Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2025:394

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
25 maart 2025
Publicatiedatum
13 maart 2025
Zaaknummer
200.341.719/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 139 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep afgewezen tegen ontbinding huurovereenkomst wegens onvoldoende huurachterstand

In deze civiele zaak vordert Stichting Woonbron ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van een woning wegens huurachterstand. De kantonrechter wijst deze vorderingen af, maar veroordeelt de huurder tot betaling van de huurachterstand.

Woonbron gaat in hoger beroep tegen de afwijzing van ontbinding en ontruiming. Het hof beoordeelt of de huurachterstand ernstig genoeg is om ontbinding te rechtvaardigen, waarbij een huurachterstand van meer dan drie maanden doorgaans als uitgangspunt geldt.

De huurachterstand bedroeg net iets meer dan drie maanden, maar Woonbron heeft onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld die ontbinding kunnen rechtvaardigen. Tevens is onduidelijk of de huurachterstand nog steeds bestaat en is er een discrepantie in de overgelegde huurovereenkomst.

Het hof acht zich onvoldoende geïnformeerd om tot ontbinding over te gaan en bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter. Woonbron wordt veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep, terwijl de huurder niet in de procedure is verschenen.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter en wijst het hoger beroep van Woonbron af wegens onvoldoende huurachterstand voor ontbinding.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.341.719/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : 11053128 RL EXPL 24-7721
Arrest van 25 maart 2025
in de zaak van
Stichting Woonbron,
gevestigd in Rotterdam,
appellante,
advocaat: mr. M.W. Kox, kantoorhoudend in Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde],
wonend in [woonplaats],
geïntimeerde,
niet verschenen.
Het hof noemt partijen hierna Woonbron en [geïntimeerde].

1.De zaak in het kort

1.1
[geïntimeerde] huurt een woning van Woonbron
.Woonbron heeft in eerste aanleg betaling van een huurachterstand, ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning gevorderd. De kantonrechter heeft [geïntimeerde] veroordeeld tot betaling van de huurachterstand, maar heeft de gevorderde ontbinding en ontruiming afgewezen. Het hof komt tot hetzelfde oordeel als de kantonrechter, omdat de huurachterstand nauwelijks meer dan drie maanden bedraagt en Woonbron haar vorderingen ook overigens onvoldoende heeft onderbouwd.

2.Procesverloop in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 15 mei 2024, waarmee Woonbron in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 25 april 2024, en de daarin opgenomen grieven.
[geïntimeerde] is niet in de procedure verschenen. Tegen hem is verstek verleend.

3.Feitelijke achtergrond

3.1
Woonbron stelt dat zij aan [geïntimeerde] heeft verhuurd een woning op het adres [adres 1] (hierna: de woning).Woonbron heeft een huurovereenkomst met [geïntimeerde] overgelegd waarin als verhuurd object een woning aan de [adres 2] in Delft wordt genoemd.

4.Procedure bij de rechtbank

4.1
Woonbron heeft [geïntimeerde] gedagvaard en het volgende gevorderd:
  • i) ontbinding van de huurovereenkomst met betrekking tot de woning;
  • ii) ontruiming van de woning;
  • iii) betaling van een huurachterstand van € 2.774,06, inclusief € 303,11 aan incassokosten;
  • iv) een gebruiksvergoeding van € 800,92 voor iedere maand waarin [geïntimeerde] de woning na 1 mei 2024 in bezit houdt;
  • v) wettelijke rente over een huurachterstand van € 1.670,02 vanaf 1 maart 2024;
  • vi) een veroordeling in de proceskosten.
4.2
[geïntimeerde] is niet verschenen in de procedure. Tegen hem is zowel in eerste aanlag als in hoger beroep verstek verleend
.
4.3
Bij vonnis van 25 april 2024 heeft de kantonrechter de vorderingen onder (iii), (v) en (vi) toegewezen. De overige vorderingen heeft de kantonrechter afgewezen, met als motivering dat de huurachterstand geen aanleiding gaf tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning.

5.Vordering in hoger beroep

5.1
Woonbron vordert vernietiging van het vonnis van de kantonrechter, ontbinding van de huurovereenkomst, ontruiming van de woning en veroordeling van [geïntimeerde] tot waartoe hij is veroordeeld in het vonnis van de kantonrechter, met uitvoerbaar bij voorraadverklaring van het arrest en veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten in beide instanties.

6.Beoordeling in hoger beroep

6.1
Het hoger beroep van Woonbron richt zich uitsluitend tegen het feit dat de kantonrechter de gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning heeft afgewezen, omdat de huurachterstand daartoe naar zijn oordeel geen aanleiding gaf.
6.2
Een vordering tot ontbinding van een huurovereenkomst vanwege een huurachterstand kan alleen worden toegewezen als de huurachterstand ernstig genoeg is om de ontbinding te rechtvaardigen. De rechter moet dat ook in verstekzaken beoordelen (vgl. Hoge Raad 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1810, rov. 3.9). In de rechtspraak wordt wel als uitgangspunt genomen dat een huurachterstand van meer dan drie maanden ontbinding rechtvaardigt. De rechter moet echter alle omstandigheden van het geval afwegen.
6.3
In dit geval bedroeg de huurachterstand ten tijde van het vonnis van de kantonrechter net iets meer dan drie maanden huur. De maandelijkse huur bedraagt € 800,92. De in de inleidende dagvaarding gevorderde huurachterstand bedroeg exclusief incassokosten € 2.470,94. Dat is € 68,18 meer dan drie maanden huur. Afgezien van deze huurachterstand heeft Woonbron geen feiten en omstandigheden gesteld die de ontbinding van de huurovereenkomst kunnen rechtvaardigen. Zo blijkt niet uit de dagvaarding in hoger beroep of deze huurachterstand nog steeds bestaat.
6.4
Verder vermeldt de dagvaarding in eerste aanleg wel dat Woonbron conform het bepaalde in het Besluit gemeentelijke schuldhulpverlening contactgegevens van [geïntimeerde] en gegevens over de hoogte van de huurachterstand aan de Gemeente Delft heeft verstrekt, nadat Woonbron haar voornemen daartoe aan [geïntimeerde] had medegedeeld en [geïntimeerde] niet afwijzend had gereageerd. Over het vervolg van deze melding vermeldt de dagvaarding in eerste aanleg echter niet meer dan dat deze melding geen “
minnelijk resultaat” heeft opgeleverd, terwijl die dagvaarding nog geen twee weken na de melding is uitgebracht. En in de dagvaarding in hoger beroep staat niets over een mogelijk vervolg van deze melding.
6.5
Ook overigens is de vordering van Woonbron onvoldoende onderbouwd. Zo stelt Woonbron dat zij de woning (die is gelegen aan de [adres 1]) aan [geïntimeerde] heeft verhuurd, maar legt zij een huurovereenkomst over die betrekking heeft op een woning aan de [adres 2].
6.6
In deze omstandigheden acht het hof zich onvoldoende geïnformeerd om te kunnen beoordelen of de huurachterstand ernstig genoeg is (geweest) om de ontbinding van de huurovereenkomst te kunnen rechtvaardigen. Daarmee komt de vordering het hof ongegrond voor, zoals bedoeld in artikel 139 Rv Pro. De veroordeling tot betaling van de huurachterstand moet het hof in stand laten, omdat [geïntimeerde] geen hoger beroep heeft ingesteld en Woonbron niet slechter kan worden van haar eigen hoger beroep.
Conclusie en proceskosten
6.7
De conclusie is dat het hoger beroep van Woonbron niet slaagt. Daarom zal het hof het vonnis bekrachtigen. Het hof zal Woonbron als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep. Aan de zijde van [geïntimeerde] zullen deze worden begroot op nihil, omdat [geïntimeerde] niet in de procedure is verschenen.

7.Beslissing

Het hof:
  • bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 25 april 2024;
  • veroordeelt Woonbron in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door mrs. P. Glazener, A.E.A.M. van Waesberghe en F. van der Hoek en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2025 in aanwezigheid van de griffier.