In deze ontnemingszaak is de betrokkene veroordeeld voor het medeplegen van het binnenbrengen van een grote hoeveelheid cocaïne in Nederland. De rechtbank Rotterdam had het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op €333.250,- en de betalingsverplichting op €323.250,-.
Het hof heeft het vonnis vernietigd en een zelfstandig oordeel gegeven over de vaststelling van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat. Uit gesprekken en bewijsmiddelen blijkt dat de betrokkene en zijn zoon samen €650.000,- overhielden na betaling aan medebetrokkenen. Het hof gaat ervan uit dat dit bedrag gelijk verdeeld is, waardoor het voordeel van de betrokkene €325.000,- bedraagt.
De betrokkene voerde een draagkrachtverweer, maar het hof oordeelde dat dit niet aannemelijk was voor de executiefase. Vanwege een overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg en hoger beroep heeft het hof het te betalen bedrag verminderd met €65.000,- tot €260.000,-. De duur van de gijzeling is vastgesteld op maximaal 1080 dagen.
Het arrest is gewezen door het hof Den Haag op 25 maart 2025 en vernietigt het eerdere vonnis van 8 januari 2020.