ECLI:NL:GHDHA:2025:2805

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
23 december 2025
Publicatiedatum
7 januari 2026
Zaaknummer
22-003300-22
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak van de verdachte in hoger beroep wegens onvoldoende bewijs van bestuurderschap bij verkeersongeval

In deze zaak heeft het Gerechtshof Den Haag op 23 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Rotterdam. De verdachte was in eerste aanleg veroordeeld voor het veroorzaken van een verkeersongeval onder invloed van alcohol, waarbij een slachtoffer ernstig letsel opliep. Het hof sprak de verdachte vrij van de beschuldiging dat hij de bestuurder was tijdens het ongeval, omdat er onvoldoende bewijs was om deze stelling te onderbouwen. Wel werd de verdachte veroordeeld voor het weigeren van medewerking aan een bloedonderzoek, wat in strijd was met de Wegenverkeerswet. Het hof paste een strafvermindering toe vanwege een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek, waarbij een digitale kopie van de smartphone van de verdachte was gemaakt zonder de vereiste toestemming. De verdachte werd uiteindelijk veroordeeld tot een geldboete van €750,00 en een voorwaardelijke straf van vijftien dagen hechtenis, met inachtneming van de overschrijding van de redelijke termijn in de procedure.

Uitspraak

Rolnummer: 22-003300-22
Parketnummer: 10-171228-21
Datum uitspraak: 23 december 2025
TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 18 november 2022 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972,
brp-adres: [woonadres] , [woonplaats] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast is de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen ontzegd voor de tijd van vier jaren. Ter zake van het onder 4 tenlastegelegde is aan de verdachte in eerste aanleg geen straf of maatregel opgelegd.
Namens de verdachte is op 21 november 2022 tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tevens zijn namens de verdachte ex artikel 411a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) verschillende onderzoekswensen ingediend. Deze onderzoekswensen zijn op de regiezitting bij het hof van 14 augustus 2023 besproken, waarna het hof de advocaat-generaal en het NFI opdrachten heeft gegeven tot het doen van nader onderzoek en de zaak is verwezen naar de raadsheer-commissaris.
Op 15 oktober 2025 heeft vervolgens de inhoudelijke behandeling van de zaak van de verdachte plaatsgevonden. Op 30 oktober 2025 heeft het hof het onderzoek gesloten, waarna op 13 november 2025 het onderzoek bij tussenarrest is heropend en geschorst. Het onderzoek ter terechtzitting is vervolgens op 9 december 2025 hervat en gesloten.
Omvang van het hoger beroep
In het bestreden vonnis is feit 4 gekwalificeerd als ‘overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994’. Dit feit is strafbaar gesteld in artikel 177, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW1994) en is, ingevolge artikel 178, tweede lid, WVW1994, een overtreding. Ter zake van dit feit is aan de verdachte in het vonnis geen straf of maatregel opgelegd, zulks met toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. Op grond van het bepaalde in artikel 404, tweede lid, aanhef en onder a, Sv staat daartegen geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte derhalve niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep voor zover dat is gericht tegen de beslissing met betrekking tot het onder 4 tenlastegelegde.
Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - tenlastegelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 6 september 2020 te Rotterdam als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bestelauto), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door met dat motorrijtuig door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam en/of met aanmerkelijke verwaarlozing van de te dezen geboden zorgvuldigheid te rijden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de [straat 1] , welk genoemd rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,
-in een bocht naar rechts niet het verloop van de voor hem bestemde rijstrook heeft gevolgd en/of
-een doorgetrokken streep heeft overschreden en/of
-op de rijstrook bestemd voor het hem tegemoet komende verkeer is gekomen, althans niet voldoende rechts heeft gehouden en/of
-(vervolgens) in botsing of aanrijding is gekomen met een hem tegemoet komende personenauto, bestuurd door [slachtoffer] ,
waardoor die [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel (te weten een bloeding tussen de schedel en de hersenen en meerdere ribbreuken) of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;
zulks terwijl hij, verdachte, dat motorrijtuig heeft bestuurd onder invloed van alcoholische drank;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 6 september 2020 te Rotterdam als bestuurder van een motorrijtuig (bestelauto), daarmee rijdende op de voor het openbaar verkeer opoenstaande weg, de [straat 1] , zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
welk gedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,
-in een bocht naar rechts niet het verloop van de voor hem bestemde rijstrook heeft gevolgd en/of
-een doorgetrokken streep heeft overschreden en/of
-op de rijstrook bestemd voor het hem tegemoetkomende verkeer is gekomen,
althans niet voldoende rechts heeft gehouden en/of
-(vervolgens) in botsing of aanrijding is gekomen met een hem tegemoetkomende personenauto, bestuurd door [slachtoffer] ;
2.
hij op of omstreeks 6 september 2020 te Capelle aan den IJssel, in elk geval in Nederland, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een motorrijtuig (bestelauto) te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994, geen gevolg heeft gegeven aan een aan hem gegeven bevel van een hulpofficier van justitie of van een daartoe bij regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie aangewezen ambtenaar van politie, zich aan een bloedonderzoek te onderwerpen en/of geen medewerking daaraan heeft verleend;
3.
hij op of omstreeks 6 september 2020 te Rotterdam, als bestuurder van een motorrijtuig (bestelauto) dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn adem bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 790 microgram, in elk geval hoger dan 88 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn, terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en verdachte dit motorrijtuig heeft bestuurd zonder dat aan hem een rijbewijs was afgegeven;
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het onder 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en dat de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen wordt ontzegd voor een periode van vier jaren.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie
Namens de verdachte is bepleit dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van de verdachte, nu volgens de verdediging geen sprake is van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
Daartoe heeft de raadsman aangevoerd, kort samengevat, dat het Openbaar Ministerie geen inzicht heeft verschaft (a) hoeveel kopieën van de smartphone van de cliënt zijn gemaakt, wat er met die kopieën is gebeurd en of die kopieën nog steeds ter beschikking staan van de opsporingsdiensten dan wel (b) dat, wanneer en door wie de kopieën vernietigd zijn. Dit terwijl volgens de raadsman onder meer het verschoningsrecht in het geding is, waardoor het van cruciaal belang is om antwoord te krijgen op voornoemde vragen. De raadsman verwijst in dit verband naar een beschikking van de Hoge Raad van 18 maart 2025 (ECLI:NL:HR:2025:403). Volgens de raadsman is hij hierdoor belemmerd in het voeren van een verweer gestoeld op artikel 359a Sv en is ook het beginsel van
equality of armsgeschonden, waardoor de procedure als geheel niet meer eerlijk te noemen is.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot verwerping van het verweer en heeft aangevoerd, kort gezegd, dat geen sprake is van schending van het bepaalde in artikel 6 EVRM.
Het hof is van oordeel dat onvoldoende is onderbouwd en ook overigens niet is gebleken dat de raadsman is belemmerd in het voeren van een verweer gestoeld op artikel 359a Sv, dat ziet op de gevolgen die kunnen worden verbonden aan een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek. Het hof betrekt daarbij dat de raadsman een dergelijk verweer heeft gevoerd, dat hierna aan de orde zal komen. Het door de raadsman genoemde niet verschaffen van inzicht door het Openbaar Ministerie ten aanzien van de door de verdediging genoemde onderwerpen – wat daar ook van zij – vormde daarvoor geen belemmering.
Evenmin is naar het oordeel van het hof voldoende onderbouwd of gebleken dat het beginsel van
equality of armsis geschonden.
Tot slot is onvoldoende onderbouwd of gebleken dat een zodanige ernstige inbreuk op het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak is gemaakt, dat geen sprake kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM (Vergelijk: HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889).
De overwegingen van de Hoge Raad in de door de raadsman genoemde beschikking van 18 maart 2025 (ECLI:NL:HR:2025:403), waarin niet aan de orde was de vraag of sprake was van een eerlijk proces, leiden niet tot een ander oordeel.
Alles overziend is het hof van oordeel dat sprake is van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM en dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging van de verdachte.
Het verweer wordt verworpen.
Vrijspraak feiten 1 en 3
Uit de inhoud van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep maakt het hof het volgende op.
Vaststaande feiten en omstandigheden
Op 6 september 2020 omstreeks 19.48 uur heeft er op de [straat 1] te Rotterdam een verkeersongeval plaatsgevonden, waarbij een personenauto en een bestelbus betrokken waren. Vast is komen te staan dat het ongeval heeft plaatsgevonden doordat – kort gezegd – de bestelbus in een bocht naar rechts rechtdoor is gereden en op de rijbaan voor het tegemoetkomend verkeer terecht is gekomen. Daar botste de bestelbus frontaal tegen de hem tegemoetkomende personenauto. In de bestelbus zaten ten tijde van het ongeval de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ). In de personenauto zat [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer). Het slachtoffer heeft bij het ongeval zwaar lichamelijk letsel opgelopen, bestaande uit meerdere ribfracturen en een bloeding tussen de schedel en de hersenen.
Na het ongeval is bij de verdachte bij een ademanalyse een ademalcoholgehalte van 790 μg/l vastgesteld. De verdachte heeft geweigerd mee te werken aan een bevolen bloedonderzoek. Uit onderzoek van het bloed van [medeverdachte] bleek een bloedalcoholgehalte van 1,36 promille. Daarnaast bevond zich THC in het bloed van [medeverdachte] (1,6 μg/l). De verdachte en [medeverdachte] hebben van meet af aan beiden ontkend dat zij de bestuurder van de bestelbus waren. Het hof ziet zich in deze zaak dan ook voor de vraag gesteld of kan worden vastgesteld dat de verdachte bestuurder was van de bestelbus ten tijde van het ongeval.
Het hof overweegt hierover als volgt.
Camerabeelden
Op camerabeelden afkomstig van het bedrijf [bedrijf 1] is, voor zover hier van belang, te zien dat de verdachte en [medeverdachte] omstreeks 19.35 uur naar de op de [straat 2] geparkeerde bestelbus lopen. [medeverdachte] stapt in aan de bestuurderszijde van de bestelbus en de verdachte stapt in aan de passagierszijde. De bestelbus verlaat vervolgens de parkeerpositie en rijdt over de [straat 2] richting de [straat 1] . Op de hoek van de [straat 2] met de [straat 1] staat de bestelbus vervolgens enkele minuten stil. Daarna rijdt de bestelbus enkele meters verder en stopt nogmaals, ditmaal op de [straat 1] . Ook hier staat de bus enkele minuten stil. Op deze camerabeelden is van zeer grote afstand te zien dat omstreeks 19.43 uur twee personen in tegenovergestelde richting achter de bestelbus langs lopen. Deze personen zijn echter onvoldoende duidelijk in beeld om daarop een betrouwbare herkenning te baseren.
Naar het oordeel van het hof is op grond van deze beelden niet zonder meer vast te stellen dat deze personen de verdachte en [medeverdachte] betreffen, noch dat deze personen in of uit (meer in het bijzonder: uit en weer in) de bestelbus zijn gestapt. De camerabeelden afkomstig van [bedrijf 2] , waarop de bestelbus vanuit een andere hoek is te zien, geven hierover evenmin uitsluitsel. Het hof volgt de advocaat-generaal dan ook niet in zijn standpunt dat uit de beelden kan worden afgeleid dat er een bestuurderswissel heeft plaatsgevonden.
Getuigenverklaringen
Het procesdossier bevat verder meerdere getuigenverklaringen. Deze getuigen verklaren over de personen die zij direct na het ongeval in of bij de bestelbus hebben gezien.
Vier van deze getuigen, te weten [getuige 1] , [getuige 2] , [getuige 3] en [getuige 4] , verklaren onafhankelijk van elkaar dat zij een lange/grote witte man met een kaal hoofd aan de bestuurderszijde van de bestelbus hebben zien uitstappen. Deze verklaringen sluiten aan bij de verklaringen van drie andere getuigen, te weten [getuige 5] , [getuige 6] en [getuige 7] , die verklaren dat zij een man met dezelfde uiterlijke kenmerken vlak na het ongeluk achter de bestelbus langs hebben zien lopen, komende uit de richting van de bestuurderszijde van de bus.
Uit het dossier volgt dat de hiervoor gegeven beschrijving van de uiterlijke kenmerken past bij medeverdachte [medeverdachte] en niet bij de verdachte.
Verder hebben de getuigen [getuige 8] , [getuige 9] en [getuige 10] verklaard dat zij een getint persoon met lang zwart haar op de bijrijdersstoel in de bestelbus hebben zien zitten.
Uit het dossier volgt dat deze beschrijving van uiterlijke kenmerken past bij de verdachte en niet bij de medeverdachte [medeverdachte] .
Er zijn geen getuigen geweest die hebben verklaard dat zij een persoon gelijkend op de verdachte aan de bestuurderszijde hebben zien zitten, hebben zien uitstappen of vanaf die kant hebben zien weglopen.
Wel zijn er getuigen, te weten [getuige 11] en [getuige 12] , die, kort gezegd, hebben verklaard dat zij een kale man aan de bijrijderszijde van de bestelbus hebben zien uitstappen. Het hof ziet echter geen aanleiding om aan hun verklaringen meer gewicht te hechten dan aan de voormelde getuigenverklaringen van [getuige 1] , [getuige 2] , [getuige 3] en [getuige 4] , dat de kale man aan de bestuurderszijde is uitgestapt.
In dit verband merkt het hof op dat door de politie in het verhoor van de verdachte van 28 december 2020 in de vraagstelling de suggestie is gewekt dat de verdachte en [medeverdachte] gedwongen zijn geweest om de bestelbus beiden via de deur aan de bijrijderszijde te verlaten, omdat de brandweer de bestuurdersdeur na het ongeluk met veel moeite zou hebben geopend (politiedossier, p. 113). Waar deze suggestie op is gebaseerd is echter onduidelijk gebleven. Zij vindt geen steun in het dossier. Er zijn geen bevindingen van de brandweer of uit technisch onderzoek voorhanden die dit ondersteunen, terwijl daarentegen vijf getuigen, te weten [getuige 3] , [getuige 8] , [getuige 9] , [getuige 10] en [getuige 4] , hebben verklaard dat zij vlak na het ongeval de deur aan de bestuurderszijde van de bus hebben zien openstaan. Het hof ziet daarom geen aanleiding van dit door de politie gesuggereerde scenario uit te gaan. Dat dit gesuggereerde scenario via het FIT-gesprek zijn weg heeft gevonden naar het hierna te noemen NFI-rapport op activiteitniveau, waarin de suggestie is opgenomen onder de aannamen, maakt het voorgaande niet anders.
Concluderend overweegt het hof dat op basis van de getuigenverklaringen niet kan worden vastgesteld dat de verdachte ten tijde van het ongeval de bestuurder is geweest van de bestelbus en dat de getuigenverklaringen eerder aanwijzingen opleveren voor het tegendeel.
Letsel van de verdachten
Bij de verdachte is na het ongeval letsel aangetroffen, te weten een geelachtige plek aan de linkerzijde van zijn lichaam, ter hoogte van de heup.
Bij de medeverdachte [medeverdachte] is na het ongeval een blauwe plek aan de rechterzijde van de buik geconstateerd. De ambulancemedewerker die [medeverdachte] vlak na het ongeval heeft vervoerd, heeft ter plaatse tegen de politie verklaard op basis van de klachten van [medeverdachte] bijna zeker te weten dat hij de bestuurder is geweest van de bestelbus.
Anders dan de rechtbank ziet het hof in het bij de verdachten aangetroffen letsel en hetgeen daarover is gerelateerd geen steun voor het scenario dat de verdachte ten tijde van het ongeval de bus heeft bestuurd, doch veeleer aanwijzingen voor het tegendeel.
DNA-onderzoek
Teneinde nadere informatie te verschaffen voor de beantwoording van de vraag wie ten tijde van het ongeval de bestuurder van de bestelbus is geweest, is onderzoek verricht door het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI). Het NFI heeft DNA-onderzoek verricht aan de airbags (bestuurderszijde en bijrijderszijde) van de bestelbus. Vervolgens heeft in hoger beroep aanvullend DNA-onderzoek aan de airbags plaatsgevonden en is aan de hand van verschillende hypothesen op activiteitniveau gekeken naar de mate van waarschijnlijkheid dat bepaalde DNA-resultaten verkregen zouden zijn als de verdachte de bestuurder van de bus was geweest en [medeverdachte] de bijrijder, dan wel wanneer dit andersom het geval was geweest. De schaal die het NFI bij dergelijk onderzoek hanteert loopt van ‘ongeveer even waarschijnlijk’ (ordegrootte bewijskracht 1-2), via ‘iets waarschijnlijker’, ‘waarschijnlijker’, ‘veel waarschijnlijker’, ‘zeer veel waarschijnlijker’ tot ‘extreem veel waarschijnlijker’ (ordegrootte bewijskracht > 1.000.000). Het NFI concludeert dat, afhankelijk van de vraag of al dan niet wordt aangenomen dat de bestuurder contact heeft gemaakt met de airbag van de bijrijder bij het uitstappen, de resultaten van dit DNA-onderzoek ‘iets waarschijnlijker’ (ordegrootte bewijskracht 2-10) respectievelijk ‘waarschijnlijker’ (ordegrootte bewijskracht 10-100) zouden zijn wanneer de verdachte de bestuurder van de bestelbus was geweest en [medeverdachte] op de bijrijdersstoel zat, dan andersom.
Voor een goed begrip merkt het hof op dat in dit onderzoek op activiteitniveau de voornoemde getuigenverklaringen en de bevindingen met betrekking tot het letsel bij de verdachten buiten beschouwing zijn gelaten en voorts, dat enkel DNA-sporen zijn afgenomen van de airbags en niet van andere relevante onderdelen van de bestelbus, zoals het stuur.
Het hof is van oordeel dat gelet op de relatief geringe bewijskracht van de bevindingen van het NFI-onderzoek op activiteitniveau, daaraan geen doorslaggevende waarde kan worden gehecht.
Conclusie
Alles overwegende concludeert het hof dat onvoldoende bewijs voorhanden is dat de verdachte ten tijde van het ongeval de bestuurder van de bestelbus is geweest. Dit brengt het hof tot het oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen is hetgeen aan de verdachte onder 1 primair en subsidiair en onder 3 is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
2.
hij op
of omstreeks6 september 2020 te Capelle aan den IJssel,
in elk geval in Nederland,als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een motorrijtuig (bestelauto) te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994, geen gevolg heeft gegeven aan een aan hem gegeven bevel van een hulpofficier van justitie
of van een daartoe bij regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie aangewezen ambtenaar van politie, zich aan een bloedonderzoek te onderwerpen en
/ofgeen medewerking daaraan heeft verleend;
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, Sv wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Nadere bewijsoverweging
Het hof stelt voorop dat een bevel als bedoeld in artikel 163, vijfde lid, WVW1994 gegeven kan worden aan de bestuurder van een motorrijtuig, indien de verdenking bestaat dat de bestuurder heeft gehandeld in strijd met artikel 8 WVW1994. Onder bestuurder in de zin van dit artikel valt ook degene die ervan wordt verdacht als bestuurder van een motorrijtuig te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 WVW1994. [1] Het hoeft dus niet vast te staan dat de degene wie is bevolen zich aan een bloedonderzoek te onderwerpen ook daadwerkelijk een voertuig heeft bestuurd. Voldoende is dat uit de bewijsmiddelen kan volgen dat tegen hem het redelijk vermoeden was gerezen een voertuig te hebben bestuurd.
Op grond van de wettige bewijsmiddelen stelt het hof vast dat het voor de verbalisanten ter plaatse niet onmiddellijk duidelijk was wie de bestuurder van de bestelbus was. De verdachte en [medeverdachte] zijn immers beiden buiten de bestelbus aangetroffen en ontkenden beiden de bus te hebben bestuurd. Om die reden is zowel de verdachte als [medeverdachte] op dat moment als verdachte aangemerkt. Gelet op het ongeval dat had plaatsgevonden en doordat beide verdachten in de politiesystemen stonden geregistreerd als harddrugsgebruikers, bestond ten aanzien van hen beiden ook het gerechtvaardigd vermoeden dat zij onder invloed van drugs verkeerden.
Op grond van het hiervoor overwogene stelt het hof vast dat, hoewel thans niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte de bestuurder van de bus was, er ten tijde van het bevel tot medewerking aan het bloedonderzoek wel sprake was van een redelijk vermoeden dat hij de bestelbus had bestuurd terwijl hij onder invloed van drugs was. Derhalve was er voldoende aanleiding hem aan een bloedonderzoek te onderwerpen en was de verdachte gehouden daaraan mee te werken.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

overtreding van artikel 163, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft – nadat de verdenking was ontstaan dat hij als bestuurder van een bestelbus onder invloed van drugs verkeerde - geweigerd medewerking te verlenen aan een bloedonderzoek. Door medewerking te weigeren heeft de verdachte verhinderd dat objectief kon worden vastgesteld of, en zo ja, in welke mate, sprake was geweest van drugsgebruik en in welke mate hij (eventueel) de verkeersveiligheid in gevaar had gebracht.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 30 september 2025, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit.
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf acht geslagen op de oriëntatiepunten die zijn opgesteld door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). In geval van een weigering van een bloedonderzoek gaat dit oriëntatiepunt uit van een geldboete van € 1.000,00, gecombineerd met een onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van negen maanden. Gelet op het feit dat in het onderhavige geval niet is bewezen dat de verdachte feitelijk bestuurder van de bestelbus is geweest, neemt het hof uitsluitend de genoemde geldboete tot uitgangspunt.
Verweer strekkende tot strafvermindering ex art. 359a Sv
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging zich – overeenkomstig ter terechtzitting overlegde pleitnotities – op het standpunt gesteld dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv, hetgeen volgens de verdediging zou moeten leiden tot strafvermindering.
Hiertoe is – samengevat – het volgende aangevoerd.
Door de politie is tijdens het opsporingsonderzoek een volledige digitale kopie, oftewel een
image, gemaakt van de smartphone van de verdachte. Dit is gebeurd zonder de daartoe benodigde toestemming van de verdachte of de rechter-commissaris. Er zijn vervolgens meerdere kopieën van gemaakt, één daarvan is op twee gegevensdragers verstrekt aan de verdediging. Er is door het Openbaar Ministerie geen verantwoording afgelegd over de vraag of de
imagevernietigd is, wie er toegang toe hadden of hebben en of die
imagemet andere overheidsdiensten is gedeeld of gedeeld kon worden. Op de smartphone stonden naast veel foto’s en filmpjes van de kinderen van de verdachte ook screenshots van medische afspraken/medische informatie en screenshots van e-mails tussen de verdachte en zijn familierechtadvocaat. Hierdoor is het recht op geheimhouding van informatie uit de relatie advocaat-cliënt en arts-cliënt geschonden en is sprake van een zeer ingrijpende inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte. Het hof dient daar als consequentie een zeer forse strafvermindering aan te verbinden, aldus de verdediging.
De advocaat-generaal heeft erkend dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim doordat zonder de daarvoor benodigde toestemming van de verdachte of de rechter-commissaris een volledige kopie van de smartphone van de verdachte is gemaakt, maar heeft aangevoerd dat gelet op de ernst van het verzuim en het nadeel voor de verdachte, kan worden volstaan met de enkele constatering daarvan.
Het hof is met de verdediging en de advocaat-generaal van oordeel dat nu een volledige digitale kopie van de smartphone van de verdachte is gemaakt zonder de daarvoor vereiste toestemming van de verdachte of de rechter-commissaris, sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek, als bedoeld in artikel 359a Sv. Uitgaande van hetgeen de verdediging onweersproken heeft aangevoerd over de inhoud van de smartphone van de verdachte, over het feit dat er meerdere digitale kopieën zijn vervaardigd en over het uitblijven van verantwoording daarover van de zijde van het Openbaar Ministerie, en in aanmerking nemende dat het Openbaar Ministerie in de fase van hoger beroep onverplicht nog twee gegevensdragers met een kopie van de
imageaan het hof heeft verstrekt (welke gegevensdragers en de daarop staande gegevens geen deel uitmaakten van het strafdossier, door het hof niet aan het strafdossier zijn toegevoegd en het hof deze na ontdekking heeft laten vernietigen) is het hof van oordeel dat de verdachte door dit vormverzuim nadeel heeft ondervonden, aangezien hiermee inbreuk is gemaakt op zijn persoonlijke levenssfeer.
Het hof is van oordeel dat dit nadeel geschikt is voor compensatie door middel van strafvermindering en dat strafvermindering in dit geval, gezien de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, ook in het licht van het belang van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim gerechtvaardigd is.
Op grond van het voorgaande en tevens uitgaande van een redelijke verhouding ten opzichte van de oorspronkelijk passend geachte straf, zal het hof aan de verdachte in plaats van een geldboete van € 1.000,00 een geldboete van € 750,00 opleggen.
Redelijke termijn
Het hof heeft geconstateerd dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM in hoger beroep ten aanzien van de berechting in hoger beroep met ruim twaalf maanden is overschreden. Het hoger beroep is immers op 21 november 2022 ingesteld, terwijl het hof pas uitspraak doet op 23 december 2025.
Het hof is van oordeel dat de redelijke termijn in hoger beroep weliswaar is overschreden, maar nu aan de verdachte een geldboete zal worden opgelegd van € 750,00, volstaat het hof met de constatering van de overschrijding van de redelijke termijn.
Conclusie
Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke geldboete van € 750,00 een passende en geboden reactie vormt.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 23, 24 en 24c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 163 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 4 tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en subsidiair en 3 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
geldboetevan
€ 750,00 (duizend zevenhonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 15
(vijftien) dagen hechtenis.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde geldboete in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van € 50,00 per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Dit arrest is gewezen door mr. G.C. Haverkate, als voorzitter, en mr. M.A.J. van de Kar en mr. J.L.D. Timmermans, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 23 december 2025.
Mr. J.L.D. Timmermans is buiten staat dit arrest te ondertekenen.

Voetnoten

1.HR 3 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0732,