ECLI:NL:GHDHA:2025:2878
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging waardebepaling woning en afwijzing hoger beroep tegen WOZ-beschikking
Belanghebbende is eigenaar van een parterre-portiekwoning uit 1929 met een tuin, waarvan de WOZ-waarde voor 2022 door de heffingsambtenaar is vastgesteld op €354.000. Belanghebbende maakte bezwaar tegen deze beschikking en de aanslag onroerendezaakbelasting, maar dit bezwaar werd afgewezen. Vervolgens stelde belanghebbende beroep in bij de Rechtbank, die het beroep ongegrond verklaarde.
In hoger beroep betoogde belanghebbende dat de heffingsambtenaar de toezendplicht had geschonden, de uitspraken onvoldoende waren gemotiveerd en de waarde te hoog was vastgesteld. Het Gerechtshof oordeelde dat de heffingsambtenaar geen stukken had achtergehouden en dat de gebruikte vergelijkingsobjecten passend waren. De rechtbank had terecht geoordeeld dat de waarde niet te hoog was vastgesteld, mede omdat de vergelijkingsobjecten voldoende vergelijkbaar waren en de door belanghebbende aangedragen alternatieven minder relevant waren.
Het hof stelde vast dat de heffingsambtenaar geen gebruik maakte van bepaalde factoren zoals grondstaffels en KOUDV-factoren, zodat deze niet verstrekt konden worden. De motivering van de uitspraak op bezwaar en de rechtbank was voldoende. Belanghebbende bracht geen nieuwe feiten of argumenten in hoger beroep die tot een andere uitkomst konden leiden. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de WOZ-waarde van de woning wordt bevestigd.