Stichting Music#Metoo (SMMT) verzocht de rechtbank om een voorlopig getuigenverhoor te gelasten om bewijs te verzamelen voor een voorgenomen procedure tegen Warner Music Benelux wegens vermeend onrechtmatig handelen. De rechtbank wees het verzoek toe, maar het gerechtshof vernietigde deze beschikking en wees het verzoek alsnog af. Het hof oordeelde dat SMMT onvoldoende belang had bij het verzoek omdat zij niet voldeed aan de vereisten van artikel 3:305a BW voor het instellen van een collectieve actie, waaronder het ontbreken van feitelijke activiteiten, onvoldoende inzicht in een achterban en onvoldoende waarborging van de belangen van de betrokken personen.
SMMT stelde in cassatie onder meer dat het hof ten onrechte het gewijzigde artikel 3:305a BW toepaste op een verzoek dat was ingediend vóór de wetswijziging. De Hoge Raad bevestigde echter dat het overgangsrecht van toepassing was en dat het hof terecht de ontvankelijkheid van het verzoek had getoetst aan de huidige wettelijke eisen. De Hoge Raad oordeelde dat het hof geen onjuiste rechtsopvatting had gegeven en verwierp het cassatieberoep.
De Hoge Raad veroordeelde SMMT tevens in de kosten van het cassatiegeding. Hiermee is het verzoek tot voorlopig getuigenverhoor definitief afgewezen vanwege het ontbreken van voldoende belang en het niet voldoen aan de vereisten voor collectieve acties.