.W. Strik, kantoorhoudend in Amsterdam,
3.
[geïntimeerde 3],
wonend in [woonplaats 3] , [land 3] ,
geïntimeerde in principaal hoger beroep,
appellante in (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. D.A.M.H.W. Strik, kantoorhoudend in Amsterdam,
4.
[geïntimeerde 4],
wonend in [woonplaats 4] , [land 4] ,
geïntimeerde in principaal hoger beroep,
appellante in (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. D.A.M.H.W. Strik, kantoorhoudend in Amsterdam,
5.
[geïntimeerde 5],
wonend in [woonplaats 5] , [land 1] ,
geïntimeerde in principaal hoger beroep,
appellante in (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. D.A.M.H.W. Strik, kantoorhoudend in Amsterdam,
6.
[geïntimeerde 6],
wonend in [woonplaats 6] , [land 5] ,
geïntimeerde in principaal hoger beroep,
appellant in (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. D.A.M.H.W. Strik, kantoorhoudend in Amsterdam,
7.
[geïntimeerde 7],
wonend in [woonplaats 7] , [land 1] ,
geïntimeerde in principaal hoger beroep,
appellant in (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. D.A.M.H.W. Strik, kantoorhoudend in Amsterdam,
8.
Airbus SE,
gevestigd in Leiden,
geïntimeerde,
advocaat: mr. J.B.R. Regouw, kantoorhoudend in Amsterdam,
9.
[geïntimeerde 8],
gekozen woonplaats op het kantooradres van de advocaat,
geïntimeerde in principaal hoger beroep,
appellant in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. J.B.R. Regouw, kantoorhoudend in Amsterdam,
10.
[geïntimeerde 9],
gekozen woonplaats op het kantooradres van de advocaat,
geïntimeerde,
advocaat: mr. J.B.R. Regouw, kantoorhoudend in Amsterdam,
11.
[geïntimeerde 10],
wonend in [woonplaats 8] , [land 1] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. F.G.K. Overkleeft, kantoorhoudend in Amsterdam,
12.
[geïntimeerde 11],
wonend in [woonplaats 9] , [land 1] ,
geïntimeerde in principaal hoger beroep,
appellant in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. B. Kemp, kantoorhoudend in Amsterdam,
13.
Ernst & Young Accountants LLP,
gevestigd in Londen, kantoorhoudend in Rotterdam,
geïntimeerde in principaal hoger beroep,
appellante in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. G.A.J. Boekraad, kantoorhoudend in Amsterdam,
14.
Airbus Investors Recovery Stichting,
gevestigd in Den Haag,
geïntimeerde,
niet in hoger beroep verschenen.
Het hof noemt appellante hierna SILC. Geïntimeerden sub 1 tot en met 13 worden hierna afzonderlijk [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 3] , [geïntimeerde 4] , [geïntimeerde 5] , [geïntimeerde 6] , [geïntimeerde 7] , Airbus, [geïntimeerde 8] , [geïntimeerde 9] , [geïntimeerde 10] , [geïntimeerde 11] en EYA genoemd en gezamenlijk Airbus c.s. Geïntimeerde sub 14 wordt hierna AIRS genoemd.

1.De zaak in het kort

1.1
Deze zaak is een zogenoemde collectieve actie, waarin SILC voor beleggers vorderingen heeft ingesteld tegen Airbus en haar (voormalige) bestuurders,
Chief Financial Officers(CFO’s) en accountant. Volgens SILC hebben de beleggers schade geleden, omdat zij op basis van onjuiste, misleidende en onvolledige informatie aandelen in Airbus hebben verworven dan wel gehouden.
1.2
De rechtbank heeft zich onbevoegd verklaard om kennis te nemen van de vorderingen van SILC tegen de CFO’s en heeft SILC niet-ontvankelijk verklaard in haar vorderingen tegen de overige partijen. Het hof komt tot hetzelfde oordeel. Het hof is net als de rechtbank van oordeel dat de belangen van de personen tot bescherming waarvan de vorderingen van SILC strekken, onvoldoende zijn gewaarborgd.

2.Procesverloop in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
  • de dagvaarding van 19 december 2023, waarmee SILC in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de rechtbank Den Haag van 20 september 2023 (hierna ook: het vonnis);
  • de verstekverlening tegen AIRS;
  • de memorie van grieven van SILC, met bijlagen;
  • de memorie van antwoord in principaal hoger beroep tevens memorie van grieven in (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep van [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 3] , [geïntimeerde 4] , [geïntimeerde 5] , [geïntimeerde 6] en [geïntimeerde 7] ;
  • de memorie van antwoord in principaal hoger beroep tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep van Airbus, [geïntimeerde 9] en [geïntimeerde 8] , met een bijlage;
  • de memorie van antwoord van [geïntimeerde 10] , met bijlagen;
  • de memorie van antwoord in principaal hoger beroep tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep van [geïntimeerde 11] , met een bijlage;
  • de memorie van antwoord in principaal hoger beroep tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep van EYA, met bijlagen;
  • de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep van SILC, met bijlagen;
  • de akte houdende bezwaar tegen onderdelen van SILC’s memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep van Airbus, [geïntimeerde 9] en [geïntimeerde 8] ;
  • de akte houdende bezwaar tegen onderdelen van de memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep van SILC tevens verzoek om tussentijdse (regie-) beslissing door het hof van EYA, met bijlagen;
  • de akte houdende bezwaren tegen onderdelen memorie van antwoord in incidenteel appel SILC van [geïntimeerde 11] ;
  • de akte van SILC;
  • de akte overlegging producties (nrs. 150 t/m 163) die SILC ter gelegenheid van de hierna te noemen mondelinge behandeling heeft overgelegd;
  • de akten overlegging producties (nrs. 24 en 25) die EYA ter gelegenheid van deze mondelinge behandeling heeft overgelegd.
2.2
Op 11 juli 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarbij de advocaten de zaak hebben toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen, die aan het hof zijn overgelegd. Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt dat aan partijen is toegezonden. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om opmerkingen te maken bij het proces-verbaal voor zover het evidente onjuistheden betreft of essentiële zaken, die wel zijn gezegd, maar worden gemist. SILC heeft bij e-mail (met bijgevoegde brief) van 4 augustus 2025 van die gelegenheid gebruik gemaakt, Airbus c.s., exclusief EYA, ook bij e-mail (met bijgevoegde brief) van 4 augustus 2025 en EYA bij e-mail (met bijgevoegde brief) van 5 augustus 2025. SILC heeft vervolgens bij e-mail (met bijgevoegde brief) van 6 augustus 2025 bezwaar gemaakt tegen de opmerking in de brief van 4 augustus 2025 van Airbus c.s. (exclusief EYA) over pagina 14, eerste bullet point van het proces-verbaal. Volgens SILC leggen Airbus c.s. met hun opmerking woorden in de mond van de ter zitting aanwezige voorzitter van SILC. Bij e-mail (met bijgevoegde brief) van 7 augustus 2025 heeft [geïntimeerde 11] gereageerd op de opmerking van SILC op pagina 4 van het proces-verbaal. Het hof leest het proces-verbaal met inachtneming van de opmerkingen van partijen.
2.3
Airbus, [geïntimeerde 9] , [geïntimeerde 8] , [geïntimeerde 11] en EYA hebben bezwaar gemaakt tegen bepaalde passages in de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep van SILC, meer precies tegen paragraaf 1.2 (nrs. 4 t/m 6) en hoofdstuk 4 (nrs. 46 t/m 106). Het bezwaar houdt in dat in deze passages, in strijd met de twee-conclusie regel, wordt ingegaan op onderwerpen die in incidenteel hoger beroep niet aan de orde zijn gesteld. Het hof acht het bezwaar van Airbus, [geïntimeerde 9] , [geïntimeerde 8] , [geïntimeerde 11] en EYA gegrond. In de door Airbus, [geïntimeerde 9] , [geïntimeerde 8] , [geïntimeerde 11] en EYA genoemde passages reageert SILC (vooral) op door Airbus c.s. eerder gevoerde verweren in plaats van op de voorgestelde grieven in incidenteel hoger beroep. In haar reactie op de daartegen geuite bezwaren bij brief van 2 oktober 2025 onderbouwt SILC waarom zij dit ook zou mogen doen, maar de argumenten die zij daarvoor aandraagt overtuigen niet. Weliswaar heeft SILC toestemming gevraagd en ook gekregen van de rolraadsheer om een meer omvangrijke memorie te nemen, maar daarmee is haar nog niet toegestaan ook op andere onderwerpen in te gaan dan die door de grieven in het incidenteel hoger beroep aan de orde worden gesteld. De omstandigheid dat SILC bij het vragen om toestemming de onderwerpen waaraan zij in haar memorie aandacht wilde besteden heeft genoemd, maakt dat niet anders, reeds niet omdat de rolraadsheer, zonder hier door SILC op te worden gewezen, niet moest begrijpen dat SILC daarmee ook onderwerpen zou willen aansnijden die de grieven in het incidenteel hoger beroep te buiten zouden gaan. SILC voert niet aan dat zij dit destijds expliciet aan haar verzoek ten grondslag heeft gelegd. Waar SILC betoogt wel binnen het door de grieven in het incidentele hoger beroep ontsloten gebied te zijn gebleven, gaat zij uit van een te brede definitie van het begrip ‘grief’. Voor zover SILC ook nog naar voren brengt dat zij genoodzaakt was in te gaan op bepaalde onderwerpen (die niet door de incidentele grieven werden bestreken) gelet op de effecten van devolutieve werking van het appel, miskent SILC de werking daarvan. Het hof zal in het licht van het voorgaande geen acht slaan op genoemde passages.

3.Feitelijke achtergrond

3.1
SILC is een stichting met volledige rechtsbevoegdheid en is opgericht op 15 juli 2021. Het doel van SILC is in artikel 3.1. van haar statuten als volgt vastgelegd:
“(a) het behartigen, beschermen en vertegenwoordigen van de belangen van Beleggers in het algemeen en van Participanten in het bijzonder in verband met hun Claims, het informeren van deze Beleggers en Participanten over de mogelijkheden van afwikkeling van massaschade, met inbegrip van maar niet beperkt tot Nederland, met het oog op de vergoeding van schade die is ontstaan door Gebeurtenissen;
(b) de waarheidsvinding omtrent de Gebeurtenissen en daarbij behulpzaam te zijn, met inbegrip van maar niet beperkt tot het indienen van verzoekschriften tot het instellen van een enquêteprocedure in verband met de betreffende uitgevende instelling bij de Ondernemingskamer van het Gerechtshof te Amsterdam en alle procedures die een soortgelijk belang kunnen dienen, dan wel zich als belanghebbende in deze procedures te voegen en/of daarin te interveniëren;
(c) mogelijke veranderingen in de corporate governance van uitgevende instellingen na te streven om herhaling van de fouten, nalatigheden en tekortkomingen die tot de Gebeurtenissen hebben geleid, te helpen voorkomen; en/of
(d) de belangen van Beleggers en Participanten te behartigen in juridische procedures in Nederland en andere jurisdicties, met inbegrip van civiele, strafrechtelijke en toezichtrechtelijke procedures, al naar gelang van het geval.”
3.2
In 2000 is uit een fusie van Europese luchtvaart-, ruimtevaart en defensiebedrijven van Duitse, Franse en Spaanse origine ontstaan de European Aeronautic Defence Company NV. In 2014 is de naam van deze vennootschap veranderd in Airbus Group NV en in 2015 is deze vennootschap omgezet in een Europese naamloze vennootschap: Airbus. Airbus is naar Nederlands recht opgericht. Volgens artikel 2.2 van de statuten is Airbus gevestigd in Amsterdam en heeft zij haar hoofdbestuur in Nederland; zij houdt kantoor in Leiden. Airbus staat aan het hoofd van een groep ondernemingen. De aandelen in Airbus worden sinds 2000 verhandeld aan de aandelenbeurzen in Frankfurt, Parijs en Madrid . De Spaanse, Franse en Duitse overheid bezitten ongeveer 25% van het aandelenkapitaal van Airbus.
3.3
Airbus heeft een
one-tier board, aangeduid als
Board of Directors(hierna: Raad van Bestuur). In de Raad van Bestuur zit een uitvoerend bestuurder, de
Chief Executive Officer(hierna: CEO) van Airbus. De overige leden zijn
Non-Executive Director(hierna: NED). De volgende geïntimeerden zijn leden (geweest) van de Raad van Bestuur:
Naam aantreden aftreden functie
[geïntimeerde 1] 22/10/2007 16/04/2020 NED
[geïntimeerde 2] 02/04/2013 - NED
[geïntimeerde 3] 27/05/2015 - NED
[geïntimeerde 4] 28/04/2016 - NED
[geïntimeerde 5] 28/04/2016 - NED
[geïntimeerde 6] 11/04/2018 - NED
[geïntimeerde 7] 11/04/2018 - NED
[geïntimeerde 11] 31/05/2012 10/04/2019 CEO
[geïntimeerde 8] 10/04/2019 - CEO
3.4
De
Chief Financial Officer(hierna: CFO) bij Airbus maakt geen deel uit van de Raad van Bestuur. Vanaf 1 februari 2008 tot 1 april 2019 was [geïntimeerde 10] CFO van Airbus. Hij is op 1 april 2019 opgevolgd door [geïntimeerde 9] .
3.5
[geïntimeerde 8] woont in [land 4] en [geïntimeerde 9] in [land 1] . Zij hebben beiden de [nationaliteit] nationaliteit.
3.6
EYA is controlerend accountant van Airbus (geweest) vanaf het boekjaar 2016.
3.7
Op 28 januari 2020 maakte Airbus bekend dat zij en de Franse, Engelse en Amerikaanse justitiële autoriteiten overeenstemming hadden bereikt over een schikking. Deze autoriteiten hadden een aantal jaar onderzoek gedaan naar wereldwijde corruptie en omkoping door Airbus. Airbus kondigde aan voor een bedrag van in totaal EUR 3,6 miljard schikkingen te kunnen treffen met de autoriteiten. Op 31 januari 2020 kondigde Airbus aan dat de schikkingen definitief waren geworden.
3.8
AIRS is een in 2021 opgerichte claimstichting, die op 1 april 2022 (ook, onafhankelijk van SILC) een procedure is gestart tegen Airbus. De rechtbank Den Haag heeft deze zaken gevoegd behandeld en in beide zaken gelijktijdig (eind)vonnis gewezen. AIRS is (net als SILC) bij vonnis van 20 september 2023 van de rechtbank Den Haag niet-ontvankelijk verklaard. Het door AIRS bij dit hof ingestelde hoger beroep is op 3 december 2024 geëindigd.

4.Procedure bij de rechtbank

4.1
SILC heeft Airbus c.s. (samen met nog drie leden van de Raad van Bestuur en de accountant van Airbus tot het boekjaar 2016, KPMG) gedagvaard en gevorderd dat de rechtbank:
I. SILC aanwijst als exclusieve belangbehartiger met publicatie van de Aankondiging [1] (productie 79);
II. voor recht verklaart dat:
a. Airbus gedurende de Relevante Periode [2] onrechtmatig heeft gehandeld jegens de Beleggers door:
i. de publicatie van Financiële Publicaties die niet het in artikel 2:362 lid 1 BW Pro bedoelde inzicht en/of niet het getrouwe beeld bedoeld in artikelen 5:25c lid 2 sub c onder 1° Wft en 5:25d lid 2 sub c onder 1° Wft gaven;
ii. schending van artikel 5 lid 4 aanhef Pro en sub b Transparantiebesluit;
iii. overtreding van het verbod op marktmanipulatie (artikel 12 lid 1 aanhef Pro en onder c jo. artikel 15 Marktmisbruikverordening);
iv. handelen in strijd met artikel 17 Marktmisbruikverordening/artikel 5:25i Wft) en,
v. voor zover van toepassing, handelen in strijd met de equivalente wettelijke verplichtingen onder het subsidiair toepasselijke Franse, Duitse en Spaanse recht;
b. alle, dan wel een deel van de Financiële Publicaties een misleidende voorstelling van de toestand van Airbus geven als bedoeld in artikel 2:139 BW Pro;
c. de voormalige en de huidige leden van de Raad van Bestuur en de CFO’s met de misleidende voorstelling van de toestand van Airbus (als bedoeld in b. hiervoor) onrechtmatig gehandeld hebben jegens de Belanghebbenden en dat de misleidende voorstelling van de toestand van Airbus aan de desbetreffende personen verwijtbaar is;
d. de Accountants onrechtmatig gehandeld hebben jegens de Beleggers door in strijd met de op hen rustende zorgvuldigheidsverplichting te handelen;
e. het causaal verband (in de zin van conditio sine qua non-verband) tussen het onrechtmatig handelen, vast te stellen door de rechtbank in overeenstemming met a, b, c en d van het petitum (het Onrechtmatig Handelen), en anderzijds, primair, de schade en, subsidiair, de beleggingsbeslissingen van de Beleggers, aanwezig is, dan wel vermoed wordt aanwezig te zijn;
f. de door de Beleggers geleden schade als gevolg van aankoop van Airbus Aandelen tegen een onzuivere hoge koers in de Relevante Periode het gevolg is (in de zin van artikel 6:98 BW Pro) van het Onrechtmatig handelen, of anders verwijtbaar handelen van Airbus c.s., voor zover de Beleggers hierbij erop hebben vertrouwd dat Airbus c.s. de markt volledig, juist en tijdig informeerde (en de koers dus ‘zuiver’ was); en
g. als gevolg van het Onrechtmatig Handelen gedurende de Relevante Periode de (beurs)koers van Airbus kunstmatig hoog noteerde en waarbij de rechtbank
i. primair, voor ieder tijdvak waarin Beleggers Airbus Aandelen kochten en/of hielden voorafgaand aan de eerstvolgende handelsdag na iedere Corrective Disclosure de schade bepaalt in overeenstemming met het verlies per Airbus Aandeel dat is omschreven in de Economic Expert Opinion; of
ii. subsidiair, in overeenstemming met door de rechtbank in goede justitie te bepalen maatstaven de schade bepaalt;
III. Airbus c.s. hoofdelijk te veroordelen tot betaling van schadevergoeding aan de Beleggers, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf een door de rechter in goede justitie te bepalen moment te berekenen tot aan de dag van volledige betaling;
IV. instructies te geven ten aanzien van het claims afwikkelingsproces, nadat de rechtbank de partijen in de gelegenheid heeft gesteld op dit punt suggesties en aanbevelingen te doen aan de rechtbank;
V. en wat betreft de proceskosten
a. primair, Airbus c.s. veroordeelt in de kosten van het geding, met inbegrip van de kosten van SILC als bedoeld in artikel 1018l lid 2 Rv, inclusief de vergoedingen die SILC verschuldigd zal zijn aan de procesfinancier en zoals aan het einde van de procedure door SILC te onderbouwen, inclusief de nakosten, of
b. subsidiair, voor zover de kosten van SILC, waaronder de succes fee van de procesfinancier niet door Airbus c.s. worden voldaan op de voet van artikel 1018l lid 2 Rv, te bepalen dat de kosten van SILC, te vermeerderen met de nakosten, aan haar worden betaald uit de schadevergoeding aan de Beleggers, voordat uitkeringen aan de Beleggers plaatsvinden.
4.2
De rechtbank heeft zich (in het door de leden van de Raad van Bestuur en de CFO’s opgeworpen bevoegdheidsincident) onbevoegd verklaard om kennis te nemen van de vorderingen van SILC tegen de CFO’s. De rechtbank oordeelde dat zij wel rechtsmacht heeft met betrekking tot de vorderingen van SILC tegen de leden van de Raad van Bestuur, maar heeft SILC vervolgens niet-ontvankelijk verklaard in die vorderingen en in haar vorderingen tegen Airbus, EYA en KPMG. De rechtbank oordeelde dat de vorderingen van SILC tegen KPMG en drie oud-leden van de Raad van Bestuur ( [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] ) onder het toepassingsbereik van de WCAM (Wet collectieve afwikkeling massaschade, geldend tot 1 januari 2020) vallen en dat de vorderingen van SILC tegen Airbus, de overige leden van de Raad van Bestuur en EYA onder het toepassingsbereik van de WAMCA (Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie, geldend vanaf 1 januari 2020) vallen. SILC heeft naar het oordeel van de rechtbank niet voldaan aan de op grond van die wetten geldende ontvankelijkheidseisen, in het bijzonder het vereiste dat de door SILC behartigde belangen voldoende zijn gewaarborgd. De rechtbank heeft SILC veroordeeld in de proceskosten in het incident van de CFO’s, alsmede in de proceskosten in de hoofdzaak van de leden van de Raad van Bestuur, Airbus, EYA en KPMG. De leden van de Raad van Bestuur zijn veroordeeld in de proceskosten in het incident van SILC.

5.Vorderingen in hoger beroep

5.1
SILC concludeert in hoger beroep tot vernietiging van het vonnis voor zover de rechtbank (i) zich in de incidenten van de CFO’s onbevoegd heeft verklaard om kennis te nemen van de vorderingen tegen de CFO’s, (ii) in de hoofdzaak SILC niet-ontvankelijkheid heeft verklaard en (iii) SILC heeft veroordeeld in de proceskosten. SILC vordert dat het hof alsnog de incidentele vorderingen van de CFO’s afwijst en hen in de proceskosten veroordeeld, alle vorderingen van SILC in de hoofdzaak toewijst en de zaak verwijst naar de rechtbank om op de vorderingen in de hoofdzaak te beslissen, met veroordeling van Airbus c.s. en AIRS in de proceskosten in beide instanties en het vonnis in de overige bevoegdheidsincidenten en in de hoofdzaak voor het overige bekrachtigt.
5.2
De (in hoger beroep gedagvaarde en verschenen) leden van de Raad van Bestuur en EYA hebben incidenteel hoger beroep ingesteld. De leden van de Raad van Bestuur vorderen dat het hof het vonnis vernietigt voor zover de rechtbank zich bevoegd heeft verklaard en hen heeft veroordeeld in de proceskosten in de bevoegdheidsincidenten. De leden van de Raad van Bestuur, met uitzondering van [geïntimeerde 8] , en EYA vorderen (tevens) vernietiging van het vonnis voor zover de rechtbank heeft geoordeeld dat de door SILC tegen hen ingestelde vorderingen onder de WAMCA vallen. In hun incidentele grieven voeren zij aan dat het pre-WAMCA regime van toepassing is en dat SILC ook in dat geval niet-ontvankelijk is.

6.Beoordeling in hoger beroep

Partijen in hoger beroep

6.1
Het hof constateert dat SILC in hoger beroep niet dezelfde partijen heeft gedagvaard als in eerste aanleg. In de eerste plaats heeft SILC de drie oud-leden van de Raad van Bestuur en KPMG, de accountant van Airbus tot het boekjaar 2016, niet gedagvaard in hoger beroep (zie hiervoor onder 4.2). Het hoger beroep strekt zich daarom niet uit over de vorderingen van SILC tegen deze vier partijen. In de tweede plaats heeft SILC AIRS als nieuwe partij in hoger beroep gedagvaard, terwijl zij geen vordering tegen haar had ingesteld en het omgekeerde evenmin het geval was: AIRS had, zelfstandig, een vordering ingesteld tegen Airbus. Hoewel de rechtbank de zaak van AIRS tegen Airbus gevoegd heeft behandeld met die van SILC tegen Airbus c.s. en op beide zaken in één vonnis heeft beslist, zijn het twee materieel zelfstandige zaken gebleven. AIRS en SILC zijn daarom geen partij in elkaars zaak geworden. In beginsel kunnen slechts partijen bij de procedure in eerste aanleg hoger beroep instellen en kunnen ook slechts deze partijen in hoger beroep worden gedagvaard. SILC heeft niet toegelicht waarom voor AIRS een uitzondering moet worden uitgemaakt. Daarbij heeft SILC ook geen kenbare grief tegen AIRS ontwikkeld. Het hof verklaart SILC daarom niet-ontvankelijk in haar hoger beroep tegen AIRS.
Rechtsmacht met betrekking tot de vorderingen tegen de leden van de Raad van Bestuur en de CFO’s
6.2
Partijen hebben ook in hoger beroep de vraag voorgelegd of de Nederlandse rechter bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen van SILC. De vraag of de aangezochte rechter internationale rechtsmacht toekomt, dient vast te staan voordat kan worden toegekomen aan de beoordeling van de ontvankelijkheid van SILC in haar collectieve actie. Het hof dient daarom (en overigens ook ambtshalve) te beoordelen of de Nederlandse rechter bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen van SILC tegen de leden van de Raad van Bestuur en de CFO’s. Dat moet voor de binnen de EU wonende leden van de Raad van Bestuur ( [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 3] , [geïntimeerde 4] , [geïntimeerde 5] , [geïntimeerde 7] , [geïntimeerde 8] en [geïntimeerde 11] ) en CFO’s ( [geïntimeerde 9] en [geïntimeerde 10] ) – hierna: Europese bestuursleden en CFO’s – gebeuren aan de hand van de Verordening Brussel I-bis [3] . Tussen partijen is (terecht) niet in geschil dat deze verordening ten aanzien van hen formeel, materieel en temporeel van toepassing is (artikelen 1, 6 en 66 Verordening Brussel I-bis). Voor de niet-Europese leden van de Raad van Bestuur ( [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 6] ) geldt op grond van artikel 6 lid 1 Verordening Pro Brussel I-bis dat de rechtsmacht moet worden beoordeeld aan de hand van het nationale recht van de aangezochte rechter en dus aan de hand van de artikelen 1 tot en met 14 Rv, onverminderd het bepaalde in de artikelen 24 en 25 Verordening Brussel I-bis die een universeel toepassingsbereik hebben en ook moeten worden toegepast in geval een gedaagde geen woonplaats heeft in een lidstaat van de EU.
6.3
Het hof zal hierna eerst de bevoegdheid van de Nederlandse rechter ten aanzien van de vorderingen tegen de zeven Europese bestuursleden bespreken. Vervolgens zal het hof beoordelen of bevoegdheid bestaat ten aanzien van de vorderingen tegen de twee CFO’s. Daarna zal het hof beoordelen of de Nederlandse rechter bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen tegen de twee niet-Europese bestuursleden.
(i) Rechtsmacht met betrekking tot de vorderingen tegen de Europese bestuursleden ( [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 3] , [geïntimeerde 4] , [geïntimeerde 5] , [geïntimeerde 7] , [geïntimeerde 8] en [geïntimeerde 11] )
6.4
Het hof zal bij het onderzoek naar de internationale bevoegdheid acht slaan op alle ter beschikking staande gegevens, daaronder begrepen de ter zake relevante stellingen van SILC enerzijds en betwistingen van de Europese bestuursleden anderzijds. Daarbij zal niet worden overgegaan tot een bewijsprocedure. [4] De rechtszekerheid verlangt dat de rechter zich gemakkelijk over zijn eigen bevoegdheid kan uitspreken, zonder dat hij de zaak ten gronde hoeft te onderzoeken.
6.5
De Verordening Brussel I-bis bevat geen bijzondere bevoegdheidsregels voor de rechtsmacht in geval van collectieve acties, zodat de algemene regels van toepassing zijn.
Geen bevoegdheid op grond van artikel 25 Verordening Pro Brussel I-bis
6.6
SILC heeft geen grief gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat SILC aan artikel 25 Verordening Pro Brussel I-bis geen rechtsmacht kan ontlenen. Het hof, voor zover nodig ambtshalve oordelend over de internationale bevoegdheid, sluit zich aan bij het oordeel van de rechtbank dat de door SILC aangehaalde passages uit de Annual Reports van Airbus eenzijdige mededelingen zijn, waarin geen bepaald gerecht als ‘bevoegd’ wordt aangewezen. Om die reden kunnen deze passages niet worden aangemerkt als ‘een beding tot aanwijzing van een bevoegd gerecht’ als bedoeld in artikel 25 Verordening Pro Brussel I-bis.
Bevoegdheid op grond van artikel 4 lid 1 en Pro artikel 8 lid 1 Verordening Pro Brussel I-bis
6.7
In incidenteel hoger beroep (grief 1 van [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 3] , [geïntimeerde 4] , [geïntimeerde 5] , [geïntimeerde 7] en [geïntimeerde 8] en de grieven 1 tot en met 5 van [geïntimeerde 11] ) hebben de Europese bestuursleden opnieuw betoogd dat de Nederlandse rechter in hun geval geen bevoegdheid kan ontlenen aan artikel 8 lid 1 Verordening Pro Brussel I-bis. Het hof volgt de bestuursleden hierin niet op grond van het navolgende.
6.8
Op grond van artikel 8 lid 1 Verordening Pro Brussel I-bis kan een verweerder die op het grondgebied van een lidstaat woonplaats heeft, indien er meer dan één verweerder is, worden opgeroepen voor het gerecht van de woonplaats van een van de verweerders, op voorwaarde dat er tussen de vorderingen een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven.
6.9
Bij de beoordeling van de vraag of het hof op grond van bedoelde pluraliteit bevoegd is kennis te nemen van het geschil tussen SILC en de (individuele) bestuursleden van Airbus die woonplaats hebben binnen de Europese Unie staat voorop dat – naar tussen partijen niet in geschil is – de rechtbank Den Haag in eerste aanleg en het gerechtshof Den Haag in hoger beroep bevoegd zijn kennis te nemen van het geschil tussen SILC en de vennootschap Airbus zelf. Laatstbedoelde bevoegdheid berust op artikel 4 lid 1 juncto Pro artikel 63 lid 1 Verordening Pro Brussel I-bis en volgt uit het feit dat, zoals hierna nader toegelicht, het hoofdbestuur van Airbus in Leiden is gevestigd. Voor de toepassing van artikel 8 lid 1 Verordening Pro Brussel I-bis kan Airbus daarom in beginsel als ankergedaagde functioneren.
6.1
Voor rechtsmacht op grond van artikel 8 lid 1 Verordening Pro Brussel I-bis is verder vereist dat de vorderingen van SILC tegen de (individuele) Europese bestuursleden een nauwe band in de zin van deze bepaling hebben met de vorderingen tegen Airbus. Dit moet voor ieder lid van de Raad van Bestuur en voor iedere rechtsgrondslag afzonderlijk worden beoordeeld.
6.11
SILC legt aan haar vorderingen tegen de vennootschap zelf ten grondslag dat Airbus in de periode van 1 februari 2014 tot en met 16 maart 2020, althans 31 december 2020 de beleggers niet volledig dan wel onjuist heeft geïnformeerd in haar financiële publicaties (jaarverslagen, halfjaarlijkse verslagen, kwartaalrapportages, financiële presentaties en de daarop betrekking hebbende accountantsverklaringen) en ad hoc publicaties, door daarin niet of nauwelijks melding te maken van de (beweerde) omkooppraktijken, de institutionalisering daarvan in haar bedrijfsvoering en de grote risico’s die zij hierdoor liep. Volgens SILC heeft Airbus interne problemen verhuld, informatie gefragmenteerd, een serieus probleem klein gehouden, belangrijke ontwikkelingen verborgen en feiten vaak met grote vertraging geopenbaard. SILC noemt dit ook wel het informatieverzuim van Airbus. Daarmee heeft Airbus volgens SILC in strijd gehandeld met de normen uit Boek 2 BW en de Wft voor het opmaken van financiële verslaggeving, het Transparantiebesluit en de Marktmisbruikverordening (door zich schuldig te maken aan marktmanipulatie en voorwetenschap niet tijdig te publiceren), en onrechtmatig gehandeld tegenover haar beleggers als bedoeld in artikel 6:162 BW Pro, die daardoor koersschade hebben geleden.
6.12
SILC legt aan haar vorderingen tegen de (individuele) Europese bestuursleden ten grondslag dat door voormelde financiële publicaties een misleidende voorstelling van de toestand van Airbus is gegeven als bedoeld in artikel 2:139 BW Pro en dat de Europese bestuursleden op grond van die bepaling hoofdelijk aansprakelijk zijn tegenover de beleggers die daardoor schade hebben geleden. Verder legt SILC aan haar vorderingen tegen de Europese bestuursleden ten grondslag dat zij onrechtmatig hebben gehandeld, doordat zij hun taak als (uitvoerend of niet-uitvoerend bestuurder) onbehoorlijk hebben vervuld, en als groep in de zin van artikel 6:166 BW Pro onrechtmatig hebben gehandeld door samen een onjuist beeld van Airbus te schetsen.
6.13
Het hof is van oordeel dat de vorderingen tegen de Europese bestuursleden een nauwe band in de zin van artikel 8 lid 1 Verordening Pro Brussel I-bis hebben met de vorderingen tegen Airbus. Bij een beoordeling van de drie rechtsgrondslagen ervan (de artikelen 2:139 BW, 6:162 BW en 6:166 BW) moet de feitelijke vraag worden beantwoord of de financiële publicaties van Airbus misleidend zijn. Diezelfde vraag speelt bij de vorderingen tegen Airbus zelf. Daardoor is sprake van éénzelfde situatie, feitelijk en rechtens. Dat nog andere feitelijke aspecten voor de toewijsbaarheid van de vorderingen tegen de Europese bestuursleden van belang kunnen zijn, zoals de Europese bestuursleden stellen, maakt dit niet anders. De overkoepelende vraag blijft of sprake is van misleidende informatie. Die vraag – waarbij het gaat om een wezenlijk en bepalend aspect – is voor Airbus en voor ieder Europees bestuurslid hetzelfde en vormt de basis van de gestelde aansprakelijkheid. Als verschillende rechters zich over die vraag buigen, bestaat het gevaar op tegenstrijdige uitspraken. Daaraan doet niet af dat artikel 30 Verordening Pro Brussel I-bis een regeling bevat op grond waarvan een rechter kan/moet besluiten om zijn uitspraak aan te houden in afwachting van de beslissing van de rechter van een andere lidstaat. Het betreft een procedurevoorschrift dat geldt wanneer samenhangende vorderingen aanhangig zijn bij de gerechten van verschillende lidstaten, welke situatie zich hier niet voordoet. [5] Het deelt geen internationale bevoegdheid toe en maakt artikel 8 lid 1 Verordening Pro Brussel I-bis niet tot een dode letter.
6.14
De Europese bestuursleden wijzen erop dat de rechtsgrondslagen in de onderhavige situatie van elkaar verschillen. Zo zijn de vorderingen van SILC tegen Airbus enkel en alleen gebaseerd op artikel 6:162 BW Pro, terwijl SILC zich tegenover de Europese bestuursleden, behalve op dit artikel, ook beroept op de artikelen 2:139 en 6:166 BW. Dit verschil in rechtsgrondslagen dient echter te worden gerelativeerd, omdat het steeds gaat om onrechtmatig handelen (aangenomen kan worden dat artikel 2:139 BW Pro een species is van de actie uit onrechtmatige daad als bedoeld in artikel 6:162 BW Pro met het verschil dat het hier om een collectieve bestuursverantwoordelijkheid gaat). Uit de rechtspraak van het HvJ EU volgt bovendien dat het voor de toepassing van artikel 8 lid 1 Verordening Pro Brussel I-bis wel relevant is of de vorderingen dezelfde rechtsgrondslag hebben, maar dat dat niet beslissend is. Voor de Europese bestuursleden moet dan wel voorzienbaar zijn geweest dat zij konden worden opgeroepen in de lidstaat van de ankergedaagde Airbus (Nederland). [6] Dat is naar het oordeel van het hof het geval. Daartoe is het volgende redengevend.
6.15
Airbus is een Europese vennootschap naar Nederlands recht opgericht met statutaire zetel in Amsterdam. Zij heeft als uitgevende instelling Nederland aangewezen als lidstaat van herkomst en is verplicht om halfjaarlijkse en jaarlijkse financiële verslaggeving, waaronder een (half)jaarrekening en een (half)jaarverslag, op te maken en in Nederland openbaar te maken. [7] Het is de taak en de verantwoordelijkheid van het bestuur om dit te doen (zie artikel 2:101 lid 1 BW Pro en artikel 28.2 van de statuten van Airbus, waarin met het bestuur wordt bedoeld de uitvoerende én de niet-uitvoerende leden). Uit de door SILC overgelegde stukken blijkt dat de door haar als misleidend aangemerkte (half)jaarrekeningen en (half)jaarverslagen door de voltallige Raad van Bestuur zijn opgemaakt, ondertekend en openbaar gemaakt in Nederland. Dit betekent dat de besluiten van de Raad van Bestuur tot het opmaken van deze stukken in Nederland effect sorteren, ook al heeft Airbus daar geen beursnotering. Of de besluiten al dan niet feitelijk in Nederland zijn voorbereid, doet er daarom niet toe. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat Airbus ook openbaarmakingsverplichtingen heeft in de lidstaten waar haar aandelen worden verhandeld (Frankrijk, Spanje en Duitsland). Het draait in deze zaak immers om de aansprakelijkheid van Airbus en de leden van de Raad van Bestuur voor informatie in financiële stukken die door hen in Nederland zijn gepubliceerd. Overigens hebben de Europese bestuursleden niet gemotiveerd weersproken dat Airbus aan haar openbaarmakingsverplichtingen in andere lidstaten heeft voldaan door te voldoen aan de Nederlandse regelgeving. Bij dit alles komt dat in de statuten is bepaald dat het hoofdbestuur van Airbus zich in Nederland bevindt, dat in het handelsregister van de Kamer van Koophandel is opgenomen dat de hoofdvestiging van Airbus in Leiden is en dat Leiden in de jaarverslagen staat vermeld als het zakelijk adres van de Raad van Bestuur. Onder deze omstandigheden moet voor de Europese bestuursleden, ook indien zij hun werkzaamheden hebben verricht op basis van een arbeidsovereenkomst met een andere buitenlandse entiteit dan Airbus, redelijkerwijs voorzienbaar zijn geweest dat zij (samen met Airbus) in hun hoedanigheid van bestuurder voor de Nederlandse rechter opgeroepen konden worden voor eventuele gebreken in de financiële publicaties van Airbus. Dat de kernactiviteiten van Airbus zijn gelegen in Frankrijk en Duitsland, dat een groot deel van de aandelen in Airbus wordt gehouden door de Franse, Duitse en Spaanse Staat en dat de Nederlandse autoriteiten geen onderzoek hebben uitgevoerd naar eventuele strafrechtelijke gedragingen van Airbus legt in de gegeven omstandigheden onvoldoende gewicht in de schaal.
6.16
Uit het voorgaande volgt dat tussen de vorderingen tegen Airbus en de vorderingen tegen de Europese bestuursleden ( [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 3] , [geïntimeerde 4] , [geïntimeerde 5] , [geïntimeerde 7] , [geïntimeerde 8] en [geïntimeerde 11] ) ieder voor zich een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om een gelijktijdige behandeling en berechting ervan. De Nederlandse rechter kan daarom rechtsmacht ontlenen aan artikel 8 Verordening Pro Brussel I-bis. De incidentele grieven die een ander standpunt bepleiten – grief 1 van [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 3] , [geïntimeerde 4] , [geïntimeerde 5] , [geïntimeerde 7] en [geïntimeerde 8] en de grieven 1 tot en met 5 van [geïntimeerde 11] – treffen geen doel.
Bevoegdheid op grond van artikel 7 lid 2 Verordening Pro Brussel I-bis
6.17
Het hof is van oordeel dat bevoegdheid van de Nederlandse rechter ook volgt uit artikel 7 lid 2 Verordening Pro Brussel I-bis. Daartoe overweegt het hof als volgt.
6.18
De gestelde aansprakelijkheid van de Europese bestuursleden houdt geen verband met een verbintenis uit overeenkomst (in de zin van artikel 7 lid 1 Verordening Pro Brussel I-bis); sprake is van een (gestelde) verbintenis uit onrechtmatige daad. [8] Op grond van artikel 7 lid 2 Verordening Pro Brussel I-bis is in zo’n geval (ook) de rechter van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan (of zich kan voordoen) bevoegd. Dit betreft zowel de plaats waar de schade is ingetreden (het
Erfolgsort) als de plaats van de schadeveroorzakende gebeurtenis (het
Handlungsort). De eiser kan kiezen of hij de verweerder oproept voor de rechter van het
Handlungsortof het
Erfolgsort. [9]
6.19
De vorderingen van SILC strekken ertoe de Europese bestuursleden aansprakelijk te houden voor de misleidende informatievoorziening door Airbus. Het gaat hierbij om informatie in stukken waarvan vaststaat dat zij zijn opgemaakt door de leden van de Raad van Bestuur en die door Airbus in Nederland moesten worden openbaar gemaakt. Uit de ter beschikking staande gegevens leidt het hof af dat in Nederland de informatie beschikbaar moest zijn over de financiële situatie en activiteiten van Airbus die de leden van de Raad van Bestuur (en overigens ook de accountant van Airbus en de Autoriteit Financiële Markten onder wiens toezicht Airbus valt) nodig hadden om uitvoering te kunnen geven aan hun bestuurstaken. Daar heeft Airbus immers haar hoofdvestiging en hoofdbestuur, leggen de leden van de Raad van Bestuur verantwoording af aan de aandeelhouders, stellen de aandeelhouders de jaarrekening vast (zie de artikelen 20.1 en 28.2 van de statuten) en is zij (als emitterende vennootschap) onderworpen aan wettelijke openbaarmakingsverplichtingen. Het gestelde onrechtmatig handelen van de Europese bestuursleden heeft daarom feitelijk in Nederland plaatsgevonden, zodat Nederland moet worden aangemerkt als het
Handlungsort. De door de Europese bestuursleden aangevoerde omstandigheden dat de kernactiviteiten van Airbus vooral in Frankrijk en Duitsland zijn gelegen en dat de verwijten van SILC betrekking hebben op onderzoeken van de Amerikaanse, Britse en Franse autoriteiten, zijn in dat kader minder relevant, omdat zij onverlet laten dat de gestelde schending van de openbaarmakingsverplichtingen door Airbus en het handelen van de Europese bestuursleden in Nederland geacht moeten worden te hebben plaatsgevonden.
(ii) Rechtsmacht met betrekking tot de vorderingen tegen de Europese CFO’s ( [geïntimeerde 9] en [geïntimeerde 10] )
6.2
SILC komt met haar achtste grief op tegen het oordeel van de rechtbank dat de Nederlandse rechter niet bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen tegen de CFO’s. SILC voert aan dat de rechtbank een kunstmatig onderscheid heeft gemaakt tussen de leden van de Raad van Bestuur en de CFO’s. SILC baseert haar vorderingen tegen de CFO’s op dezelfde rechtsgronden als die tegen de leden van de Raad van Bestuur (de artikelen 2:139 BW, 6:162 BW en 6:166 BW). SILC stelt dat zij, anders dan de rechtbank heeft overwogen, wel een beroep kan doen op artikel 2:139 BW Pro, omdat de CFO’s als lid van het
Executive Committeevan Airbus moeten worden beschouwd als uitvoerend bestuurders. Bovendien hebben de vorderingen tegen de CFO’s betrekking op dezelfde (misleidende) informatie als de vorderingen tegen de leden van de Raad van Bestuur. Vanwege hun rol binnen Airbus en hun verantwoordelijkheid voor het opmaken van de financiële publicaties was voor de CFO’s te voorzien dat zij samen met Airbus voor de Nederlandse rechter zouden moeten verschijnen, aldus SILC.
6.21
Het hof stelt voorop dat de vorderingen tegen de vennootschap Airbus en de vorderingen tegen de CFO’s met elkaar zijn verbonden. De CFO’s erkennen dat afwijzing van de aansprakelijkheid van Airbus zal meebrengen dat er geen ruimte is om persoonlijke aansprakelijkheid van de CFO’s aan te nemen. Voor beide vorderingen zal bovendien moeten worden beoordeeld of sprake is van misleidende financiële publicaties. De aansprakelijkheid van Airbus en die van de CFO’s is immers hierop gebaseerd. In zoverre is de positie van de CFO’s vergelijkbaar met die van de leden van de Raad van Bestuur. De CFO’s zijn echter geen statutair bestuurder en hebben geen vennootschapsrechtelijke binding met Airbus. Dat zij lid waren van de
Executive Committeemaakt dat niet anders. Zij zijn werknemer van (een entiteit behorend tot het concern van) Airbus, staan in een gezagsrelatie tot (het bestuur van) Airbus en hebben geen (statutaire) instructiebevoegdheid. Bij de beoordeling van de vraag of de CFO’s persoonlijk aansprakelijk kunnen worden gehouden voor de door hen verstrekte financiële informatie moet daarom ook hun contractuele relatie met Airbus in ogenschouw worden genomen. Het is de taak van de Raad van Bestuur om Airbus te besturen en om de financiële verslaggeving op te maken, te ondertekenen en openbaar te maken. Dat de CFO’s de Raad van Bestuur hierbij ondersteunen en ook richting de beleggers in de openbaarheid treden (door zich in de jaarverslagen te laten interviewen over de door Airbus behaalde resultaten), maakt hen in vennootschapsrechtelijke zin niet (eind)verantwoordelijk voor de financiële verslaggeving en het financieel beleid van Airbus. Die verantwoordelijkheid rust exclusief bij de Raad van Bestuur. Mede in aanmerking genomen dat beide CFO’s de [nationaliteit] nationaliteit hebben en hun werkzaamheden feitelijk vanuit Frankrijk en Duitsland verricht(t)en, kan daarom niet worden aangenomen dat voor hen voorzienbaar was dat zij in persoon door beleggers in Airbus konden worden opgeroepen voor de Nederlandse rechter wegens onrechtmatig handelen in relatie tot de financiële publicaties. Dit is voor een geslaagd beroep op artikel 8 lid 1 Verordening Pro Brussel I-bis wel vereist, omdat de vorderingen tegen de CFO’s niet (geheel) dezelfde rechtsgrond hebben als de vorderingen tegen Airbus.
6.22
SILC heeft geen grief gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de Nederlandse rechter evenmin rechtsmacht toekomt op grond van artikel 7 lid 2 Verordening Pro Brussel I-bis. Het hof, voor zover nodig ambtshalve oordelend over de internationale bevoegdheid, sluit zich aan bij het oordeel van de rechtbank dat niet kan worden geconcludeerd dat de plaats waar het schadebrengend feit, waarop de vordering tegen de CFO’s is geënt, in Nederland is gelegen. De rechtbank heeft op juiste gronden overwogen dat de beoordeling in het arrest
ÖFAB/Koot [10] niet beslissend is. Het gaat in dit arrest over onbetaald gebleven schulden van een failliete vennootschap als gevolg van onvoldoende toezicht door de bestuurder. Dit betreft een specifieke vorm van bestuurdersaansprakelijkheid die hier niet aan de orde is. Bovendien zijn de CFO’s geen bestuurder maar werknemer van Airbus. Daarnaast heeft de rechtbank terecht veel gewicht toegekend aan de omstandigheid dat de CFO’s hun werkzaamheden buiten Nederland hebben verricht. In het licht hiervan heeft SILC haar beroep op artikel 7 lid 2 Verordening Pro Brussel I-bis onvoldoende onderbouwd.
6.23
Uit het voorgaande volgt dat de Nederlandse rechter geen rechtsmacht heeft met betrekking tot de vorderingen van SILC tegen [geïntimeerde 9] en [geïntimeerde 10] en dat de achtste grief van SILC faalt.
(iii) Rechtsmacht met betrekking tot de vorderingen tegen de niet-Europese bestuursleden ( [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 6] )
6.24
Zoals gezegd vallen de vorderingen van SILC tegen [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 6] buiten het formele toepassingsbereik van de Verordening Brussel I-bis. SILC kan zich niet beroepen op de universele uitzondering van artikel 25 Verordening Pro Brussel I-bis (zie 6.6) en evenmin op die van artikel 24 Verordening Pro Brussel I-bis. Van geen van de situaties die genoemd staan in artikel 24 Verordening Pro Brussel I-bis, is hier sprake. Het hof moet daarom naar de Nederlandse bevoegdheidsregels beoordelen of de Nederlandse rechter bevoegd is ten aanzien van [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 6] .
6.25
Artikel 7 lid 1 Rv Pro bepaalt dat, indien de Nederlandse rechter ten aanzien van één van de gedaagden rechtsmacht heeft, hem deze ook toekomt ten aanzien van in hetzelfde geding betrokken andere gedaagden, voor zover tussen de vorderingen tegen de onderscheiden gedaagden een zodanige samenhang bestaat, dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen. Dit artikel is in belangrijke mate ontleend aan artikel 8 lid 1 Verordening Pro Brussel I-bis. Bij de uitleg van artikel 7 lid 1 Rv Pro moet daarom in beginsel aansluiting worden gezocht bij de rechtspraak van het HvJ EU over (de voorlopers van) artikel 8 lid 1 Verordening Pro Brussel I-bis. [11]
6.26
Het hof is, net als de rechtbank, van oordeel dat tussen de vordering van SILC tegen Airbus en de vordering tegen [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 6] samenhang bestaat als bedoeld in artikel 7 lid 1 Rv Pro. De door het hof in 6.12-6.15 genoemde omstandigheden gelden ook voor [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 6] als niet-Europese leden van de Raad van Bestuur. Niet gesteld of gebleken is dat hun situatie anders is dan die van de Europese bestuursleden. Dit betekent dat de Nederlandse rechter bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen tegen [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 6] . De incidentele grief van [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 6] slaagt daarom niet.
6.27
De bevoegdheid van de Nederlandse rechter volgt bovendien uit artikel 6 aanhef Pro en sub e Rv. Dit artikel is ontleend aan (de voorlopers van) artikel 7 lid 2 Verordening Pro Brussel I-bis. De vorderingen tegen [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 6] hebben betrekking op een onrechtmatige daad en, zoals in 6.19 overwogen, doet het schadebrengende feit zich in Nederland voor.
Conclusie bevoegdheid
6.28
De slotsom is dat de Nederlandse rechter bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen van SILC tegen Airbus, EYA (die is verschenen zonder de bevoegdheid van de rechter te betwisten: artikel 26 Verordening Pro Brussel I-bis) en de leden van de Raad van Bestuur, maar niet van die tegen de CFO’s. Daarmee komt het hof toe aan de vraag of SILC ontvankelijk is in haar vorderingen tegen de leden van de Raad van Bestuur, Airbus en EYA.
Ontvankelijkheid SILC
Geen misbruik van recht
6.29
De leden van de Raad van Bestuur voeren aan dat SILC geen belang heeft bij haar vorderingen, omdat zij de bevoegdheid tot het instellen van de vorderingen gebruikt met een ander doel dan waarvoor zij is verleend. De gestelde gedragingen van de leden van de Raad van Bestuur hebben, naast de gestelde onrechtmatige daad van Airbus, geen zelfstandig nadeel toegebracht aan de beleggers. Airbus biedt toereikend verhaal voor de vordering tot schadevergoeding. Vergeleken met Airbus valt er bij de leden van de Raad van Bestuur maar weinig te halen. Door de leden van de Raad van Bestuur persoonlijk lastig te vallen hoopt SILC een hoger schikkingsbedrag te kunnen realiseren. Daarmee maakt SILC misbruik van recht. De consequentie hiervan is dat SILC in haar vorderingen niet-ontvankelijk moet worden verklaard, aldus de leden van de Raad van Bestuur.
6.3
Bij de beoordeling van het gestelde misbruik van recht wordt het volgende vooropgesteld. Artikel 3:13 BW Pro bepaalt dat degene aan wie een bevoegdheid toekomt haar niet kan inroepen, voor zover hij haar misbruikt. Het tweede lid bepaalt dat een bevoegdheid onder meer kan worden misbruikt door haar uit te oefenen met geen ander doel dan een ander te schaden of met een ander doel dan waarvoor zij is verleend of in geval men, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen. Misbruik van bevoegdheid kan ook bestaan in het misbruik van processuele bevoegdheden. Daarvan is pas sprake als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan eerst sprake zijn als eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. [12] Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door artikel 6 EVRM Pro.
6.31
Het hof overweegt dat op voorhand niet kan worden geoordeeld dat de vorderingen tegen de leden van de Raad van Bestuur volstrekt kansloos zijn. De gedingstukken bieden hiervoor onvoldoende steun. Hetzelfde geldt voor de stelling van de leden van de Raad van Bestuur dat SILC met de tegen hen ingestelde vorderingen uitsluitend tot doel heeft om hun belangen te schaden. SILC betwist dit gemotiveerd. Zij stelt dat zij voldoende belang heeft om de leden van de Raad van Bestuur, naast Airbus, in deze collectieve actie te betrekken. Zij wijst daarbij met name op het belang van de waarheidsvinding. Volgens SILC is sprake van een ingewikkeld feitencomplex. De leden van de Raad van Bestuur kunnen er belang bij hebben om zich te disculperen en zo aansprakelijkheid op grond van de artikelen 2:139 BW, 6:162 BW en 6:166 BW te ontlopen, en kunnen in dat kader bewijsstukken in het geding brengen die ook in ander opzicht relevant zijn. Mede in het licht hiervan hebben de leden van de Raad van Bestuur onvoldoende onderbouwd dat SILC misbruik van recht kan worden verweten door hen samen met Airbus in rechte te betrekken en dat zij geen belang heeft bij haar vorderingen.
Toepasselijke collectieve actieregime
6.32
Op grond van artikel 10:3 BW Pro is Nederlands collectief actierecht van toepassing, ongeacht het (materiële) recht dat van toepassing is op de vorderingen van SILC. Dit is tussen partijen ook niet in geschil. Wel is in geschil welk temporeel collectief actierecht van toepassing is: artikel 3:305a BW (oud) of de op 1 januari 2020 in werking getreden WAMCA. Met de WAMCA is artikel 3:305a BW gewijzigd en is titel 14A Rv ingevoerd. Welk actierecht temporeel van toepassing is, bepaalt onder meer welke ontvankelijkheidseisen aan SILC worden gesteld en of er schadevergoeding in geld kan worden gevorderd. Het hof moet dit, zo nodig, ambtshalve beoordelen.
6.33
Het temporele toepasselijke actierecht moet worden vastgesteld aan de hand van het overgangsrecht. Dit houdt het volgende in:
Artikel 6:119a lid 2 Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek (ONBW) regelt het BW-overgangsrecht. Deze bepaling bevat een uitzondering op de hoofdregel van onmiddellijke werking (artikel 68a ONBW) en houdt in dat artikel 3:305a (oud) BW van toepassing blijft voor na 1 januari 2020 ingestelde collectieve vorderingen “
voor zover de rechtsvordering betrekking heeft op een gebeurtenis of gebeurtenissen die heeft of hebben plaatsvonden voor 15 november 2016”.
Artikel III onderdeel 2 van de WAMCA regelt het Rv-overgangsrecht en bepaalt dat titel 14A Rv van toepassing is op gedingen die op of na 1 januari 2020 aanhangig zijn gemaakt en die betrekking hebben op een gebeurtenis of gebeurtenissen die heeft of hebben plaatsgevonden na 15 november 20216.
De woorden “
een gebeurtenis of gebeurtenissen die heeft of hebben plaatsgevonden op of na 15 november 2016” in de genoemde bepalingen zijn het resultaat van het amendement Van Gent c.s. [13]
De toelichting bij dat amendement luidt, voor zover hier van belang (onderstreping door het hof):
“Op grond van het huidige wetsvoorstel (…) kunnen tot in lengte van dagen vorderingen worden ingediend met gebruikmaking van het nieuwe recht naar aanleiding van gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden vóór inwerkingtreding van dit wetsvoorstel, voor zover geen sprake is van verjaring. Dat levert een onterechte verruiming op van de bevoegdheden voor eisende partijen, terwijl de verwerende partij onmogelijk met gebruikmaking van dit instrument door de eiser rekening had kunnen houden. Deze vorm van overgangsrecht staat op gespannen voet met het rechtszekerheidsbeginsel. Bedrijven, organisaties of andere partijen hebben immers geen mogelijkheid gehad om zich voor te bereiden op de komst van de nieuwe wet als deze ook van toepassing is op oude gebeurtenissen.
(…)
Daarom regelt dit amendement dat een rechtsvordering op grond van het nieuwe recht slechts mogelijk is als deschadeveroorzakende gebeurtenisheeft plaatsgevonden op of na 15 november 2016. Dat is de datum dat het wetsvoorstel naar de Kamer is gestuurd en de partijen dus in theorie kunnen weten dat de nieuwe wet eraan komt. Als iemand een massaschadeprocedure wil beginnen wegens een gebeurtenis die vóór 15 november 2016 heeft plaatsgevonden, kan dat op basis van de wet zoals die toen gold. Bij een procedure wegens een gebeurtenis die op of ná die datum heeft plaatsgevonden geldt de wet zoals die na inwerkingtreding van het onderhavige wetsvoorstel zal komen te gelden.In het theoretische geval dat sprake is van een reeks van gebeurtenissen die zowel vóór als na 15 november 2016 plaatsvinden, is het recht van toepassing zoals dat geldt op het moment dat de laatste gebeurtenis waarop de vordering betrekking heeft, heeft plaatsgevonden. De voordelen van deze vorm van overgangsrecht, ten opzichte van het overgangsrecht zoals voorgesteld in het wetsvoorstel, is dat het rechtzekerheidsbeginsel beter wordt gewaarborgd. Bovendien wordt de mogelijkheid van dubbele procedures op grond van verschillende juridische regimes kleiner. Tot slot sluit deze vorm van overgangsrecht beter aan bij de wetgeving van ons omringende landen, zoals Engeland en België.”
6.34
SILC heeft de rechtsvordering ingesteld en het geding aanhangig gemaakt na 1 januari 2020 (de inleidende dagvaarding is uitgebracht op 31 december 2021). Ter beoordeling ligt dus voor of de rechtsvordering van SILC betrekking heeft op een gebeurtenis of gebeurtenissen die heeft of hebben plaatsgevonden voor 15 november 2016.
6.35
De rechtbank heeft deze vraag voor de in hoger beroep nog relevante (groep van) gedaagde(n) negatief beantwoord. De rechtbank overwoog, samengevat, onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis en de wet dat het begrip “gebeurtenis” in de overgangsbepalingen moet worden gelezen als “aansprakelijkheid scheppende gebeurtenis(sen) die door de belangenorganisatie aan de vordering ten grondslag is/zijn gelegd”. In geval van Airbus en de leden van de Raad van Bestuur bestaat die gebeurtenis uit het tekortschieten in de informatievoorziening naar de buitenwereld in de periode van 1 februari 2014 tot en met 16 maart 2020. Dit is naar het oordeel van de rechtbank niet zo zeer een reeks van gebeurtenissen vóór en na 15 november 2016, maar één voortdurende gebeurtenis die eindigt na 15 november 2016. Beide situaties sluiten echter zo nauw op elkaar aan, dat de rechtbank analoog aan het in het amendement verkondigde standpunt van oordeel is dat het recht van toepassing is zoals dat geldt op het moment dat de voortdurende gebeurtenis eindigt (de WAMCA). De verwijten van SILC aan EYA hebben zonder meer betrekking op de controle van de jaarrekeningen vanaf 2016. In die zin is sprake van hetzij een reeks van gebeurtenissen, hetzij een voortdurend nalaten vanaf de afloop van het boekjaar 2016. In beide gevallen is de WAMCA van toepassing, aldus de rechtbank.
6.36
De leden van de Raad van Bestuur (behalve [geïntimeerde 8] ) en EYA hebben incidentele grieven gericht tegen dit oordeel. Zij voeren aan dat het toepasselijke actierecht moet worden vastgesteld op basis van de initiële, gemeenschappelijke en alles overkoepelende schadeveroorzakende gebeurtenis. Die gebeurtenis bestaat in dit geval (primair) uit de beweerdelijke omkooppraktijken of (subsidiair) het begin van het gestelde informatieverzuim van Airbus. Beide gebeurtenissen hebben vóór 15 november 2016 plaatsgevonden, zodat artikel 3:305a (oud) BW van toepassing is op de vorderingen van SILC. Indien het hof hierin niet meegaat, dan moet volgens hen iedere financiële publicatie afzonderlijk als een gebeurtenis in de zin van het overgangsrecht worden beschouwd en moet daarom een knip worden gezet: op de vorderingen die zijn gebaseerd op financiële publicaties van vóór 15 november 2016 is artikel 3:305a (oud) BW van toepassing en op de vorderingen die zijn gebaseerd op financiële publicaties van na die datum de WAMCA. SILC betoogt dat de rechtbank op juiste gronden tot het oordeel is gekomen dat de WAMCA van toepassing is op al haar vorderingen tegenover geïntimeerden. Airbus en [geïntimeerde 8] refereren zich aan het oordeel van het hof.
6.37
Zoals hiervoor uiteengezet heeft de wetgever bij de inwerkingtreding van de WAMCA een uitzondering gemaakt op de hoofdregel dat deze wet onmiddellijke werking heeft (artikel 68a en artikel 74 Overgangswet Pro BW). Aanvankelijk werd in afwijking van deze hoofdregel voorgesteld dat de WAMCA niet van toepassing zou zijn op rechtsvorderingen die reeds voor de datum van inwerkingtreding van de WAMCA aanhangig waren gemaakt. [14] Bij amendement werd vervolgens voorgesteld de werking van de WAMCA in tijd verder te beperken door de wet niet van toepassing te laten zijn op
rechtsvorderingen(in de WAMCA aangeduid als: collectieve vorderingen) die weliswaar na de inwerkingtreding van de WAMCA werden ingesteld, maar betrekking hebben op een gebeurtenis of gebeurtenissen die plaats vond(en) vóór 15 november 2016.
6.38
Uit het voorgaande blijkt dat het antwoord op de vraag welke gebeurtenis of gebeurtenissen voor de werking van de WAMCA relevant is of zijn, wordt bepaald door de indiener van de rechtsvordering (of: collectieve vordering) en dus moet worden benaderd vanuit het perspectief van SILC en de beleggers voor wie SILC in deze collectieve actie opkomt. Dat vindt ook steun in de wettelijke bepalingen en de wetsgeschiedenis, waar de rechtbank in rov. 5.45 en 5.46 van het vonnis naar heeft verwezen, en waaruit onder meer volgt dat de indiener van de collectieve vordering een omschrijving moet geven van de gebeurtenis of gebeurtenissen waarop de collectieve vordering betrekking heeft. Het hof volgt de (acht) leden van de Raad van Bestuur en EYA daarom niet in hun stelling dat voor het bepalen van de relevante gebeurtenis moet worden uitgegaan van het perspectief van een objectieve waarnemer. Wel is vereist dat de collectieve vordering(en) betrekking hebben op gelijksoortige feitelijke en rechtsvragen voor dezelfde gebeurtenis, zodat het de voorkeur heeft deze als één zaak af te wikkelen.
6.39
Uit de toelichting op het amendement blijkt voorts dat het WAMCA-overgangsrecht aanknoopt bij de
schadeveroorzakendegebeurtenis of gebeurtenissen die door de indiener aan de rechtsvordering ten grondslag wordt of worden gelegd. SILC heeft aan haar collectieve vorderingen tegenover Airbus, de leden van de Raad van Bestuur en EYA als schadeveroorzakende gebeurtenis ten grondslag gelegd het informatieverzuim van Airbus, waaraan volgens SILC de leden van de Raad van Bestuur en EYA hebben bijgedragen. SILC betoogt dat het informatieverzuim heeft geleid tot koersschade bij de beleggers, omdat de aandelenkoers een geflatteerd beeld gaf doordat Airbus de (financiële) risico’s in verband met omkooppraktijken verborgen hield in haar financiële publicaties. De door SILC gemaakte berekening van deze schade is gebaseerd op koersbewegingen kort na het openbaar maken van (gestelde) verborgen informatie die tot koersinflatie heeft geleid (“
corrective disclosures”).
6.4
Het hof concludeert daarom, evenals de rechtbank, dat het gestelde informatieverzuim van Airbus geldt als de schadeveroorzakende gebeurtenis waarop de vorderingen tegen Airbus, de leden van de Raad van Bestuur en EYA zijn gebaseerd en kwalificeert dit informatieverzuim als de voor het bepalen van de temporele reikwijdte van de WAMCA relevante gebeurtenis. Het standpunt van de (acht) leden van de Raad van Bestuur en EYA dat niet de schending van de informatieplicht, maar de omkoping als relevante schadeveroorzakende gebeurtenis heeft te gelden, wordt verworpen. De rechtsvordering van SILC strekt immers niet tot beëindiging of vergoeding van schade in verband met de omkoping, maar tot vergoeding van de schade die volgens de beleggers is ontstaan als gevolg van het zwijgen daarover. Niet de omkoping, maar het informatieverzuim heeft dus (beweerdelijk) tot aantasting van de subjectieve vermogensrechten van de beleggers geleid en de verbintenis tot schadevergoeding doen ontstaan die aan de rechtsvordering ten grondslag is gelegd.
6.41
Het hof volgt de (acht) leden van de Raad van Bestuur en EYA ook niet in hun standpunt dat voor de temporele reikwijdte van de WAMCA moet worden aangeknoopt bij
het beginvan het gestelde informatieverzuim in februari 2014 of het voorjaar van 2015 en in elk geval vóór 15 november 2016. Dat standpunt strookt niet met de toelichting op het amendement waarin staat dat wanneer sprake is van een reeks van gebeurtenissen die vóór en na 15 november 2016 plaatsvinden, moet worden aangeknoopt bij het recht dat geldt op het moment dat de
laatstegebeurtenis waarop de vordering betrekking heeft, heeft plaatsgevonden. Dat brengt mee dat de WAMCA van toepassing kan zijn op vorderingen die betrekkingen hebben op gebeurtenissen die zich hebben voorgedaan vóór 15 november 2016, mits zij deel uitmaken van een reeks van gebeurtenissen die ook na 15 november 2016 plaatsvond. Dat volgt ook uit rechtspraak van de Hoge Raad, waarin staat dat de WAMCA van toepassing is indien de vorderingen “niet (uitsluitend)” betrekking hebben op gebeurtenissen die zich hebben voorgedaan vóór 15 november 2016. [15]
6.42
In de onderhavige zaak ziet het gestelde informatieverzuim op een voortdurend nalaten om beleggers correct te informeren in de periode 1 februari 2014 tot en met 16 maart 2020, althans 31 december 2020, dus vóór en na 15 november 2016. De stellingen van SILC komen er namelijk in de kern op neer dat Airbus ten onrechte (bewust) geen dan wel onvoldoende informatie heeft verstrekt over de omkooppraktijken en de institutionalisering daarvan in haar bedrijfsvoering, over lopende interne en externe (strafrechtelijke) onderzoeken daarnaar, de door Airbus genomen maatregelen om omkooppraktijken in de toekomst te voorkomen en de ontmanteling van de afdeling die de (gestelde) omkooppraktijken mogelijk maakte. SILC heeft ter onderbouwing van dit betoog verschillende financiële publicaties en ad hoc publicaties (persberichten) uit de periode 1 februari 2014 tot en met 16 maart 2020, althans 31 december 2020 aangehaald, waarin Airbus die informatie (volgens SILC) niet of onvoldoende heeft vermeld.
6.43
Anders dan de (acht) leden van de Raad van Bestuur en EYA hebben betoogd, kunnen naar het oordeel van het hof de openbaarmakingen van die publicaties niet als afzonderlijke schadeveroorzakende gebeurtenissen worden aangemerkt, maar moet het verzuim van Airbus om in die publicaties de hiervoor vermelde informatie (alsnog) te vermelden, als één voortdurende gebeurtenis worden gezien. Het gegeven dat elke (financiële) publicatie vraagt om een afzonderlijke beoordeling (door Airbus en de leden van de Raad van Bestuur) en controle (door EYA) en dat daarbij afwegingen worden gemaakt op basis van de situatie op dat moment, maakt dit niet anders. De (financiële) publicaties staan immers niet op zichzelf, maar vinden hun oorsprong in het handelen van Airbus c.s. in deze periode. Het verwijt dat SILC aan haar vorderingen ten grondslag legt is – naar de kern genomen – dat door het (voortdurend) tekortschieten in de periode 1 februari 2014 tot en met 16 maart 2020, althans 31 december 2020 van Airbus c.s. in de informatievoorziening jegens beleggers over de aard en omvang van de ‘omkooppraktijken’ de koers van Airbus over deze gehele periode een te hoge notering heeft gehad. Het niet publiekelijk bekendmaken van de volgens SILC verborgen gehouden informatie leidt ertoe dat de beweerdelijk schadeveroorzakende gebeurtenis bleef voortduren, tot na 15 november 2016.
6.44
Deze gebeurtenis is weliswaar strikt genomen niet ‘een reeks van gebeurtenissen’ die hebben plaatsgevonden vóór en na 15 november 2016, zoals besproken in het amendement, maar kan wel worden gezien als één voortdurende gebeurtenis, eindigend na 15 november 2016. Het hof is, met de rechtbank, van oordeel dat beide situaties zo nauw op elkaar aansluiten, dat het hof analoog aan het in het amendement verwoorde standpunt van oordeel is dat het recht van toepassing is zoals dat geldt op het moment dat de voortdurende gebeurtenis eindigt. Omdat dit ná 15 november 2016 was, is dat de WAMCA.
6.45
Het hof ziet in de wetsgeschiedenis geen aanwijzingen dat een dergelijke (analoge) toepassing van het overgangsrecht in strijd is met de bedoeling van de wetgever. Het strategisch aaneenrijgen van afzonderlijke en niet aan elkaar gerelateerde gebeurtenissen waardoor SILC zelf kan bepalen welk collectief actierecht van toepassing is, is immers niet aan de orde. Ook de door de wetgever genoemde situatie dat bedrijven geen mogelijkheid hebben om rekening te houden met de komst van de WAMCA (het rechtszekerheidsbelang) doet zich niet voor. Airbus had immers (in de woorden van het amendement: “
in theorie”) op 15 november 2016, toen de komst van de WAMCA bekend werd, het verweten achterhouden van de genoemde informatie kunnen staken, teneinde toepasselijkheid van de WAMCA te voorkomen. Bovendien is door de invoering van de WAMCA het materiële recht, op grond waarvan wordt beoordeeld of iets onrechtmatig is, niet veranderd; alleen de wijze waarop de schade kan worden gevorderd is veranderd.
6.46
Uit het voorgaande volgt dat de op het voorgaande betrekking hebbende incidentele grieven van de leden van de Raad van Bestuur (behalve [geïntimeerde 8] ) en EYA geen doel treffen en dat op de vorderingen tegen Airbus, de leden van de Raad van Bestuur en EYA de WAMCA van toepassing is. Het hof zal de ontvankelijkheid van SILC beoordelen aan de eisen die de WAMCA hieraan stelt.
Toetsing ex nunc
6.47
De rechtbank heeft geoordeeld dat bij de toetsing van de ontvankelijkheid van SILC in beginsel moet worden uitgegaan van de situatie op het moment dat vonnis wordt gevraagd (
ex nunc). EYA is het niet eens met dit oordeel. Zij stelt dat de ontvankelijkheid
ex tuncmoet worden beoordeeld, dus naar de situatie ten tijde van de inleidende dagvaarding. Volgens EYA bestaan in het systeem van de WAMCA hiervoor goede redenen, omdat een toetsing
ex nuncin de hand werkt dat een belangenorganisatie onvoorbereid een collectieve dagvaarding uitbrengt, in de hoop daarmee andere belangenorganisaties de pas af te snijden. Zij kan er dan op ‘gokken’ dat zij gedurende de procedure nog de gelegenheid krijgt om haar organisatie op orde te krijgen.
6.48
Dit betoog van EYA slaagt niet. De hoofdregel van het burgerlijk procesrecht is dat ontvankelijkheid in hoger beroep
ex nuncwordt getoetst, dat wil zeggen: op grond van de zich op het moment van de beoordeling van de toewijsbaarheid van de vordering voordoende omstandigheden. Dat is vaste rechtspraak en valt ook te verklaren vanuit de ruime herstelfunctie die aan het hoger beroep naar Nederlands procesrecht toekomt. Het is, vanuit het oogpunt van goede rechtspleging, ongewenst om, als in eerste aanleg blijkt van een gebrek dat toen niet tijdig is hersteld, herstel van dat gebrek in hoger beroep buiten beschouwing te laten. De redenen die hebben geleid tot invoering van de WAMCA maken dat niet anders. De WAMCA voorziet in een verscherping van de ontvankelijkheidseisen in een collectieve actie als deze. De ratio daarvan is onder meer gelegen in de wens tot het weren van ongewenste belangenorganisaties, waarbij vooral is gedacht aan belangenorganisaties met (financiers met) oneigenlijke, eigen commerciële beweegredenen en aan belangenorganisaties die niet op hun taak zijn berekend. Indien eerst in hoger beroep aan deze door de WAMCA verscherpte eisen wordt voldaan, wordt ook in voldoende mate tegemoetgekomen aan de ratio van de wetgever voor de invoering van de WAMCA. Andersom verzet de genoemde ratio zich ertegen dat een belangenorganisatie, waarvan de organisatie aan het begin van de procedure nog wel in orde is, vervolgens voor altijd claimgerechtigd blijft, ook als zij nadien, bijvoorbeeld bij een hogere instantie, niet meer aan de eisen voldoet. Dat pleit voor toetsing
ex nunc, waarbij alle ontwikkelingen in de beschouwingen kunnen worden betrokken. Tot slot wijst ook de wetssystematiek in voormelde richting. In het bij de invoering van de WAMCA gewijzigde artikel 3:305a BW staat niet op welk moment aan de ontvankelijkheidseisen moet zijn voldaan. Wel volgt uit artikel 1018c lid 5 sub a Rv dat toetsing plaatsvindt op het moment waarop moet worden beslist of de eisende partij voldoet aan de ontvankelijkheidseisen van artikel 3:305a BW. Ook dit wijst, in elk geval voor deze vraag, op een toetsing
ex nunc. [16]
6.49
Gelet op het voorgaande zal het hof bij de toetsing van de ontvankelijkheid van SILC in beginsel uitgaan van de situatie van het moment waarop arrest wordt gevraagd (
ex nunc).
De ontvankelijkheidseisen van artikel 3:305a BW
6.5
Artikel 3:305a lid 1 BW bepaalt dat een stichting of een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid een rechtsvordering kan instellen die strekt tot bescherming van gelijksoortige belangen van andere personen, voor zover zij deze belangen ingevolge haar statuten behartigt en deze belangen voldoende zijn gewaarborgd (het waarborgvereiste). In artikel 3:305a lid 2 BW wordt het waarborgvereiste nader uitgewerkt. In artikel 3:305a lid 3 en 5 BW worden nadere eisen gesteld aan de in lid 1 bedoelde rechtspersoon.
6.51
Vaststaat dat SILC een stichting is als bedoeld in artikel 3:305 lid 1 BW Pro; zij voldoet aan het statutenvereiste, omdat het in deze zaak te behartigen belang valt binnen de onder 3.1 van de statuten bedoelde statutaire doelomschrijving van SILC.
6.52
Het hof ziet aanleiding eerst te beoordelen of SILC voldoet aan het waarborgvereiste, omdat de rechtbank SILC op deze grond niet-ontvankelijk heeft verklaard en SILC dit oordeel in hoger beroep bestrijdt (met haar grieven 1 tot en met 7).
Waarborgvereiste – rechtsontwikkeling
6.53
Het waarborgvereiste werd voor het eerst in 2013 in de WCAM geïntroduceerd door de toevoeging van de volgende zin aan artikel 3:305a lid 2 BW (oud):
“Een rechtspersoon (…) als bedoeld in lid 1 is eveneens niet ontvankelijk, indien met de rechtsvorderingen de belangen van de personen ten behoeve van wie de rechtsvordering is ingesteld onvoldoende gewaarborgd zijn.”
6.54
Aanleiding voor deze uitbreiding was dat bij collectieve acties in vooral de financiële sector getwijfeld werd aan de zuiverheid van de motieven van bepaalde ad hoc claimstichtingen die in het leven werden geroepen nadat een groot aantal personen als gevolg van dezelfde gebeurtenissen door toedoen van één of meer schadeveroorzakers schade had geleden. Deze aanleiding blijkt onder meer uit de volgende passages uit de Memorie van Toelichting (onderstreping door het hof) [17] :
“Het collectief actierecht van artikel 3:305a BW biedt de mogelijkheid om op een efficiënte en effectieve wijze rechtsbescherming te bieden tegen de aantasting van belangen die grote groepen burgers gezamenlijk raken. De toenemende massaliteit en schaalvergroting in ons recht leiden tot collectieve geschillen en hebben eraan bijgedragen dat steeds veelvuldiger gebruik wordt gemaakt van het collectief actierecht. Dit valt toe te juichen omdat in deze gevallen een individueel optreden vaak niet mogelijk is of omdat een collectief optreden efficiënt en in het belang van alle betrokkenen is.Dit succes van het collectief actierecht heeft echter ook een keerzijde. Het leidt in toenemende mate tot, wat wel wordt genoemd, een wildgroei aan claimstichtingen die na een massaschade in het leven worden geroepen. Dit verschijnsel doet zich vooral voor bij massaschades in de financiële sector, bijvoorbeeld na het faillissement van DSB Bank. Met gebruikmaking van internet en door aandacht in de media trachten deze stichtingen vele gedupeerden aan zich te binden.In bepaalde gevallen wordt wel getwijfeld aan de zuiverheid van de motieven van deze stichtingen, die niet zelden louter commercieel gedreven zijn (entrepreneurial lawyering).Gedupeerden beschikken veelal niet over de kennis om te beoordelen wat deze motieven zijn en of de organisatie de vereiste deskundigheid bezit om hun belangen adequaat te behartigen. Voor de wederpartij is het vaak lastig te beoordelen welke stichting voldoende professioneel is om daarmee als gesprekspartner naar een voor alle partijen rechtvaardige oplossing van de zaak te werken en met het oog daarop goede procedurele afspraken te maken.
Het is niet wenselijk het oprichten van dergelijke stichtingen die de belangen van anderen beogen te behartigen, te ontmoedigen. Degelijke ad hoc opgerichte stichtingen vervullen immers niet zelden een belangrijke rol bij de afwikkeling van massaschades en worden ook niet zelden opgericht door al bestaande belangenorganisaties die op deze wijze bijvoorbeeld goed in staat zijn bestuursleden aan te trekken die over de expertise beschikken die nodig is voor de afwikkeling van de betreffende zaak.Gezien het bovenstaande is er echterwelreden om maatregelen te treffen die moetenontmoedigen dat stichtingen belangen behartigen van gedupeerden uit motieven die louter commercieel gedreven zijn. Bovendien is er reden om gedupeerden en hun wederpartijen houvast te bieden en beter inzicht te geven in het functioneren en de professionaliteit van ad hoc opgerichte stichtingen.
(…)
Een vermoedelijk ook belangrijke oorzaak voor de sterke opkomst van ad hoc opgerichte stichtingen is de ingevolge artikel 3:305a BW vrijwel voorbehoudloze toegang tot de rechter. Deze stichtingen weten zich hierdoor gesterkt indien zij zich opwerpen als belangenbehartiger van gedupeerden.Omdat de beweegredenen van deze stichtingen niet altijd primair op belangenbehartiging zijn gericht, is er reden om, afhankelijk van de omstandigheden, strengere toegangseisen te stellen. Voorgesteld wordt daarom om de rechter een handvat te bieden om kritisch te oordelen over de ontvankelijkheid in een collectieve actie indien hij twijfelt aan de motieven voor het instellen van deze actie.Daarom wordt in de voorgestelde nieuwe redactie van de derde zin van artikel 305a lid 2 BW de mogelijkheid geboden om de eisende organisatie niet-ontvankelijk te verklaren indien de belangen van de personen voor wie gesteld wordt te worden opgekomen, met de collectieve actie onvoldoende gewaarborgd zijn.
(…)
2.De vraag of met een collectieve actie de belangen van de betrokken personen al dan niet voldoende gewaarborgd zijn, laat zich alleen per concreet geval beantwoorden. Twee centrale vragen die dan in geval van betwisting beantwoording behoeven zijn in hoeverre de betrokkenen uiteindelijk baat hebben bij de collectieve actie indien het gevorderde wordt toegewezen en in hoeverre erop vertrouwd mag worden dat de eisende organisatie over voldoende kennis en vaardigheden beschikt om de procedure te voeren. In dat kader is een aantal factoren te noemen die hierbij in algemene zin een rol kunnen spelen.
Acht kan bijvoorbeeld worden geslagen op de overige werkzaamheden die de organisatie heeft verricht om zich voor de belangen van benadeelden in te zetten of op de vraag of de organisatie in het verleden ook daadwerkelijk in staat is gebleken de eigen doelstellingen te realiseren. Een aanwijzing kan voorts zijn het aantal benadeelden dat aangesloten is bij of lid is van de organisatie en de vraag in hoeverre benadeelden zelf de collectieve actie ondersteunen.Indien dehierboven genoemdeclaimcode tot stand is gekomen kan ook van betekenis zijn of de eisende organisaties aan de daarin opgenomen «principes» voldoet.
Voorts kan bij een ad hoc opgerichte stichting van belang zijn of deze is opgericht door reeds bestaande organisaties die in het verleden succesvol de belangen van de betrokkenen hebben behartigd. Ook kan een aanwijzing zijn of de organisatie ter zake van de gebeurtenis waardoor velen gedupeerd zijn niet alleen voor de veroorzaker(s), maar bijvoorbeeld ook voor de overheid als gesprekspartner is opgetreden. Het optreden als spreekbuis in de media kan ook een aanwijzing zijn.(…)”
6.55
In de WAMCA (vanaf 2020) zijn de ontvankelijkheidseisen waaraan de belangenbehartiger moet voldoen opnieuw aangescherpt. Over de achtergrond hiervan is in de Memorie van Toelichting onder meer het volgende te lezen (onderstreping door het hof) [18] :
“Daarnaast worden aanvullende ontvankelijkheidseisen geïntroduceerd om een adequate vertegenwoordiging van gedupeerden in collectieve procedures te garanderen, nu zelfregulering door middel van een door vertegenwoordigers van belangenorganisaties opgestelde «Claimcode» niet het gewenste effect heeft. Zeker nu dit voorstel tot doel heeft om één belangenorganisatie aan te wijzen die voor alle gedupeerden en alle andere partijen optreedt in de procedure, is de invoering van dergelijke aanvullende waarborgen gerechtvaardigd. Dit is in het belang van gedupeerden en van de aangesproken partij. Zij weten zo dat ze te maken hebben met kwalitatief goede organisaties die het belang van gedupeerden voorop hebben staan.
(…)
4.2
Wie kan de vordering instellen?
Net als bij een collectieve actie kan een collectieve schadevergoedingsactie worden ingesteld door een representatieve belangenorganisatie, die al dan niet voor de desbetreffende collectieve schadevergoedingsactie is opgericht (adhoc-organisatie).Het wetsvoorstel bevat aangescherpte ontvankelijkheidseisen voor belangenorganisaties die een collectieve (schadevergoedings-)vordering instellen. Deze eisen verankeren deels de Claimcode wettelijk en zien op de transparantie en governance van belangenorganisaties.Dit is overeenstemming met de Aanbevelingen van de Juristengroep. In de strengere eisen met betrekking tot de toegang tot de collectieve procedure ligt ook een belangrijke garantie besloten ter voorkoming van uitwassen.
(…)
Deze aangescherpte ontvankelijkheidseisen geven de rechter de mogelijkheid om de geschiktheid van de belangenorganisatie indringend te toetsen.Een aanscherping van de ontvankelijkheidseisen is op zijn plaats omdat de invoering van een systeem waarin een Exclusieve Belangenbehartiger wordt aangewezen extra verantwoordelijkheden met zich brengt voor een belangenorganisatie. Hetzelfde geldt wanneer een belangenorganisatie de mogelijkheid krijgt om in een collectieve actie schadevergoeding te vorderen ten behoeve van de gedupeerden voor wie zij de rechtsvordering heeft ingesteld. Ten slotte zijn er de laatste tijdverschillende incidentengeweestrondom commerciële belangenorganisaties. Dezeonderstrepen het belang van een betere transparantie en governance van belangenorganisaties die collectieve proceduresvoeren ter bescherming van de gedupeerden voor wie zij stellen op te komen.
(…)
Lid 2, nadere ontvankelijkheidseisen governance
(…)De laatste jaren is er veel te doen geweest over de wijze waarop sommige representatieve belangenorganisaties in de praktijk opereren. Daarbij richt de kritiek zich vooral op de kwaliteit van ad hoc ingestelde organisaties, die ten behoeve van één specifieke rechtsvordering zijn opgericht of op commerciële organisaties die van het instellen van collectieve vorderingen hun verdienmodel hebben gemaakt en niet zozeer op bestaande belangenbehartigers die reeds een lange staat van dienst hebben.Deze kritiek ziet niet op organisaties zoals de Consumentenbond, VEB en Eumedion en VEH, die zich naast het voeren van collectieve procedures breder inzetten als belangenbehartiger. Deze laatste organisaties zijn veelal als vereniging georganiseerd. In de regel kan worden aangenomen dat deze belangenorganisaties zullen voldoen aan de aangescherpte ontvankelijkheidseisen in artikel 3:305a BW.Bij ad hoc organisaties en commerciële organisaties, veelal als stichting georganiseerd, kunnen de aangescherpte ontvankelijkheidseisen werken als filter. Dit om te voorkomen dat de collectieve (schadevergoedings-)actie een vrijplaats wordt voor commercieel ingestelde organisaties, die de belangen van de personen voor wie zij opkomen op de tweede plaats hebben staan.
Waarborgvereiste en zeggenschap (artikel 3:305a lid 2 aanhef en onder c BW)
6.56
Eén van de aanscherpingen die met de WAMCA is geïntroduceerd, betreft het als onderdeel van het waarborgvereiste opgenomen zeggenschapsvereiste. Zo dient op grond van artikel 3:305a lid 2 aanhef en onder sub c de belangenorganisatie (SILC) te beschikken over voldoende middelen om de kosten voor het instellen van een rechtsvordering te dragen
waarbij de zeggenschap over de rechtsvordering in voldoende mate bij de rechtspersoon ligt(cursivering hof).
6.57
In de wetsgeschiedenis is over het criterium van voldoende zeggenschap het volgende opgemerkt (onderstreping door het hof):
“Onderdeel c stelt eisen aan de financiële middelen waarover een belangenorganisatie moet beschikken. Dit geeft de rechter de mogelijkheid om te toetsen of een rechtspersoon die een collectieve vordering instelt, beschikt over voldoende middelen om de procedure te kunnen voeren. De rechter kan daarvoor waar nodig inzage vragen in de boeken van de organisatie, zo nodig in te zien door een door hem aan te wijzen derde, zonder dat daarmee de verplichting ontstaat om deze gegevens ook aan de wederpartij te verschaffen. In het geval gekozen wordt voor een constructie met Third Party Litigation Funding kan de rechter op basis van deze eis in combinatie met het algemene vereiste van de voldoende gewaarborgde belangen, onder meer de financieringsovereenkomst opvragen om te bekijken hoe daarin de invloed van de financier op de procedure is geregeld en of die regeling niet in de weg staat aan een zorgvuldige behartiging van de belangen van de benadeelden. De toetsing van dit onderdeel kan vanzelfsprekend slechts marginaal zijn.
Voldoende is dat een rechtspersoon kan aangeven dat hij, op het moment van toetsing, over voldoende middelen beschikt of kan beschikken om de procedure te kunnen voeren. Niet nodig is overigens dat ook de wederpartij inzage in de financieringsovereenkomst krijgt (HR 20 december 2002, NJ 2004, 4, Lightning Casino/Antillen).” [19]
“Daaraan is toegevoegd dat de zeggenschap over de vordering in voldoende mate bij de belangenorganisatie moet liggen. In de memorie van toelichting en de nota naar aanleiding van het verslag is opgemerkt dat de rechter voor het beoordelen van dit ontvankelijkheidsvereiste ook een eventuele financieringsovereenkomst met een derdenfinancier kan opvragen.Net als de partijen die hiernaar gevraagd hebben in het nader verslag, vind ik het onwenselijk als een ander dan de belangenorganisatie zelf, bepaalt hoe met de collectieve vordering wordt omgegaan. Dit betekent dat de belangenorganisatie (in overleg met de achterban) – en niet de eventuele financier – uiteindelijk beslist of kan worden ingestemd met een schikking of dat eventueel hoger beroep wordt ingesteld tegen een afwijzende beslissing. De rechter kan ambtshalve toetsen welke mate van invloed een eventuele derdenfinancier volgens de financieringsovereenkomst heeft op de procedure.De toevoeging in onderdeel c verduidelijkt dit.” [20]
Claimcode
6.58
Bij de vraag of een belangenorganisatie voldoet aan het waarborgvereiste, komt mede betekenis toe aan de in Nederland in 2011 ontwikkelde Claimcode. De Claimcode is een vorm van zelfregulering, ontwikkeld op initiatief van specialisten op het gebied van collectieve acties. De Claimcode bevat regels over de samenstelling, taak en beloning van het bestuur en de taak en samenstelling van een raad van toezicht, alsmede regels over het behartigen van collectieve belangen zonder winstoogmerk, onafhankelijkheid en vermijding van belangentegenstellingen. De Claimcode neemt tot uitgangspunt dat het afwijken van de principes onder bijzondere omstandigheden gerechtvaardigd kan zijn (volgens het beginsel ‘pas toe of leg uit’). In 2019 is de Claimcode herzien en aangevuld, in het bijzonder met voorschriften voor externe financiering.
6.59
De wetgever heeft meermaals opgemerkt dat de Claimcode kan worden gebruikt als aanwijzing om vast te stellen of de belangen van de benadeelden voldoende zijn gewaarborgd (zie 6.54 en 6.55). In dit verband wordt ook gewezen op de reactie van de minister van Veiligheid en Justitie op Kamervragen naar aanleiding van het wetsvoorstel tot wijziging van de WCAM [21] (onderstreping door het hof):
“In antwoord op de vraag of overwogen is om de Claimcode mee te nemen in het wetsvoorstel, zij gewezen op het in het onderhavige voorstel geïntroduceerde ontvankelijkheideis dat met een collectieve actie de belangen van de betrokken personen voldoende gewaarborgd zijn. Hierbij kan de rechter betekenis toekennen aan de vraag of en in hoeverre de eisende organisaties aan de in de Claimcode opgenomen «principes» voldoet. Aldus heeft de Claimcode, voor zover het gaat om het instellen van een collectieve actie,een indirecte wettelijke verankering.”
6.6
Hoewel de Claimcode geen wettelijke status heeft kan aan de Claimcode wel een zekere status worden toegekend als bron van recht, bijvoorbeeld bij de toepassing van het bepaalde in artikel 3:305a, lid 2 onder c, BW.
De oprichting en inrichting van SILC
6.61
SILC is een ad hoc claimstichting die is opgericht voor het instellen van de in deze procedure ingestelde vorderingen tegen Airbus c.s.
6.62
De oprichting van SILC vond plaats in 2021 op instigatie van DRRT, een Duits-Amerikaans (commercieel) advocatenkantoor, gevestigd op de Bahama’s dat zich richt op het voeren van en adviseren over collectieve acties, met name in gevallen van
fraud on the market. SILC stelt dat DRRT in dat kader de mogelijkheden voor verhaal van gedupeerde institutionele beleggers in aandelen Airbus heeft onderzocht. Vaststaat dat DRRT de oprichtingskosten van SILC heeft betaald en de procedure tegen Airbus c.s. heeft voorgefinancierd.
6.63
SILC beschikt, afgezien van haar advocaat, niet over een eigen organisatie, eigen medewerkers en eigen adviseurs waarmee zij de werkzaamheden rondom de collectieve actie verricht. Deze werkzaamheden zijn door SILC uitbesteed aan DRRT en Rightshare B.V. (hierna: Rightshare), waarbij DRRT zich richt op institutionele beleggers (pensioenfondsen, verzekeraars en vermogensbeheerders) en Rightshare op particuliere beleggers.
6.64
Uit een door SILC op 23 juli 2021 aan DRRT verstrekte (herroepbare) volmacht blijkt dat DRRT zorgdraagt voor het aantrekken van deelnemers, het registreren van hun claims, het bevorderen van het aangaan van participatieovereenkomsten met SILC, het verzamelen van bewijsmateriaal en het onderhouden van contact met de deelnemers. Inmiddels verricht DRRT haar werkzaamheden niet langer op grond van de volmacht, maar op grond van een
expert consultancy and services agreement. SILC voert niet aan dat de inhoud van de werkzaamheden die DRRT voor haar verricht in materieel opzicht is gewijzigd. Onderdeel van de afspraken tussen SILC en DRRT is dat DRRT alleen vergoeding ontvangt voor haar werkzaamheden bij een positief resultaat (no cure no pay):
“It is expressly understood that the Consultant will perform its services on a contigency basis only and will only get compensated for its efforts by the Foundation’s litigation funder, Therium Litigation Finance Atlas P IC (the Funder) under terms and conditions negotiated between the Consultant and the Funder. The Consultant assumes the risk of not being compensated and agrees not to approach the Foundation for any of its participants for any payment of costs or fees”.
6.65
Rightshare heeft voor SILC een online portal ontworpen waarin beleggers zich kunnen aanmelden om deel te nemen aan de collectieve actie van SILC. Zij worden hierbij gevraagd om een volmacht (privatieve last) te geven aan Rightshare. Op grond van die volmacht, zo stelt SILC, mag Rightshare in eigen naam alles doen wat redelijkerwijs nodig is om - kort gezegd - de claim te effectueren in rechte en een schikking te treffen. De volmacht bepaalt verder dat Rightshare de vertegenwoordiging kan laten verrichten door een andere partij, zoals SILC.
6.66
Op 23 januari 2023 hebben SILC, DRRT en Rightshare een
Litigation Funding Agreement(hierna: de financieringsovereenkomst) gesloten met Therium Litigation Finance Atlas P IC (hierna: Therium), die de positie van financier zou overnemen. Therium is een internationaal opererende
Third Party Litigation Funderdie (primair) is gericht op het behalen van winst voor haar investeerders.
De financiële verhouding tussen SILC, DRRT, Rightshare en Therium
6.67
SILC vraagt geen eigen bijdrage van de beleggers die zich bij haar hebben aangesloten en is daarom voor wat betreft haar financiering volledig afhankelijk van derden.
6.68
Bij rolbeslissing van 29 maart 2023 heeft de rechtbank SILC bevolen de tussen SILC, DRRT en Rightshare met de externe financier Therium gesloten financieringsovereenkomst te overleggen, waarbij het SILC is toegestaan om (i) de passages over commerciële afspraken alleen met de rechtbank te delen, en (ii) de passages over de relatie tussen de SILC en haar advocaat zwart te maken, waardoor deze niet gedeeld hoeven te worden. SILC heeft met in achtneming van het voorgaande de financieringsovereenkomst vervolgens in het geding gebracht. De financieringsovereenkomst zoals (en voor zover) aan de rechtbank overgelegd, is vervolgens tot de processtukken gaan behoren en ook het hof heeft daarvan kennisgenomen.
6.69
In de financieringsovereenkomst is neergelegd tot welke vergoeding Therium als externe financier maximaal gerechtigd is bij een succesvolle uitkomst (“a succesful outcome”) en de wijze waarop Therium deze vergoeding vervolgens moet delen (de zogenoemde ‘Waterfall’-clausule, hierna: de
waterfall) met DRRT, Rightshare en nog een vierde partij (die is weggelakt). Deze aan Therium toe te kennen vergoeding (“Total Fee”) bestaat uit het hoogste bedrag van ofwel (a) de som van de “Return” (zijnde driemaal – jaarlijks verhoogd met 0,25 vanaf 2026 – de door Therium toegezegde financiering), plus een bedrag gelijk aan driemaal (jaarlijks verhoogd met 0,25 vanaf 2026) de “Deferred Fees” (zijnde uitgestelde – wel geregistreerde, maar niet gefactureerde – vergoedingen) van DRRT, Rightshare (en de weggelakte partij), plus de door Therium betaalde financiering (“Cash Outlay”) plus de “out of pocket costs” van DRRT, Rightshare en “internal costs”, ofwel (b) 25 procent van de totale opbrengst. [22] De vergoeding is gemaximeerd op € 35 miljoen. SILC moet de vergoeding zo nodig inhouden op de uitkering aan de beleggers. [23]
6.7
Uit de overeenkomst blijkt dat al deze vier contractspartijen aanspraak maken op een deel van de opbrengst voor de vergoeding van hun kosten en als beloning, waarbij de hoogte afhangt van het bedrag dat beschikbaar komt. Zij dragen dus met elkaar het financiële risico van de collectieve procedure van SILC.
Heeft SILC voldoende zeggenschap over de rechtsvordering?
6.71
Zoals hiervoor uiteengezet, dient het hof met het oog op de vraag of de belangen van de beleggers waarvoor SILC stelt op te komen, voldoende zijn gewaarborgd, te onderzoeken of in het onderhavige geval de zeggenschap over de rechtsvordering in voldoende mate bij SILC ligt. Het hof is van oordeel dat dit niet het geval is en overweegt daartoe als volgt.
6.72
Principe II van de Claimcode 2019 schrijft voor dat de belangenorganisatie moet handelen in het collectieve belang van de (rechts)personen ten behoeve van wie zij optreedt en bepaalt in dat verband dat uit de statutaire doelstelling, de feitelijke werkzaamheden en de
governancevan de belangenorganisatie moet blijken dat de belangenorganisatie én de aan de belangenorganisatie rechtstreeks of middellijk verbonden (rechts)personen geen winstoogmerk hebben bij de uitoefening van hun activiteiten.
6.73
Gelet op het bepaalde in Principe II dient – kort gezegd – (i) SILC te handelen in het belang van de beleggers voor wie zij stelt op te komen, en (ii) mogen aan haar rechtstreeks of middellijk verbonden (rechts)personen geen winstoogmerk hebben.
6.74
Volgens SILC valt DRRT, noch Rightshare te beschouwen als een aan haar ‘rechtstreeks of middellijk verbonden’ rechtspersoon. Dit is volgens SILC reeds niet het geval omdat het begrip ‘rechtstreeks of middellijk verbonden rechtspersoon’ in formele zin dient te worden verstaan, waardoor op grond van Principe II (rechts)personen met een winstoogmerk geen bestuurslid mogen zijn en/of lid van de raad van toezicht, aldus SILC. Ook mag niet worden deelgenomen in dergelijke rechtspersonen. Contractuele relaties met derden (zoals DRRT/Rightshare) vallen buiten de reikwijdte van Principe II, aldus SILC.
6.75
Deze uitleg van Principe II wordt niet overgenomen. Een belangenorganisatie kan op verschillende wijzen verbonden zijn aan een andere (rechts)persoon. Dit kan zowel op een formele wijze - via haar organen (bestuursfuncties) of als aandeelhouder - als op materiële wijze, door middel van een contractuele relatie.
6.76
Het hof is van oordeel dat DRRT en Rightshare, beide rechtspersonen met winstoogmerk, als een ‘rechtstreeks of middellijk’ aan SILC verbonden rechtspersoon moeten worden beschouwd. Ter toelichting dient het volgende.
6.77
Een verbondenheid is er in die zin dat zowel DRRT als Rightshare in opdracht van SILC de voor de collectieve actie benodigde feitelijke werkzaamheden uitvoeren. Op zich verzet de Claimcode zich er niet tegen dat een stichting als SILC haar feitelijke werkzaamheden uitbesteedt aan een derde. De bijzonderheid in dit geval is evenwel dat zowel DRRT als Rightshare direct betrokken zijn bij de (wijze van) financiering van SILC, met recht op een (volledige) resultaatsafhankelijke beloning (rov. 6.69-6.70).
6.78
Zoals hiervoor uiteengezet, is SILC met DRRT en Rightshare in de financieringsovereenkomst overeengekomen dat de kosten die zij maken (de zogenoemde
Deferred Fees) bij een positief resultaat zullen worden voldaan uit de opbrengst van de claim. In zoverre is sprake van ‘voorfinanciering’ van kosten, wat ook als ‘externe financiering’ valt te beschouwen. [24] De door hen gemaakte kosten zullen dan worden terugbetaald met een opslag. DRRT en Rightshare delen aldus in de opbrengst van deze procedure en zijn daarom voor hun betaling afhankelijk van de uitkomst.
6.79
Het argument van SILC dat het voorschieten van kosten door DRRT/Rightshare geen ‘financiering door derden’ betreft (geen ‘externe financiering’ is), omdat hun rol als (voor)financier in de financieringsovereenkomst geheel is overgenomen door Therium, wordt niet gehonoreerd. Dit argument is ontleend aan de wijze waarop de rechten van DRRT/Rightshare zijn geformuleerd in de financieringsovereenkomst. Daarin is geregeld dat de vergoeding eerst geheel ten goede komt aan Therium en dat Therium vervolgens de vergoeding gebruikt om DRRT en Rightshare (en ook de weggelakte partij) conform de
waterfallte betalen. Deze opzet laat onverlet dat feitelijk sprake is van voorfinanciering door DRRT en Rightshare voor door SILC gemaakte kosten, die – alleen bij succes – weer zullen worden voldaan (met een opslag) uit de opbrengst.
6.8
De omstandigheid dat DRRT en Rightshare (materieel) als een ‘rechtstreeks of middellijk’ aan SILC verbonden rechtspersoon met winstoogmerk moeten worden beschouwd, betekent dat sprake is van een structuur die strijdig is met wat Principe II van de Claimcode als wenselijk voorschrijft.
6.81
Aan deze conclusie doet niet af dat, zoals SILC aanvoert, een belangenorganisatie de uitvoering van feitelijke werkzaamheden ook mag overlaten aan een derde. Op zichzelf beschouwd is dat ook juist. De enkele omstandigheid dat werkzaamheden worden uitbesteed door een belangenorganisatie maakt niet dat deze ‘derde/dienstverlener’ als een aan de belangenorganisatie verbonden rechtspersoon kan worden beschouwd. In het bijzonder zal daarvan geen sprake kunnen zijn indien deze derde/dienstverlener zijn diensten verricht tegen een (redelijke/zakelijke) vergoeding die niet afhankelijk is van de uitkomst van de procedure.
6.82
Aan deze conclusie doet evenmin af dat op grond van de Claimcode van een belangenorganisatie niet wordt gevergd dat zij een procedure niet uit eigen middelen bekostigt. Zij mag gebruik maken van financiering door derden, waarbij het evenwel aan de belangenorganisatie is om de zelfstandigheid en onafhankelijkheid ten opzichte van die financier(s) te bewaken (zie Principe III). Daarvan is in dit geval echter geen sprake. DRRT en Rightshare zijn (samen met Therium) de drijvende krachten achter SILC. Zij staan als ‘financierende derden’ en als dragers van het financieel risico met een volledig resultaatsafhankelijke beloning, niet op enige afstand van SILC. Het tegendeel is het geval.
6.83
Aan de feitelijke/contractuele verbondenheid tussen SILC en DRRT/Rightshare kan ook onvoldoende afdoen dat SILC (inmiddels) een (voldoende) onafhankelijk bestuur en raad van toezicht heeft. Het huidige bestuur beschikt over kennis en deskundigheid op het gebied van ondernemingsrecht, IPR en financiële zaken. Ook de raad van toezicht beschikt over kennis van en ervaring met collectieve acties, ook in de financiële sector. Het hof ziet daarom geen reden om te twijfelen aan de competenties van alle (huidige) bij SILC benoemde functionarissen. Van gewicht is wel dat, zoals reeds opgemerkt, SILC vrijwel al haar activiteiten laat verrichten door DRRT en Rightshare. Omdat SILC zelf verder geen activiteiten verricht, is de taak van het bestuur en de raad van toezicht de facto beperkt tot het geven van instructies aan DRRT en Rightshare en het houden van toezicht op de door hen voor SILC verrichte diensten.
6.84
Het hof onderkent dat het bestuur en de raad van toezicht een belangrijke functie hebben, daar waar zij beoordelen of een schikkingsresultaat ook recht doet aan de belangen van de benadeelde beleggers. Dat laat onverlet dat het schikkingsresultaat zal zijn bereikt met feitelijke betrokkenheid van DRRT en Rightshare. Vergelijk in dit verband ook de bepaling in de hierboven in rov. 6.64 bedoelde
expert consultancy and services agreementtussen DRRT en SILC, waarin is opgenomen dat DRRT juridisch en strategisch advies zal geven:
“inter alia in relation to internationally accepted market-standards for settlements of securities disputes”. Daarnaast merkt het hof op dat in artikel 8.1 van de financieringsovereenkomst weliswaar de autonomie van SILC vooropgesteld is, maar dat aan DRRT en Therium in de artikelen 8.2 tot en met 8.5 een informatie- en consultatierecht is toegekend dat erin voorziet dat zij in elk stadium van alle beslissingen over de rechtsvordering op de hoogte worden gesteld en dat SILC hen over elke te nemen strategische of juridische beslissing met betrekking tot de rechtsvordering moet consulteren:
“8.2. The Foundation, however, understands that DRRT's and Therium's expertise, background and role in other (class action) cases provide an important source of expertise for the Foundation and a basis for the fulfilment of its objectives. For this reason, the Foundation undertakes to share and exchange all information with Therium and DRRT related to the progress of the Activities, at least once each quarter and to the extent appropriate in view of the requirements of the Claim Code.
8.3.
The Foundation undertakes to inform and consult with Therium and DRRT in advance when considering any material decisions related to, among other things: (i) material strategic and legal decisions in relation to the pending legal proceedings, (ii) a settlement with one or more of the Defendants, and (iii) other strategic decisions.
8.4.
The Foundation shall provide DRRT and Therium with copies of draft and final versions of court submissions in any proceedings and shall also provide Therium with a copy of any draft and final versions of settlement agreements. (…) At the first written request of Therium and to the extent. Therium has a reasonable interest in the information so requested, the Foundation shall also provide Therium with a copy of its financial administration.
8.5.
Therium and DRRT will provide assistance and expertise to the extent that it is deemed helpful by the Foundation.”
6.85
Naar het oordeel van het hof is het informatie- en consultatierecht waarover DRRT en Therium de beschikking hebben verkregen zo ruim ingericht, dat het hen in staat stelt in vergaande mate invloed uit te oefenen op de besluitvorming ten aanzien van de door SILC ingestelde rechtsvordering.
6.86
Deze gang van zaken staat daarmee op gespannen voet met het doel dat de wetgever met artikel 3:305a BW heeft willen bevorderen. Immers, de belangen van DRRT, Rightshare (en Therium) enerzijds en de belangen van de beleggers waarvoor SILC stelt op te komen anderzijds, lopen niet noodzakelijkerwijs steeds parallel. Van een tegengesteld belang in de verhouding SILC tegenover Therium/DRRT/Rightshare zou bijvoorbeeld sprake kunnen zijn in de fase van schikkingsonderhandelingen, indien een zeker resultaat behaald is, maar mogelijk met verder onderhandelen een beter resultaat bereikt zou kunnen worden. Dan zou het voor Therium, DRRT en Rightshare gunstiger kunnen zijn een bepaald resultaat te accepteren (‘snel geld’) in plaats van kosten te moeten maken voor verdere onderhandelingen teneinde kans te maken op een beter resultaat. Daarom is het ook van essentieel belang dat de procesfinancier geen zeggenschap heeft over het al dan niet accepteren van een schikkingsvoorstel, in de woorden van de wetgever: dat de belangenorganisatie (in overleg met de achterban) – en niet de eventuele financier – bepaalt hoe met de collectieve vordering wordt omgegaan en uiteindelijk beslist of kan worden ingestemd met een schikking of dat eventueel hoger beroep wordt ingesteld tegen een afwijzende beslissing. Ook indien ervan wordt uitgegaan dat de te voeren processtrategie en de onderhandelingen over een schikking steeds in overleg met het bestuur van SILC geschieden – die uiteindelijk (samen met de raad van toezicht) daarover beslist en daarvoor verantwoordelijk is – acht het hof de feitelijke betrokkenheid van DRRT/Rightshare en SILC zodanig dat zij niet op de door de Claimcode voor een procesfinancier wenselijk geachte afstand staan van SILC. Gelet op hun feitelijke betrokkenheid bij het te gelde van maken van de claim en hun eigen financiële belang (de zogenoemde
return on investment) bij de uitkomst, concludeert het hof dat onvoldoende is gewaarborgd dat de belangen van de beleggers waarvoor SILC stelt op te komen in de te voeren processtrategie en de onderhandelingen over een schikking in voldoende mate geacht kunnen worden voorop te staan.
6.87
Ten overvloede voegt het hof hier nog het volgende aan toe. Voor de benadeelde beleggers ontbreekt een (voldoende) concrete voorziening/mogelijkheid om effectief tegenwicht te kunnen bieden tegen de invloed van de (eigen) belangen van DRRT, Rightshare (en Therium) op de besluitvorming binnen SILC. SILC stelt dat zij haar achterban desgewenst (digitaal) kan raadplegen en dat zij met Better Finance afspraken heeft gemaakt over een adviespanel waaraan belangrijke voorgenomen besluiten (zoals een schikking) kunnen worden voorgelegd. Een verplichting daartoe bestaat kennelijk niet omdat de door de beleggers aan DRRT en Rightshare verleende volmachten daarvoor reeds toereikend zijn. Hoewel de Claimcode ook niet (uitdrukkelijk) verlangt dat ‘de achterban’ wordt geraadpleegd over een te treffen schikking, kan indien daarin wel is voorzien, dit worden meegenomen bij de beoordeling of aan het waarborgvereiste wordt voldaan. SILC kan zich in dit geval niet beroepen op het bestaan van een inspraakregeling met een (aanvullend/compenserend) ‘waarborgend effect’.
6.88
Uit het voorgaande volgt reeds dat niet kan worden aangenomen dat de zeggenschap over de rechtsvordering in voldoende mate bij SILC (en haar achterban) ligt. De mate waarin SILC afhankelijk is van DRRT en Rightshare is zodanig dat SILC feitelijk als een vehikel valt te beschouwen van DRRT en Rightshare. Dat gevoegd bij de mogelijkheid van Therium, DRRT en Rightshare om de besluitvorming over de rechtsvordering wezenlijk te beïnvloeden, maakt dat sprake is van ‘
entrepreneurial lawyering’ wat de wetgever juist niet mogelijk heeft willen maken (zie 6.54).
6.89
De hiervoor niet geoorloofd geachte contractuele en financiële verwevenheid tussen SILC en DRRT/Rightshare leent zich ook niet (meer) voor herstel. Dit zou immers een ingrijpende herziening van de rechtsverhouding tussen SILC en DRRT/Rightshare vergen en, naar het zich laat aanzien, ook een herziening van de afspraken met Therium.
Conclusie ontvankelijkheid SILC
6.9
Uit het voorgaande volgt dat SILC niet aan het waarborgvereiste heeft voldaan. Het hof zal daarom, net als de rechtbank, SILC niet-ontvankelijk verklaren in haar vorderingen tegen de leden van de Raad van Bestuur en EYA. Daarmee komt het hof niet toe aan de vraag of wordt voldaan aan de overige in artikel 3:305a BW gestelde vereisten voor ontvankelijkheid, waaronder gelijksoortigheid, representativiteit en het overlegvereiste. Gelet op deze uitkomst is terugwijzing naar de rechtbank Den Haag voor verdere behandeling van de zaak ook niet aan de orde. Hetzelfde geldt voor het verzoek van Airbus c.s. om tussentijds cassatieberoep toe te staan.

7.Conclusie en proceskosten

7.1
De conclusie is dat het principaal hoger beroep van SILC en het (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep van de leden van de Raad van Bestuur en EYA niet slagen. Daarom zal het hof het vonnis bekrachtigen. Het hof zal SILC als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het principaal hoger beroep. De leden van de Raad van Bestuur en EYA worden veroordeeld in de kosten van het incidenteel hoger beroep.
7.2
Het hof begroot de proceskosten in het principaal hoger beroep aan de zijde van Airbus c.s. als volgt:
  • [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 3] , [geïntimeerde 4] , [geïntimeerde 5] , [geïntimeerde 6] en [geïntimeerde 7] : € 2.955,- , waarvan € 349,- aan griffierecht, € 2.428,- aan salaris voor de advocaat (2 punten × tarief II) en € 178,- aan nakosten (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing);
  • Airbus, [geïntimeerde 9] en [geïntimeerde 8] : € 3.404,-, waarvan € 798,- aan griffierecht, € 2.428,- aan salaris voor de advocaat (2 punten × tarief II) en € 178,- aan nakosten (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing);
  • [geïntimeerde 10] : € 2.955,-, waarvan € 349,- aan griffierecht, € 2.428,- aan salaris voor de advocaat (2 punten × tarief II) en € 178,- aan nakosten (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing);
  • [geïntimeerde 11] : € 2.949,- , waarvan € 343,- aan griffierecht, € 2.428,- aan salaris voor de advocaat (2 punten × tarief II) en € 178,- aan nakosten (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing);
  • EYA: € 3.389,-, waarvan € 783,- aan griffierecht, € 2.428,- aan salaris voor de advocaat (2 punten × tarief II) en € 178,- aan nakosten (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing).
Het hof begroot de proceskosten in principaal hoger beroep aan de zijde van AIRS op nihil.
Het hof begroot de proceskosten in het incidenteel hoger beroep aan de zijde van SILC op:
salaris advocaat € 910,50 (1,5 punten × de helft van tarief II)
nakosten € 178,-(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 1.088,50
Het hof zal de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals vermeld in de beslissing
.

8.Beslissing

Het hof:
in principaal en incidenteel hoger beroep
- bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Den Haag van 20 september 2023 voor zover gewezen tussen SILC en Airbus c.s.;

in principaal hoger beroep

  • verklaart SILC niet-ontvankelijk in haar hoger beroep voor zover dit zich richt tegen AIRS (en/of tegen het tussen AIRS en Airbus gewezen vonnis);
  • veroordeelt SILC in de kosten van het principaal hoger beroep ten aanzien van AIRS begroot op nihil;
  • veroordeelt SILC in de kosten van het principaal hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 3] , [geïntimeerde 4] , [geïntimeerde 5] , [geïntimeerde 6] , [geïntimeerde 7] , Airbus, [geïntimeerde 8] , [geïntimeerde 9] , [geïntimeerde 10] , [geïntimeerde 11] en EYA begroot als volgt:
  • [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 3] , [geïntimeerde 4] , [geïntimeerde 5] , [geïntimeerde 6] en [geïntimeerde 7] : € 2.955,- , waarvan € 349,- aan griffierecht, € 2.428,- aan salaris voor de advocaat (2 punten × tarief II) en € 178,- aan nakosten (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing);
  • Airbus, [geïntimeerde 9] en [geïntimeerde 8] : € 3.404,- vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als SILC deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald;
  • [geïntimeerde 10] : € 2.955,- vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als SILC deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald;
  • [geïntimeerde 11] : € 2.949,- vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als SILC deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald;
  • EYA: € 3.389,- vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als SILC deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald;
  • bepaalt dat als SILC niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, SILC de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 92,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als SILC deze niet binnen veertien dagen na betekening hebben betaald;

in incidenteel hoger beroep

  • veroordeelt [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 3] , [geïntimeerde 4] , [geïntimeerde 5] , [geïntimeerde 6] , [geïntimeerde 7] , [geïntimeerde 8] , [geïntimeerde 11] en EYA in de kosten van het incidenteel hoger beroep, aan de zijde van SILC begroot op € 1.088,50 vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 3] , [geïntimeerde 4] , [geïntimeerde 5] , [geïntimeerde 6] , [geïntimeerde 7] , [geïntimeerde 8] , [geïntimeerde 11] en EYA deze niet binnen veertien dagen na heden hebben betaald;
  • bepaalt dat als [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 3] , [geïntimeerde 4] , [geïntimeerde 5] , [geïntimeerde 6] , [geïntimeerde 7] , [geïntimeerde 8] , [geïntimeerde 11] en EYA niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak hebben voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 3] , [geïntimeerde 4] , [geïntimeerde 5] , [geïntimeerde 6] , [geïntimeerde 7] , [geïntimeerde 8] , [geïntimeerde 11] en EYA de kosten van die betekening moeten betalen, plus extra nakosten van € 92,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 3] , [geïntimeerde 4] , [geïntimeerde 5] , [geïntimeerde 6] , [geïntimeerde 7] , [geïntimeerde 8] , [geïntimeerde 11] en EYA deze niet binnen veertien dagen na betekening hebben betaald.

in principaal en incidenteel hoger beroep

  • verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;
  • wijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mr. I. Brand, mr. J.M. van der Klooster en mr. A.J.P. Schild en in het openbaar uitgesproken op 23 december 2025 in aanwezigheid van de griffier.

Voetnoten

1.SILC heeft in haar inleidende dagvaarding definities opgenomen van door haar gebruikte begrippen
2.SILC duidt als Relevante Periode aan de periode van het gestelde Informatieverzuim van Airbus vanaf 1 februari 2014 tot en met 16 maart 2020 (zie vonnis, rov. 5.51). In de inleidende dagvaarding noemt SILC ook 31 december 2020 als einddatum van de Relevante Periode.
3.Verordening (EU) Nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012
4.Zie onder meer HvJ EU 16 juni 2016, ECLI:EU:C:2016:449 (Universal Music), punt 44-45.
5.HvJ EG 5 oktober 1999, ECLI:EU:C:1999:483 (Leathertex/Bodetex).
6.HvJ EG 11 oktober 2007, ECLI:EU:C:2007:595 (Freeport), punt 47; HvJ EU 1 december 2011,
7.Vgl. artikel 5:25a, artikel 5:25c en artikel 5:25d Wft.
8.HvJ EG 27 september 1988, 189/87, ECLI:EU:C:1988:459 (Kalfelis/Schröder).
9.HvJ EG 30 november 1976, 21/76, ECLI:EU:C:1976:166 (Kalimijnen).
10.HvJ EU 18 juli 2013, C-147/12, ECLI:EU:C:2013:490 (Öfab-Koot).
11.HR 23 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:443, rov. 4.1.3.
12.HR 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3516 en HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7828.
13.Kamerstukken II 2018/19, 34 608, nr. 13.
14.Kamerstukken II, 2017-2018, 34 608, NvW, nr. 7, vanaf p. 3.
15.HR 11 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:347, rov. 3.1.4.
16.Zie ook ECLI:NL:GHAMS:2024:1651, rov. 4.6-4.75.
17.Kamerstukken II, 2011-2012, 33 126, nr. 3, vanaf p. 4.
18.Kamerstukken II, 2016-2017, 34 608, nr. 3, vanaf p. 6.
19.Kamerstukken II, 2016-2017, 34 608, nr. 3, vanaf p. 6.
20.Kamerstukken II 2017-2017, 34 608, nr. 10.
21.Kamerstukken II 2012-2013, 33 126, nr. 7., p. 8.
22.Zie randnrs. 61 en 62 van de akte uitlaten producties van Airbus, [geïntimeerde 8] en [geïntimeerde 9] van 26 april 2023.
23.Zie voetnoot 22.
24.Zie Jim van Mourik & Eddy Bauw, De Claimcode van 2011 tot 2019, p. 33.