ECLI:NL:GHDHA:2025:2853

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
2 december 2025
Publicatiedatum
2 februari 2026
Zaaknummer
200.359.893/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake schuldsaneringsregeling en verplichtingen van de schuldenaar

In deze zaak gaat het om een hoger beroep van [appellante] tegen een vonnis van de rechtbank Rotterdam, waarin de schuldsaneringsregeling van [appellante] is verlengd met veertien maanden. De rechtbank heeft vastgesteld dat [appellante] niet aan haar verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling heeft voldaan, met name de sollicitatieverplichting en de afdrachtverplichting, wat heeft geleid tot een boedelachterstand van € 6.369,14. [appellante] heeft hoger beroep ingesteld omdat zij het niet eens is met de verlenging van de looptijd van de schuldsaneringsregeling met twee maanden en de daarbij behorende verplichtingen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [appellante] verklaard dat zij in staat is om de boedelachterstand in te lopen, maar zij betwist de toerekenbaarheid van haar tekortkomingen in de maanden augustus en september 2024, waarin zij door psychische klachten niet heeft gesolliciteerd. De bewindvoerder heeft echter gesteld dat [appellante] toerekenbaar tekortgeschoten is en dat de rechtbank terecht de verlenging en de voorwaarden heeft vastgesteld. Het hof heeft geoordeeld dat de rechtbank de verlenging van de schuldsaneringsregeling terecht heeft vastgesteld en dat de verplichtingen onverkort van toepassing blijven. Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht
Zaaknummer : 200.359.893/01
Insolventienummer rechtbank : C/10/24/29 R
arrest van 2 december 2025
inzake
[appellante],
wonende te [woonplaats],
appellante,
hierna te noemen: [appellante],
advocaat: mr. J.M. van der Linden te Leiden.

1.Het geding

1.1
Bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 8 maart 2024 is op [appellante] de schuldsaneringsregeling van toepassing verklaard. Bij vonnis van 24 september 2025 heeft de rechtbank de schuldsaneringsregeling verlengd met veertien maanden tot 8 november 2026 en de voorwaarden voor de resterende duur van die regeling bepaald.
1.2
[appellante] kan zich niet volledig vinden in dat vonnis en heeft daartegen hoger beroep ingesteld bij het op 2 oktober 2025 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift (met als productie 1 het bestreden vonnis). Bij V6-formulieren van 13 en 20 november 2025 heeft [appellante] producties 2 en 3 ingediend: het proces-verbaal van het verhoor van 19 december 2024 en een rapport medische belastbaarheidsonderzoek van [naam], verzekeringsarts bij Stichting SAP, van 20 februari 2025. Bij brief van 18 november 2025 heeft W.P. Groenendijk, de bewindvoerder, zijn reactie op het beroepschrift aan het hof toegezonden, met daarbij de openbare verslagen.
1.3
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 25 november 2025 waarbij [appellante] is verschenen, bijgestaan door haar advocaat. Verder is verschenen de bewindvoerder.

2.De beoordeling van het hoger beroep

2.1
In het bestreden vonnis heeft de rechtbank vastgesteld dat [appellante] niet alle verplichtingen van de schuldsaneringsregeling naar behoren is nagekomen. Het gaat daarbij kort gezegd om de sollicitatieverplichting en de afdrachtverplichting, waardoor een boedelachterstand van € 6.369,14 is ontstaan. Daarnaast is er een nieuwe schuld ontstaan. [appellante] heeft ter zitting in eerste aanleg verklaard dat zij in staat is om de boedelachterstand binnen een termijn van maximaal twaalf maanden in te lopen. De rechtbank heeft daarop de termijn van de schuldsaneringsregeling verlengd met veertien maanden en daarbij bepaald:
- dat gedurende de eerste twee maanden van de verlenging alle uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen onverkort van toepassing blijven (toevoeging hof: ter compensatie van de tekortkoming in de nakoming van de sollicitatieverplichting in de maanden augustus en september 2024), en
- dat gedurende de overige twaalf maanden van de verlenging:
 de inspanningsverplichting/sollicitatieverplichting niet van toepassing is;
 de afdrachtverplichting beperkt is tot betaling van het bewindvoerderssalaris en dat de afloscapaciteit voor het overige kan worden ingezet voor het aflossen van de boedelachterstand en de nieuwe schuld(en);
 de informatieverplichting beperkt is tot het informeren over vermogensbestanddelen en het inlossen van de boedelachterstand van de nieuwe schuld(en);
 de verplichting om geen nieuwe schulden te maken onverkort van toepassing blijft.
2.2
[appellante] kan zich vinden in de verlenging van twaalf maanden en de door de rechtbank bepaalde voorwaarden die daarvoor gelden. [appellante] kan zich echter niet vinden in de twee extra maanden verlenging en de verplichtingen die gedurende die maanden gelden. Daartegen richt zich haar grief. Zij verzoekt het hof de termijn van de verlenging te bepalen op twaalf maanden met de voorwaarden die de rechtbank voor die twaalf maanden heeft bepaald, teneinde haar in de gelegenheid te stellen de boedelachterstand en de nieuwe schuld(en) in te lossen.
2.3
[appellante] stelt zich kort gezegd op het standpunt dat het niet solliciteren in de maanden augustus en september 2024 niet bestempeld kan worden als een toerekenbare tekortkoming. [appellante] had te kampen met psychische klachten en was in deze periode nog herstellende van een burn-out. Daarnaast heeft de rechter-commissaris aan het niet solliciteren in augustus en september 2024 geen consequenties verbonden, zo blijkt uit het proces-verbaal van het verhoor dat is gehouden op 19 december 2024. Ook de bewindvoerder heeft in het verslag van 8 april 2025 met geen woord over een tekortkoming in de sollicitatieverplichting gerept. [appellante] hoefde er daarom geen rekening mee te houden dat het niet solliciteren in augustus en september 2024 consequenties zou hebben. Subsidiair verzoekt [appellante] met een beroep op art. 354 lid 2 Fw de tekortkoming buiten beschouwing te laten. De tekortkoming is namelijk van een te geringe betekenis. Daarbij betrekt [appellante] dat zij vanaf december 2024 32 uur per week werkt en dat, volgens de verzekeringsarts in zijn rapport van 20 februari 2025, het maximaal haalbare voor [appellante] is.
2.4
Volgens de bewindvoerder is [appellante] toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de sollicitatieverplichting en heeft de rechtbank daar terecht de consequentie aan verbonden dat gedurende de eerste twee maanden van de verlenging alle verplichtingen van de schuldsaneringsregeling onverkort van kracht blijven. Volgens de bewindvoerder is er geen aanleiding om de tekortkoming in de nakoming van de sollicitatieverplichting buiten beschouwing te laten op grond van art. 354 lid 2 Fw.
2.5
Het hof overweegt als volgt.
2.5.1
De schuldsaneringsregeling biedt een schuldenaar in een problematische schuldensituatie de mogelijkheid om na achttien maanden een schone lei te verkrijgen. Tegenover dit perspectief staat een aantal niet lichtvaardig op te vatten verplichtingen. Zo dient de schuldenaar de bewindvoerder gevraagd en ongevraagd te informeren, zijn inkomen boven het vrij te laten bedrag af te dragen aan de boedelrekening en zich aantoonbaar in te spannen om een (fulltime) dienstbetrekking te verkrijgen. Daarnaast mogen tijdens de looptijd van de schuldsaneringsregeling geen nieuwe schulden ontstaan. Van een schuldenaar wordt een actieve houding verwacht ten aanzien van het naleven van voornoemde verplichtingen.
2.5.2
Op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is het hof van oordeel dat [appellante] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van meerdere verplichtingen die uit de schuldsaneringsregeling voortvloeien. In de eerste plaats heeft [appellante] nagelaten om steeds haar inkomen boven het vrij te laten bedrag (volledig) af te dragen aan de boedelrekening, waardoor er een boedelachterstand is ontstaan van € 6.369,14, berekend tot en met augustus 2025. Daarnaast had [appellante] in de periode augustus en september 2024 geen werk en inkomsten en gold voor haar derhalve de sollicitatieverplichting. Niet ter discussie staat dat [appellante] in die periode niet heeft gesolliciteerd. Het rapport van de verzekeringsarts biedt onvoldoende aanknopingspunten om te concluderen dat van [appellante] in die periode geen enkele arbeidsinspanning kon worden verwacht. Het hof verwerpt de stelling van [appellante] dat zij er geen rekening mee hoefde te houden dat het niet voldoen aan de sollicitatieverplichting consequenties zou hebben. [appellante] mag bekend worden verondersteld met de verplichtingen die voortvloeien uit de wsnp, waaronder de sollicitatieverplichting. De bewindvoerder heeft er in dit verband terecht op gewezen dat [appellante] bij aanvang van de wsnp de verklaring verplichtingen wsnp, waaronder de sollicitatieverplichting, heeft ondertekend. Het niet voldoen aan de sollicitatieverplichting gedurende een bepaalde periode kan niet worden gecompenseerd door in een andere periode extra te solliciteren. Aan de suggestie dat [appellante] ter compensatie een extra boedelafdracht had kunnen doen, gaat het hof voorbij. De bewindvoerder heeft terecht opgemerkt dat [appellante] zelfs niet aan de reguliere afdrachtverplichting heeft voldaan, zodat niet aannemelijk is dat [appellante] een extra boedelafdracht had gedaan.
2.5.3
Tegen deze achtergrond kan niet worden geconcludeerd dat [appellante] in redelijkheid geen verwijt treft ten aanzien van de tekortkoming in de sollicitatieverplichting in de maanden augustus en september 2024. Het hof ziet ook geen aanleiding om de tekortkoming op de voet van art. 354 lid 2 Fw buiten beschouwing te laten. Het over een periode van twee maanden niet voldoen aan de sollicitatieverplichting is geen geringe tekortkoming. Als [appellante] wel aan die verplichting had voldaan, had zij mogelijk al eerder dan 1 december 2024 een baan kunnen hebben en inkomsten kunnen generen ten behoeve van de boedel.
2.5.4
Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank de verlenging terecht op veertien maanden vastgesteld en bepaald dat [appellante] gedurende de eerste twee maanden van de verlenging aan alle verplichtingen van de schuldsaneringsregeling moet voldoen. Het hof acht dat een passende compensatie voor het niet voldoen aan de sollicitatieverplichting. Aldus is aan [appellante] door de rechtbank alsnog een kans geboden om de schuldsaneringsregeling met een schone lei te beëindigen. Het hof zal het vonnis van de rechtbank daarom bekrachtigen.
De beslissing
Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 24 september 2025.
Dit arrest is gewezen door mrs. G.B. Plomp, G.C. de Heer en R.F. Groos, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 december 2025 in aanwezigheid van de griffier.