In deze zaak heeft het Gerechtshof Den Haag op 31 oktober 2025 een beslissing genomen op een geheimhoudingsverzoek van de Inspecteur van de Belastingdienst in verband met navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor de jaren 2009, 2010, 2012, 2015 tot en met 2017 en 2019. De belanghebbende, aangeduid als [X], had bezwaar gemaakt tegen de navorderingsaanslagen, de aanslag voor 2018, de boeten en de rentebeschikkingen. De Inspecteur handhaafde deze beslissingen, waarna de belanghebbende beroep instelde bij de Rechtbank Den Haag. De Rechtbank verklaarde de beroepen gegrond en vernietigde een aantal uitspraken op bezwaar, wat leidde tot hoger beroep bij het Gerechtshof.
De Inspecteur deed een verzoek om beperkte kennisneming van bepaalde stukken, waarbij hij zich beroept op gewichtige redenen voor geheimhouding, zoals de privacy van medewerkers van de Belastingdienst en strategische overwegingen met betrekking tot controles. Het Hof heeft de geheimhoudingskamer in deze zaak de bevoegdheid gegeven om het verzoek zonder zitting te behandelen. Het Hof oordeelde dat de belangen van de betrokken medewerkers zwaarder wegen dan het belang van de belanghebbende bij kennisneming van de stukken. Het Hof heeft het verzoek van de Inspecteur volledig toegewezen, waarbij het belang van de geheimhouding van de interne werkwijze en controlestrategieën van de Belastingdienst werd benadrukt.
De beslissing is openbaar uitgesproken en partijen zijn aangetekend op de hoogte gesteld. De belanghebbende is verzocht binnen twee weken te reageren op de mogelijkheid dat de zetel in de hoofdzaak uitspraak doet op basis van de geheimhoudingsbeslissing.