Bij vonnis van 25 november 2025 heeft de rechtbank Rotterdam appellant in staat van faillissement verklaard wegens het niet voldoen aan opeisbare vorderingen van geïntimeerde en andere schuldeisers. Appellant kwam hiertegen in hoger beroep en betwistte de opeisbaarheid van de vorderingen en de pluraliteit van schuldeisers.
Het hof heeft het hoger beroep inhoudelijk beoordeeld. Uit het verstekvonnis en de overgelegde stukken bleek summierlijk dat geïntimeerde een opeisbare vordering heeft van ruim € 48.000 en een terugbetalingsverplichting van ruim € 205.000 wegens ontbinding van een koopovereenkomst. Appellant stelde dat levering van onroerende zaken was afgesproken tegen finale kwijting en dat beslag van het Openbaar Ministerie levering belemmerde, maar deze stellingen werden onvoldoende onderbouwd en betwist door geïntimeerde en de curator.
Verder is gebleken dat meerdere andere schuldeisers vorderingen hebben ingediend voor een totaal van ruim € 4,2 miljoen, waarvan een deel op rechterlijke uitspraken berust. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat met alle schuldeisers regelingen zijn getroffen. De curator bevestigde dat geen zekerheid voor faillissementskosten is gesteld.
Het hof concludeert dat summierlijk is gebleken dat appellant verkeert in toestand van te hebben opgehouden te betalen en dat de opeisbare vorderingen van geïntimeerde en andere schuldeisers voldoende basis vormen voor het faillissementsverzoek. Het bestreden vonnis wordt dan ook bekrachtigd.